Openingswoord op de predikantenconcio
De bevinding
Over dit onderwerp bevinding wilde ik graag iets zeggen en dan wel over deze zaak ten aanzien van de predikanten zelf en dan ten aanzien van de prediking en van de gemeente. Het begrip bevinding raakt de persoonlijke geloofsbeleving én van de prediker én van de gemeente en richt zich niet alleen op de beginperiode van het geloofsleven maar het strekt zich uit over het gehele geloofsleven. Het is een moeilijk hanteerbare materie, omdat ze doorgaans afspeelt in de verborgenheid des geloofs en in de verborgen omgang met God. Het is geen leerstuk. Het komt in de dogmatiek niet voor als een eigen locus (plaats). Het is ook in geen enkele geloofsbelijdenis een artikel. Toch ligt het verweven in de Schriften van het Oude en Nieuwe Testament, overal waar God met mensen handelt en wandelt en overal daar, waar mensen in relatie treden tot hun God en in relatie leven met hun God. Uiteraard vindt ze ook haar plaats in de kerk, als het huis des Heeren, in alle handelingen, die daar plaatsvinden zowel van de dienaren der kerk als van de gemeente, die in de kerk evenzeer handelt als de officiële dienaren. Dan ook vindt ze haar plaats, waar ook maar christenen verkeren, in huis, in de binnenkamer of in het werk buitenaf, of in het publieke leven.
Beproefdheid
Het Griekse woord dokimè, dat door beproefdheid vertaald kan worden, werd door de Statenvertalers vertaald door bevinding. De woordgroep, waartoe dit behoort, komt in het Nieuwe Testament vrij veel voor. Het betekent in het algemeen beproefd zijn en dan: deugdelijk, houdbaar, waarachtig gebleken zijn. In Romeinen 5 : 3 wordt de houdbaarheid van het geloof bewezen in verdrukkingen. Dit bijbelse begrip komt dus voor in passieve zin: de christen wordt door zijn God beproefd op zijn geloof in verdrukkingen'. Het theologische begrip bevinding, dat in de kerk een plaats verwierf, ligt meer in het actieve vlak: de christen, die door het geloof de waarheid Gods, het werk van Christus aanvaardt, vindt daarin de waarheid van het heil voor zichzelf bevestigd, waaruit de echtheid van zijn geloof blijkt. In de reële nood der zonde, welke de Heilige Geest door de wet openbaart, worden de persoon en de genade van Christus, de beloften van Zijn heil, de schuldvergeving, die de Heilige Geest in het Evangelie openbaart, even reëel. In de beloften van het Evangelie en in de verkondiging van de schuldvergeving, wordt niet minder gehoord dan de stem van de levende Christus, gelijk in de eisen van Gods heiligheid door de Wet, niet minder gehoord werd dan de stem van Gods gerechtigheid zelf. Dit is een gebeuren in het leven van een mens, hetzij van de prediker, hetzij van het gemeentelid. Een gebeuren met de schrik des Heeren enerzijds, een gebeuren met een vrede, die alle verstand te boven gaat, door Jezus' bloed en Geest, anderzijds. Dit alles is waar vóór het geloof en dóór het geloof.
De bevinding des geloofs zal, over deze drempel gekomen zijnde, hierbij niet blijven staan. Zij begint nu eerst recht! De kennis van de zonde wordt met de jaren verdiept. Zie dat bij Paulus: de minste der apostelen - de minste der heiligen - de grootste der zondaren. En tussen deze uitspraken van de apostel liggen perioden van jaren blijkens de datering van de brieven, waarin die uitspraken gedaan zijn. Evenzeer en veel meer wordt de kennis der genade verdiept. Ik zeg veel meer, omdat diep is het hart, het zondige hart van een zondaar, van een mens, maar oneindig dieper is het hart, het genadige hart van de Middelaar. Rom. 11 : 33: O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods !' Reist de Wet, ontdekkend mee met de kerk, ze reist mee onder het verzoenend bloed van Christus. De reis van een christen wordt een wandelen met Jezus, een gaan in de weg van de vele en rijke beloften, een gaan in de weg van Jezus' bloed en wonden, als in een verse en levende weg. Dit geeft een onderwezen worden in alles, wat er omtrent de Middelaar te leren valt: zijn naturen. Zijn staten. Zijn ambten met al wat dat praktisch voor een christen te betekenen heeft. Dit stempelt, dit bepaalt, dit verrijkt zijn leven, het geeft er inhoud en ook rijkdom aan. Het doet hem in Christus zijn en dat maakt hem een nieuw schepsel.
