De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De plaats van de Geref. Bond in de Ned. Hervormde Kerk

Bekijk het origineel

De plaats van de Geref. Bond in de Ned. Hervormde Kerk

2

18 minuten leestijd

Beste Van der Graaf,

je antwoord op mijn eerste brief heeft me veel stof tot overpeinzing gegeven. We lijken het namelijk wel zo ongeveer met elkaar eens te zijn; in de tweede ronde zou ik nu nog kunnen proberen je op ondergeschikte punten een paar vliegen af te vangen en jij zou kunnen aantonen, dat mij dat helemaal niet lukt. Maar ik vrees, dat onder de oppervlakte van onze eerste ronde een zeer wezenlijk verschil schuil gaat, een verschil in de wijze, waarop jij God verstaat en de wijze, waarop ik dat doe.

Hoe kan ik dat het beste duidelijk maken ? Ik denk door aan te knopen bij wat je in je eerste brief over het Woord schrijft. Je vindt, dat ik een goede karakteristiek van de Bond geef, wanneer ik in mijn eerste brief schrijf: 'De Bond wil met diep ontzag voor God en voor de wet van God, in de vreze des Heren dus, leven en vindt dat een mens van binnenuit weet mag hebben van deze dingen'. Maar dan voeg je eraan toe: eerbied voor het Woord !

Ik vrees, dat de bond een formalistisch en wettisch lezen van de Bijbel verwart met eerbied voor het Woord. Zou — om een voorbeeld te noemen, dat jou en mij zeer ter harte gaat — er ooit een Reformatie zijn geweest, als Luther de Bijbel als een bonder gelezen had ? Het is immers zonder meer duidelijk, dat Paulus met 'de werken der wet' de besnijdenis bedoelt en dan ook alle geboden en verboden die een wetsgetrouwe jood in acht moest nemen. In de aantekeningen bij de ouderwetse rooms-katholieke uitgaven van de Bijbel staat dan ook met zoveel woorden te lezen, dat Paulus zich in zijn brieven aan de Romeinen en de Galaten opwindt over dingen, waar wij ons al in geen eeuwen meer zorgen over maken — geen mens komt toch meer op het idee zich te laten besnijden ? Maar toen de Heilige Geest door de brieven van Paulus begon te blazen, begreep Luther dat met 'de werken der wet' ook zijn vasten, zijn bidden, zijn poging oprecht berouw te hebben, en al zijn andere inspanning om een minimum aan gerechtigheid te produceren, bedoeld waren. Luther begreep, dat 'de gerechtigheid uit het geloof' betekende dat hij — en hoor hem bidden: '. . .Ik arm, ellendig, zondig mens.. .' — van Gods in Jezus Christus gegeven gerechtigheid mocht leven. Iedereen, die de Bijbel wettisch en formalistisch las kon natuurlijk beweren, dat Luther een loopje met het Woord nam, en heeft dat in de 16de eeuw natuurlijk ook gedaan. Toch heeft Luther Paulus goed begrepen, en de ouderwetse rooms-katholieke uitgaven van de Bijbel, die ik hierboven noenide, hebben dat niet. Wordt de geestelijke vrijheid, waarmee Luther de Bijbel gelezen heeft, niet onmogelijk gemaakt door de manier waarop de bond het Woord eerbiedigt ?

Dit brengt mij tot een tweede vraag: is de Reformatie de laatste vulkanische uitbarsting van het Evangelie in de kerkgeschiedenis geweest ? Ik denk namelijk, dat we het erover eens zijn, dat de Reformatie zo'n uitbarsting is geweest. Wat zij gezegd heeft, heeft zijn neerslag gevonden in de belijdenisgeschriften, die allemaal draaien om de gerechtigheid uit het geloof. Die gerechtigheid heeft onze kerk, voorzover ze althans in gemeenschap met de belijdenis van de vaderen wilde leven, onderwezen en gepreekt. Maar wij leven nu al weer meer dan vier eeuwen na de Reformatie, en we kunnen zien, dat het geloof, waar inderdaad alles om draait, juist in kringen, die trouw willen zijn aan de Reformatie, als een werk wordt opgevat, namelijk als iets dat je 'op' moet 'brengen', in de vorm van een blind vertrouwen op wat-dan-ook, het aanvaarden van leerstellingen, innerlijke beleving van het heil, dankbaarheid als blijk van een waar geloof, of in welke andere vorm dan ook. Kun je dit gevaar, dat vooral Kohlbrugge zo scherp heeft gezien, onder woorden brengen en afwijzen, wanneer je bij de belijdenisgeschriften van de Reformatie blijft staan ?

