Hun geloof
En Jezus, hun geloof ziende, zei tot de geraakte... (Marcus 2 vs. 5)
Evangelisten zijn gidsen. Marcus is ditmaal onze gids, hij loopt voor ons uit en leidt ons binnen in een andere wereld, als die grauwe wereld van ons. Een dromenland zou men het kunnen noemen; maar dromen zijn bedrog. Eenmaal wakker geworden, wrijven we ons de ogen uit: het was zo mooi en er is niets van waar. Zeggen we liever: wonderland. We zien het ene wonder na het andere en... we vertrouwen het niet. Wonderen kunnen niet waar zijn, net zo min als dromen. Wij halen daar al eeuwen de schouders over op. Zeker, het Evangelie is vol wonderverhalen. Dat zijn evenzoveel legenden, waarmee de eerste gemeente een fraai kleed voor Jezus heeft geweven; wij rafelen dit kleed uit elkaar, draad voor draad, totdat er niets als vrome fantasie overblijft. De wonderen zijn de wereld uit. Wij hebben ze de deur gewezen, daarna deden wij de deur dicht. De wereld waarin wij leven is een gesloten wereld, een geordende wereld, die bij haar eigen wetmatigheden zweert. Wonderen ? Uitgesloten. Ondertussen zitten wij opgesloten.
Met de Heere Jezus zijn de wonderen de wereld binnengevallen, verrassend en ook voortdurend. Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen in en met Hem. Dat is de grote doorbraak, die zich niets aantrekt van die geslotenheid. Hij doorbreekt de mogelijkheden en de onmogelijkheden. Hij breekt die wereld van ons open, zodat God de vrijheid krijgt om Zijn heerschappij op te richten. Christus is in de wereld gekomen, dat is het wonder bij uitstek. Om Hem heen — Hij is het stralende midden — breidt zich een lichtplek uit, waar zondaren en zieken, tollenaren en bezetenen naar toe kruipen uit donkere hoeken en gaten. Een lichtplek van vergeving en verlossing, van genezing en verzorging. En die lichtplek is sindsdien niet ingekrompen tot een lichtpunt, een lichtstip. Integendeel: overal waar Hij gepredikt wordt komen mensen tot het licht. Marcus roept ons naar Christus toe, al lezende zien we wonderen.
Jezus is in zijn woonplaats, Kapernaum, teruggekeerd. Hij is thuis, vertellen de rnensen elkaar. Velen spoeden zich naar Zijn woning. De toeloop is zo groot, dat de mensen al gauw het huis uitpuilen; ze staan, dicht opeengepakt te luisteren. En Hij sprak het Woord tot hen, het Woord van het Koninkrijk. Het heil wordt ver kondigd, de nieuwe stand van zaken. Het Woord is het Evangelie, de blijde boodschap. Christus wordt niet moe die boodschap te brengen, dat is Zijn opdracht, daar kwam Hij voor.
Terwijl de menigte daar samendromt lopen vier mannen over de straat, die een lamme dragen. Zij dragen hem op een matras, een grote mat, misschien gespannen tussen een raam van latten. Waar gaan ze met hem naar toe ? Naar Jezus. Hij kan deze geraakte, deze verlamde genezen, daarvan zijn ze vast overtuigd: er gaat kracht van Hem uit ! Bij het huis gekomen, zien ze dat er van binnendragen geen sprake kan zijn, de toegang is versperd. Niemand gaat opzij, niemand wil plaats maken voor deze zieke. Zo onoplettend zijn de mensen, en zo op eigen plaats gesteld. Zullen zij onverrichter zake terugkeren ? Daarmee is hun vriend niet geholpen. De nood maakt vindingrijk. Er zijn nooduitgangen, er zijn gelukkig ook noodingangen. Ze klimmen langs de buitentrap op het platte dak. Daar nemen ze de tegels weg, waarmee het bedekt was. Onder die tegels is puin en gruis, riet en leem, een samengestelde rommel. Voorzichtig graven ze zich een opening, een weg. Door de opening in het dak, laten ze de matras neer. De mensen zien met verbazing hoe ze hun zieke vriend laten zakken tot vlak voor de voeten van de Heere Jezus. Daar is blijkbaar wat ruimte uitgespaard. Voor wie, denkt u ? Voor die man! Jezus ziet het ook. Hij houdt op met spreken. Hij kijkt naar boven, naar die vier mannen, en Hij kijkt naar die ene man daar aan Zijn voeten. Hij ziet met één oogopslag wat er aan de hand is.