Het geloof wederbaart Art. 24
Het geloof verleent ook een verkeren met de Vader, in Zijn huis, aan Zijn troon, zelfs in Zijn hemel, hier vanuit de aarde. Als men in het kindschap Gods gesteld wordt, dan verleent dat kinderlijke rechten. Dan verkeert men in de kerk niet meer als een dienstknecht, maar als een zoon van het huis, met kinderlijke rechten en met kinderlijke plichten. Onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten. Dit alles is ervaring, geloofservaring. Dit gaat niet buiten iemand om, dit raakt zijn verstand, zijn wil, zijn genegenheden, zijn hele bestaan.
De dienaren
Wij gevoelen, dat de dienaar van het Woord in de eerste plaats onder dit geloof, onder deze geloofservaring moet vallen. Toegegeven dat een beginneling in dit geloof als in de kinderschoenen staat. De apostelen hebben tijdens en ook nog na de wandeling met Jezus van deze dingen ook maar de eerste beginselen bezeten. Zelfs na jaren moet Paulus bekennen: 'Wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele'. Maar dat deel is dan ook van het echte. Heeft de kerk vanouds geloof en roeping als voorwaarde geëfst tot het predikantschap, hoe zullen wij dienen zonder die beide. En een eerstelingenpraktijk is ook praktijk. Ze vertoont zelfs de trekken van het gehele beeld der latere jaren. Vaak worden in het begin dingen gezegd, als bij Petrus, waarvan de Heere zegt: 'Vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, die in de hemelen is, dingen ook waarvan wij eerst later de draagwijdte zullen verstaan. Eerbied voor God, spreken met God, worstelen met God, genade bij God, dit zijn dingen, die toch een leraar niet vreemd mogen zijn. Hij moet zelf van die weg zijn. Hij moet in de voetstappen der schapen gaan. De schapen moeten hem eigen zijn. De weide — welke is Gods Woord — moet hem eigen zijn. Hij moet niet de slagen voor de schapen hebben en de weide voor de bokken. Het behoort tot de eerste dingen van het Koninkrijk Gods, dat een dienaar van het Woord thuis is in het Woord — waartoe eerst en afgemaakt een goede opleiding, aieer hij dient. Hij moet thuis zijn in heel de dienst van het huis, niet een vreemdeling en een bijwoner. Dit thuis zijn is ook een zaak van groei in de jaren. Kennen en voortvaren te kennen het Woord van God en de God van het Woord. Hij is de God die Zijn Woord begeleidt. God geeft boodschappen aan Zijn knechten, geeft raad uit Zijn Woord tot hun dienst. Een goede omgang met God, de Opdrachtgever, zal ook het werk met Hem doen bespreken en in zijn wel en wee aan Hem doen vertonen. Daar hoeft de gemeente niet van te weten, dat zijn de ambtsgeheimen tussen God en hem.
De bevinding en de prediking
De dienaar heeft zich strikt te houden aan de voorgeschreven dienst: de bediening van het Woord, de heilige sacramenten, de gebeden en de pastorale zorg. Daarbuiten heeft hij niet te gaan, heeft hij geen taak. Hij is alleen maar dienaar Gods, dienaar van het heiligdom, dienaar des Woords, met wat daartoe hoort. De praktijk van de dienst, de beleving van de dienst, moet ons doen erkennen, dat het Woord en zijn bediening, dus ook het geloof en zijn beleving zijn voorhof, zijn heilige en heilige der heiligen kent, zijn buitenkant en zijn binnenkant, zijn oppervlakte en zijn diepte. De jeugd der kerk, de van buiten komenden en ook telkens weer de gevorderden moeten successievelijk geleid worden en telkens weer van het buitenste af geleid worden tot de meer innerlijke dingen van het geloof. Men moet nogal eens iets over bevinden om er vertrouwd mee te worden, om ze beproefd en houdbaar te leren achten. Men moet geleid worden van kennis tot kennis en van zaligheid tot zaligheid. Daar zijn verborgenheden van de eerste orde en ook van latere orde. Wij geloven niet aan een methodistische bekering, er ééns komen en er dan altijd zijn. Wij geloven wel aan een gestadige werking van Gods Geest en van Gods Woord, aan een leiden in het effen recht des Heeren, aan een wassen en toenemen in de kennis en in de genade van de Heere Jezus Christus. Men moet niet beginnen met de laatste stap op de weg tè zetten, maar men moet beginnen met de eerste stap. De schreden richten naar de gang van het werk, opdat de lammeren der kudde niet vergeten worden.