Ik zeg niet, dat de Heilige Geest zich sinds de Reformatie onbetuigd heeft gelaten, want ik geloof, dat de Geest de brieven van Paulus voor bij voorbeeld Kohlbrugge tot nieuw leven heeft gebracht. Ik zeg niet, dat je vanuit de belijdenisgeschriften van de Reformatie niet over het door mij genoemde gevaar zou kunnen spreken. Maar ik zeg wel, dat het misverstand, dat het geloof een werk zou zijn, veel wijder verbreid is dan in de 16de eeuw en ik zeg dat wij nog voor een paar andere vragen staan, die de Reformatie zó niet gekend heeft. Daarom zie ik uit naar een nieuw belijdenisgeschrift, dat de punten, waar het in onze tijd op aankomt, stevig, vol gloed en scherp onder woorden brengt. Ik meen dat de Barmer Thesen van 1934 een voorbeeld van een modern belijdenisgeschrift zijn. Tegelijk weet ik dat zo'n nieuw belijdenisgeschrift het in de synode niet zal halen. door verzet van vele kanten en dan met name van de bond. De bond komt altijd met het argument, dat alle dingen, die er echt toe doen, al in de belijdenisgeschriften onder woorden zijn gebracht. Ik vind dat eerlijk gezegd een gebrek aan eerbied voor het Woord. Alsof de Geest niet met een nieuw gezag — dat geen ander gezag is dan het oude gezag, waaronder de Reformatie in de 16de eeuw de christelijke vrijheid heeft hervonden — vanuit de Schrift tot de gemeente zou kunnen spreken ! Alsof het Evangelie uiteindelijk in 1618—1619 op de synode van Dordrecht is gestold ! Alsof wij, zoals de ouderwetse rooms-katholieken, in de grond van de zaak ook wel van de traditie zouden kunnen leven, zonder de Bijbel !

Inderdaad, we hebben sinds de 16de eeuw niet meer zo'n uitbarsting van het Evangelie beleefd als de Reformatie is geweest. Maar als er ooit nog eens zo'n uitbarsting zou dreigen, dan vrees ik, dat niet alleen de vrijzinnigen, maar ook de bonders het mensenmogelijke zullen doen om die te verhinderen.

Hoe kom ik aan het verwijt, dat de bond de Bijbel wettisch en formalistisch leest ? Ik ontleen dat aan wat je schrijft over de vrouw in het ambt. Ik heb al gezegd, en zeg nu nog eens, dat ik hier in Amsterdam-N. vrouwelijke ambtsdragers met zegen zie werken. Wanneer je de vraag stelt waar het gemeentelijk leven nu echt na de komst van de vrouwelijke ambtsdragers is gaan opbloeien, overvraag je: er is namelijk geen reden waarom de bediening van de ambten door vrouwen meer tot zegen zou zijn dan die van mannen. Terzijde zou het me overigens wat interesseren, waarom dan volgens jou de Heilige Geest de profetes Anna in Lucas 2 : 36 vv. en de vier profeterende dochters van Philippus in Handelingen 21 : 9 niet het zwijgen heeft opgelegd.

Doe ik hiermee wat Paulus schrijft over de vrouw, die te zwijgen heeft in de gemeente, als tijdgebonden af ? Geenszins ! Ik meen, dat Paulus te maken heeft gehad met een soort Dolle Mina's, die geen vrouw wilden zijn, en die daarom luidkeels te keer gingen: déze dames heeft hij volkomen terecht het zwijgen opgelegd. Ik wil niet zeggen, dat de vrouw op het ogenblik niets meer aan haar emancipatie hoeft te doen, maar omdat ook onze tijd geteisterd wordt door vrouwen, die hun vrouw-zijn als een vorm van slavernij ervaren, die geweldig aan hun ketenen rammelen en daardoor hun slavernij alleen maar des te duidelijker demonstreren, vind ik Paulus' woorden zeer actueel, actueler dan wanneer je ze beperkt en vervormt tot een verbod van ambtsbediening door vrouwen. Zoals de man zijn man-zijn als Gods goede schepping mag ervaren, zo mag ook de vrouw haar vrouw-zijn als Gods goede schepping ervaren. Zo kunnen mannen en vrouwen elkaars bondgenoten zijn, ook in de bediening van de ambten, en in de ambtelijke vergaderingen. De vrouw niet als bewonderde godin, en dan plotseling weer als verachte slavin, maar man én vrouw als elkaars bondgenoten, dat lijkt mij het bijbelse grondpatroon, en daarom ben ik op Schriftuurlijke gronden voor vrouwelijke ambtsdragers. Het is voor mij geen kwestie van de hand lichten met Paulus' brieven, maar van een recht verstaan van de hele Bijbel.