En Jezus hun geloof ziende. Meervoud. Het geloof van die vier, het vertrouwen, dat zij in Hem stellen. Dat is dus geloof: Jezus houden voor een Heiland. Hem houden voor wat Hij is. Eenvoudig, nietwaar. Een geloof door de liefde werkzaam. De naastenliefde hangt ten nauwste met het geloof samen. Hun vriend was verlamd: een hulpeloos man, een hopeloos geval. Opgegeven. Maar zijn vrienden nemen hem op en brengen hem tot Jezus. Het geloof is geen bespiegeling, geen bespreking onder elkaar. Het heeft handen en voeten, het doet iets ten goede voor de naaste. Marcus vestigt daar herhaaldelijk onze aandacht op. Moeders komen met kinderen, een vader komt met zijn zoon, voor zijn dochter.
Hun geloof! Wie heeft het plan geopperd ? Ze zijn op pad gegaan. Niet om zelf het woord van de Heere Jezus te ho ren. Ze hebben zich opgeofferd uit liefde tot hun vriend. De liefde zoekt zichzelf niet en het geloof is niet zelfzuchtig. Ze zijn met de nood van hun medemens begaan. Ze rekenen met de macht Gods, die in Christus werkzaam is. Hij kan redden. Dat is geloof. Hij kan hun vriend redden; het geloof spitst zich toe op dit geval, dit bijzondere geval. En als ze nu niet bij Hem kunnen komen ? Het geloof ontmoet altijd tegenstand, reken maar. Als het uit de algemeenheid treedt, dan gaat het pas spannen. Wat een tegenslag: de deur kunnen ze niet door. En dan al die mensen, die niet meewerken. Weten ze er weg mee ? Geloof is ook moeite doen. Kijk maar naar die vier mannen. Geloof is ook moed houden. Hindernissen nemen, omdat geloof en liefde nergens voor staan. Is Christus onbereikbaar ? Hij is in het huis, daarom zetten ze alles op alles.
Als ik het maar hoor; als ik het maar krijg. Dat is hun geloof niet. Zij denken aan die ander, die niet lopen kan, die er niet komen kan. Moet het hem ontgaan ? Kan ik met mijn geloof anderen van dienst zijn ? Ik denk van wel. Zij kunnen tenminste hun vriend niet thuislaten. Hij is verlamd, het is al te lastig hem mee te nemen. Toch doen ze het. Komt u dat vreemd voor ? Dan ben ik bang, dat u nooit met iemand bezig bent, om hem tot Jezus te brengen. Dat is dan de dood in de pot, op de preekstoel en in de gemeente. Helaas, veler geloof — is het wel geloof — is zo zwak en zo ziek, dat het niet meer van aanpakken weet. Geloven, metterdaad. De Heere Jezus ziet hun geloof in dat dienstbetoon. Hij ziet het geloof van ouders, die hun kinderen tot Hem brengen; van gemeenteleden, de ambtsdragers vooraan, die met anderen lopen te zwoegen en te zeulen. In woord en daad, bovenal in het gebed, het gelovig gebed. Het valt niet mee, als het een lange weg is. Maar de Heere zal ons de nodige wijsheid geven, om vol te houden. Aan de voeten van de Heere Jezus, ik weet geen andere plaats, waar zondaren gezaligd worden.
Dat is ziekendienst. Vier rodekruismannen. Tot Hem. Naastenliefde is nog geen geloof. Daarmee is niets ten nadele van de naastenliefde gezegd. Maar het gaat erom, dat wij het dak ontdekken, waar Hij is. En dan aan de slag. O, die mensen, en dat dak! Jezus is daar en de nood is dringend. Wat zou een gemeente daarvan opleven, als het geloof zo geoefend werd. Het zou een gemeenschap stichten, waardoor wij onderling verbonden worden. Een reddingsbrigade, vier man sterk. We hebben elkaar daarin nodig, alléén maken we niet veel klaar. Het kerkelijk leven is vaak geen geloofsgemeenschap. We houden de kerkelijke bedrijvigheid voor een geestelijk bezig zijn. Was het maar waar. Want nog gebeuren er wonderen, nóg wordt dit evangelie bevestigd. En het steekt allen een hart onder de riem, die zó bezig zijn met anderen en voor anderen. Jezus, hun geloof ziende.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's