Als er is een toenemen in de genade en in de kennis, mag men ook de hoge en de diepe stukken, de verborgenheden van God, die er óók zijn om geopenbaard te worden, aan de gemeente niet onthouden: Prediker, Job, Hooglied, Openbaring. De praktijk der godzaligheid brengt ook mee tuchtoefening, die niet dan met hoge ernst en diepe liefde en bewogenheid over de gemeente geoefend moet worden. De praktijk der godzaligheid brengt zelfs mee, dat in het heilig stervensuur de gemeeiite of één van haar leden aan God moet of aan God mag worden overgedragen, hetzij aan het sterfbed , hetzij in de gebeden der gemeente. Hier ten uiterste blijkt de dokimè — de houdbaarheid van het geloof. Als het Woord Gods vat op de gemeente of op één harer leden, jong of oud, gekregen heeft, of ook als de gemeente of één harer leden vat aan het Woord gekregen heeft, dan hoeft men hier niet in het duister te tasten. Het is niet aan ons om het oordeel gunstig of ongunstig uit te spreken, maar wij mogen wel besluiten met het onovertroffen sluitstuk van het oude dienstboek der kerk: de ziekentroost achterin ons kerkboek. Hetwelk toch is het handvest van de dienaren van het Evangelie.
Ik kom nog terug op de Woordbediening. Niemand legge zichzelf de beperking op om met een aantal in de eerste gemeente gemaakte preken ook de volgende gemeenten te dienen. Men arbeide gestaag en al zijn leven door in het Woord Gods, zo ver als men maar komen kan, met eigengemaakte preken: men gebruike ervoor zijn bijbel met de Hebreeuwse en Griekse tekst daarnaast, met goede commentaren (geen preken van anderen, geen oude kerkbodes) en men vergete de biden dankstoel niet in zijn studeerkamer, vóór, tijdens en na het preekmaken. Men voelt het zo goed aan, of de dienaar des Woords ook zelf onder het recht Gods, het recht van Zijn heiligheid gebogen heeft en telkens weer buigt. Men voelt het zo goed of de dienaar des Woords ook zelf staat in of haakt naar de troost des Evangelies. En de gemeenten — hoe zij ook zijn — mogen toch ook verwachten van hen, die hen voorgaan, dat zij betrachten zelf wat zij anderen aanprijzen. Men houde zich voor alles aan een goede exegese, te leveren met een goede toepassing — dat is met een goede uitdeling óf onthouding. Die de Heere Jezus Christus niet lief heeft, die zij een vervloeking ! Sommigen houden waarschuwend preken voor bevindelijk preken. Nu zal een goede en spaarzamelijke waarschuwing haar nut doen, maar dat is toch de ervaring des geloofs niet, al kan zowel de ongelovige als de gelovige zulks wel als een goede ervaring meenemen. Een andere uitwas in de preek is het befaamde allegoriseren. Wij zullen er ons allen wel eens aan schuldig maken — bij het boek Ruth en zo — maar toch weinig dingen hebben de gereformeerde positie in de kerk meer schade gedaan dan dit. Wij stellen daarmee toch eigenlijk de Schrift in gebreke.
Een laatste bezwaar, wat wij tegen een bepaalde vorm van bevindelijk preken in zouden willen brengen, is de bevinding zelf. Eén onzer goede predikanten maakte de opmerking, dat soms de leer schuil gaat achter, bedolven wordt door de bevinding. Helaas ja, tot schade van beide. Laat in het lichaam der prediking de dokimè zijn als de bloedsomloop, als een haarfijn net in het geheel aanwezig, warmtegevend, voedend, afvoerend, maar nergens naar buiten tredend. Wij prediken tenslotte Christus Jezus en niet ons zelven, ook niet de gemeente, al hoort ze nog zo graag over zichzelf spreken. Allereerst de voorwerpelijke waarheid en die gebracht aan het hart van de gemeente.