Ik ben van harte met je eens, dat wij theocratisch moeten denken en handelen, al kan dat mijns inziens ook buiten de confessionele partijen om, maar het zou te ver voeren om daar dieper op in te gaan.

Een enkel woord nog over de rechten van de mens. Je hebt helemaal gelijk, wanneer je zegt, dat de rechten van de mens verwilderen wanneer we ze losmaken van Gods recht op het gehele leven en wanneer je zegt, dat wij tegenover God 'rechteloze mensen' zijn. Ik wil me dat graag nog eens door je laten zeggen. Maar ik zeg erbij: anneer God recht doet over de zondaar, verleent Hij diezelfde zondaar uit genade het recht om er te zijn, en dat recht wil Hij aan alle mensen verlenen (1 Tim. 2:4).

Bij de rechten van de mens denk ik in de eerste plaats aan de verklaring over die rechten van 1948. Deze verklaring wil al die mensen, die God op het oog heeft, beschermen tegen tyrannic, uitbuiting en gebrek. Daar weet die verklaring krachtens haar praeambule zelf niets van, maar ze doet het in feite wel. ik lees bij voorbeeld in artikel 5: 'Niemand zal onderworpen worden aan folteringen, noch aan een wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.'

Ik vind het zo diep beschamend, dat de kerk, die eeuwenlang de Bijbel heeft gelezen, nooit met een theocratische verklaring van de rechten van de mens voor de dag is gekomen en als dan de wereld voor de dag komt met een verklaring, die nog duidelijk de sporen van de Franse Revolutie draagt, moeten wij daar onze christelijke neuzen niet voor ophalen. Als ik dan verder zie hoe Amnesty International bekwaam en hardnekkig opkomt voor mensen, die om hun overtuiging gevangen zitten en als ik dat dan vergelijk met het nummertje koek hakken, dat wij in de kerk van de Staatkundig Gereformeerde Partij tot en met de christenen voor het socialisme vaak weggeven, als we aan politiek gaan doen, dan vind ik ook dat diep beschamend. Een niet-kerkelijke organisatie als Amnesty International heeft iets van de stenen, waaruit God ook nog eens een keer Abrahams kinderen kan verwekken.

Ik ga niet meer in op de kwestie van de psalmen en gezangen en op die van de bond als kerk in de kerk, al heb ik er goede nota van genomen dat de bond geen commissie voor het beroepingswerk heeft. Mijn tweede brief zou veel te lang worden als ik op dit alles ook nog eens in zou gaan.

In deze tweede brief heb ik geprobeerd tot de kern van de zaak door te stoten, de wijze waarop wij God verstaan. Je hebt natuurlijk gelijk wanneer je zegt, dat wie het eerst schrijft het voordeel heeft, dat hij de lijnen voor de discussie aangeeft. Daar staat natuurlijk wel tegenover dat wie als tweede schrijft, het voordeel van het laatste woord heeft. Dat is je bij deze van harte gegund. Niet zonder enige spanning wacht ik je antwoord af: vergis ik mij, als ik denk dat er tussen ons een verschil is in de wijze, waarop wij God verstaan ?

A. A. Spijkerboer

Beste Spijkerboer,

In je tweede brief maak je het mij niet gemakkelijk. Ik moet zeggen, dat je wel met een forse vraag inzet als je je afvraagt of de wijze, waarop wij beiden God verstaan, niet verschillend is. Ik vind het nog al een delicate zaak om over ons verstaan van God te spreken. Doorslaggevend is immers niet hoe wij God verstaan maar hoe God zichzelf geopenbaard heeft. Samen zullen we het erover eens zijn, dat God zich aan ons openbaart in Zijn Woord. Is het nu mogelijk, dat christenen, die zich door Woord en Geest willen laten leiden, God verschil­lend verstaan, dat God zich dus middels Zijn Woord verschillend aan hen openbaart ? Of anders gezegd: openbaart de Geest, die zelf God is, aan mensen op verschillende wijzen Wie God is ? Peil je mijn moeite ? Toch stel je de vraag. En de vraag stellen is — weliswaar mijnerzijds — deze beantwoorden. Nu is ongeveer vijftien jaar geleden, toen ds. G. Boer en prof. dr. H. Berkhof in Woord en Dienst ook een gedachtenwisseling hadden over de Gereformeerde Bond, deze vraag ook ter tafel geweest. Ds. Boer zei toen, dat wij door de Reformatoren waren heengekropen en met hen (met name met Luther) de vraag kenden: hoe krijg ik een genadig God ? Dat maakt de geloofsworsteling van een mens uit. Prof. Berkhof zei toen, dat hij en zijn geestverwanten ook door de existentialisten, door mensen als Pascal, Kierkegaard e.a. waren heengegaan en dat vooral de vraag van het Godsbestan an-sich (is er wel een God) voor hen een existentiële vraag was. Die kant ga jij niet op, want jij knoopt nu juist bij Luther aan en je komt met de alweer forse vraag of de Reformatie er wel gekomen zou zijn als Luther de Bijbel als een Bonder had gelezen. Nu wordt het voor mij wel dubbel moeilijk.

Mag ik dan inhaken bij je opmerking dat juist in kringen, die trouw willen zijn aan de Reformatie, het geloof als een werk wordt opgevat ? Ik meen, dat dat een fundamentele misvatting is. Het geloof is geschonken goed. Dat belijden wij met de Reformatie. Er is genade voor nodig om genade aan te nemen. Mensen spreken soms over zwaren en lichten, waarbij de bonders dan onder de eerste categorie vallen. Maar géén prediking is zo zwaar dan daar waar de mensen zelf moeten geloven en zelf aan het werk worden gezet. En nergens is de prediking zo licht dan daar waar gezegd wordt, dat we zelf geen 'nagelschrap' aan onze zaligheid kunnen toedoen en we alleen van genade, van het werk van een Ander moeten en mogen leven.

Het zich echter geheel en alleen verlaten op die Ander, Jezus Christus, wordt niet in één dag geleerd. Dan moet er in het leven eerst heel wat worden gesnoeid. Maar dan is het éénzijdige van de genade juist datgene wat-mét-Luther-als-bevrijding wordt ervaren. Hoe is het met Luther begonnen ? Werken voor zijn behoud, tot het beklimmen van de Pilatustrap toe. En toen kwam de bevrijdende ontdekking, dat Gods gerechtigheid geen eisende maar een geschonken gerechtigheid in Christus is. Toen was het — zegt Luther — alsof de deuren van het paradijs voor mij opengingen. Vraag je nu naar mijn of ons verstaan van God, dan ligt dat met name ook hierin: wij dan wetende de schrik des Heeren bewegen de mensen tot het geloof. God eist volkomen gerechtigheid en ik ben een schuldige. Dat doet vragen naar een genadige God en doet pas rusten als ik met Luther de existentiële ontdekking mag doen van de in Christus geschonken gerechtigheid. Misschien zeg jij: zo zie ik het ook. Maar zie je dit ook als een doorleefde, als een bevindelijke zaak ? Als je namelijk zegt of althans suggereert dat, (misschien) bij ons het geloof als een werk wordt opgevat en je koppelt daaraan de innerlijke beleving, dan doorzie ik niet wat je daarmee bedoelt. Want schuld en genade, oordeel en vrijspraak zijn toch ook zaken van doorleving ? Dan zeg ik, met Kohlbrugge en de Reformatoren, dat we van de bevinding geen grond mogen maken. Maar ook dat komen we, bevindelijk aan de weet.

Weet je, er is een prediking, die wel spreekt over de geschonken gerechtigheid, maar die zwijgt over de innerlijke doorleving daarvan. De ontdekking van Luther wordt als een stand van zaken aan de gemeente meegedeeld en de gemeente wordt voor gelovige gemeente gehouden. Is dit niet het fundamentele van de reformatorische prediking, dat ook binnen de gemeente de oproep tot geloof en bekering gehoord moet worden omdat de persoonlijke toeëigening door de Heilige Geest van het heil in Christus nodig is. Het automatisme van: verbondsgemeente en dus gelovige gemeente, gedoopt en dus behouden, is voor ons wezensvreemd aan de Lutherontdekking. Waarbij natuurlijk volledig blijft staan, dat God in het Verbond alles toezegt, welmenend toezegt om ten volle in het heil te delen. Maar dat gaat langs de weg van wedergeboorte en bekering.

Als jij dan spreekt van het geloof als een werk, dan wil ik je in herinnering brengen, dat het een typisch bevindelijke uitdrukking is als gezegd wordt 'met al ons werken aan een eind komen'. Maar daar ligt dan ook tevens de bevrijdende ontdekking van de geschonken gerechtigheid.