De gemeente en de bevinding
Tenslotte nog iets over de gemeente en de bevinding. De gemeente reikt ons de stof voor de prediking niet aan en vult ook niet de inhoud van het geloof. Toch heeft het geen zin over dit onderwerp te spreken, als wij niet de gemeentelijke kant van de zaak daarbij betrekken. De Schrift spreekt toch ook over de verborgenheden des geloofs, over het leven des geloofs, over de geloofsbelevingen. Hier moet de dokimè blijken. De gemeente, de mensen, de wereld waarin wij leven, is tenslotte de plaats waar wij werken, waaraan wij ook werken. En de gemeente is tenslotte des HEEREN ! Ook is de aarde des HEEREN, de wereld en die levende gemeente, de geloofsgemeenschap de bruid van Christus is uiteindelijk de resultante van het werk. Wie is in die gemeente, zoals zij zich in haar breedte aan ons voordoet, de echte geloofsgemeenschap. Het is aan ons niet gegeven, dat te bepalen. Dat is aan Hem alleen ! Hij verwijst ons naar de tijd van de oogst. En de oogsters zijn de engelen. Toch houden wij er ons mee bezig, van het begin tot het eind. Wie zal zeggen waar het zit, wie zal zeggen waar het niet zit. Soms daar, waar wij het niet verwachten. Soms daar niet, waar wij het wel verwachten.
Het is aan ons niet om de gang, de voortgang van het geloof in die diverse mensenlevens te bepalen, zelfs te onderscheiden, te zien. De Heilige Geest bepaalt en begeleidt de gang van het werk. Het is aan ons ook niet, om te bepalen, hoe hoog het komen moet, hoe ver het komen kan. Wat is een groot geloof ? Dat van Abraham ? Dat van Isaac ? Dat van Jacob ? Vergelijk hun geloof en hun geloofsbeleving eens ! Of misschien van een heidense vrouw, die maar aanhoudt ?
Men hoort wel eens zeggen: met een drieenig God verzoend zijn. Waar staat dat in de Bijbel ? Wel lezen wij van met God verzoend zijn. En van Christus lezen wij van: 'En Hij is een verzoening onzer zonden'. En van de Heilige Geest: Die in alle waarheid leidt, en ook lezen wij van een verzegeld worden door de Heilige Geest, en dan wordt de Geest genoemd de Geest der beloften. Hier eerst komen de beloften tot hun waarde.
Wij hebben een leiddraad in het verbond Gods: het geboren worden in de kerk — het ontvangen worden onder de gebeden van de Vader en de Moeder — de kinderdoop — een opvoeding in de vreze en in de vermaning des Heeren. De huisgebeden, de huiselijke bijbellezing, al te zeer vergeten: het huiselijk lied. En wie zal zeggen wat het vroege verkeren in de kinderjaren in kerk, op zondagsschool, op catechisatie en onder het officieel huisbe zoek, of ook het bezoek van Godvruchtigen voor indrukken wekt en achterlaat. Wie zal zeggen wat vrome gesprekken thuis, wat vrome lectuur thuis doen in kinderharten.
Maar waar het geloof aanwezig is, waar het zich openbaart en wij uit de aard der liefde mogen geloven in het werk, dat de Heere werkte vóór ons en mede door onze bediening in de harten: Gezegend de gemeente, waar de Heere veel volks in de stad heeft. Daar worden toch in de gemeente de schapen van de goede Herder wel gekend. Zie, dat leven der genade dat openbaar komt, schuchter of ook vrijmoedig, dat mag toch erkend worden. De Heere Jezus had toch Zijn vrienden, met name bekend, te Bethanië. Paulus noemt ze ook met name: mannen, vrouwen, jonge mensen soms, mannen en vaders in het geloof in de verschillende gemeenten. Wij kijken toch niet tegen een gemeente aan als van mensen, die het allemaal niet hebben, of ook die het allemaal hebben en alles hebben. Als wij met Petrus geroepen worden om de schapen, Zijn schapen, te weiden en de lammeren. Zijn lammeren, te hoeden, dan mogen en moeten wij daar oog voor hebben, om zo het hart op de kudde te hebben. En zie daar openbaart zich het geloof aan de dokimè, aan de beproefdheid, waardoor het woord ingang gevonden heeft in de harten, en waar mensen zich tot God bekeerden. Tenslotte zullen degenen, die een even dierbaar geloof deelachtig worden, de gemeente van de levende God uitmaken. En op de akker der kerk is toch de tarwe wel te onderscheiden van het onkruid. Waarmee wij in onze bediening dan ook deugdelijk in onze gemeenten te maken hebben. Wij kunnen er niet omheen, of wij stuiten op de dokimè — op het gebleken geloof. Geloof is niet alleen een bezitten, het is niet alleen een belijden, het is ook een zaak die verkregen wordt, en dat is een gebeuren, dat is een ervaring. En als dat geloof in het leven beproefd en beoefend wordt, dan is dat óók een gebeuren, een ervaring. En daarop werkt de hele dienst des Woords.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's