Belijdenisgeschriften

Waarom wij intussen zo hechten aan de Reformatorische belijdenisgeschriften ? Omdat we daarin deze religie verwoord vinden van genade voor goddelozen en dan in trinitarisch verband. Is die belijdenis voor ons nu een papieren paus ? Is er alles mee gezegd ? Niet alles, maar wel in principe alles, namelijk in die zin dat het principe van onze religie daarin is verwoord. Wij geloven, dat er in datgene, wat nodig is om getroost te leven en zalig te sterven door de eeuwen heen geen ontwikkeling is maar dat dit voor alle tijden gelijk is. Met de kerk van alle tijden en alle plaatsen belijden we immers. Zo, zoals onze vaderen geloofden, zo geloven wij ook. Dat we nu vier eeuwen na de Reformatie leven is voor de verhouding tussen God en mens niet van beslissende betekenis, wél dat we leven na Kruis en Opstanding van onze Heere Jezus Christus.

We beseffen bepaald wel, dat de belijdenis de Schrift niet is. En verder ook dat ter sprake kan en moet zijn van voortgang in het belijden. Maar die voortgang in het belijden zien we dan graag in continuïteit met de belijdenis van de Reformatie, die helaas in onze kerk maar al l te vaak slapend bezit is geworden, het­geen onherroepelijk leidt tot vergeten be­zit, bestreden bezit en geëlimineerd be­zit met verlies van het geloof dat naar die belijdenis is.

Nu zeg je zelf dat er na de Reformatie niet meer zo'n uitbarsting van het Evangelie heeft plaatsgevonden. Dat is de reden dat wij nieuwe proeven, die aangeboden werden, vaak meer als maakwerk : dan als echt actueel en nieuw belijden hebben ervaren. Mocht er echter zo'n nieuwe uitbarsting komen — met bijvoorbeeld Israël in het belijden — dan hoop ik van harte dat we present zijn. Ik hoop dat echter voor de hele kerk. Want het absent zijn is natuurlijk wederkerig, al naar gelang de stukken die in de kerk aangeboden worden. Herinner jij je nog ; hoe de kerk het Getuigenis heeft ontvangen ?

Wat de Barmer Thesen betreft kun je gerust zijn. Eén en andermaal heb ik — en ik niet alleen — gewezen op het grote belang van deze thesen in de strijd tegen de demonie van het Derde Rijk. Dat dit geschrift actueel blijft onderschrijf ik gaarne. Dat Barmen echter niet hét belijdenisgeschrift voor deze tijd kan zijn is duidelijk als we bedenken, dat het in een toegespitste situatie ontstond en aan één aspect slechts aandacht besteedde: de heerschappij van Christus, dwars tegen de opkomende demonieën in. Er is echter veel meer te belijden. De klassieke belijdenisgeschriften geven veel meer. Ze geven ons de orde des heils, ze geven ons de leer van de kerk, zoals die door de eeuwen heen van unieke betekenis is geweest. Zolang deze confessie niet is verbeterd in een nieuwe uitbarsting van het Evangelie houden wij ons maar graag ; aan deze spreekregel van de kerk.

Woord en Geest

Ik kom ten slotte nog één keer terug op je vraag inzake het verstaan van God. Als er een verschillend verstaan van God is, dan is dit door een verschillend ver­staan van het Woord en misschien ook ; van de verhouding van Woord en Geest. Nergens anders horen we immers God spreken dan in Zijn Woord ? Horen we ; die stem verschillend ? Ik zou zeggen ja, met name als ik opnieuw je beschouwingen over de vrouw in het ambt lees (je interpreteert namelijk vanuit de situatie). Toch zeggen jij en ik beiden, dat we bij het Woord willen blijven. Toen de beslissing inzake de toelating van de vrouw tot de ambten was genomen, vroegen de visitatoren-generaal in een brief aan de kerkeraden om de gevoelens van de bezwaarden te ontzien en merkten zij ter adstructie op, dat wederzijds met grote ernst vanuit een eerlijk verstaan van het Woord was gesproken. Ik voor mij kan moeilijk zien dat eerlijk verstaan van het Woord bij het licht van de Heilige Geest tot zo diametraal tegengestelde visies kan leiden. Maar als dit dan toch zó ligt, dan is er wel alle reden om hier in het kerkeiijk verkeer voorzichtig te handelen.

Hierboven noemde ik ook de verhouding van Woord en Geest. Zeg ik te veel als ik beweer dat jij er minder moeite mee hebt dan ik om de Geest concreet buiten het Woord bezig te zien, zoals in het geval van de strijd om mensenrechten vanuit de geest van de Franse Revolutie. Ik ben voorzichtig om seculaire verschijnselen voor de Geest te annexeren. Ik besef zeer wel, dat er buiten de kerk humanitaire bewegingen zijn, waaraan christenen om zo te zeggen een puntje kunnen zuigen. En toch, de ware menselijkheid is alleen goed verankerd in de rechtvaardiging door het geloof, als mensen recht op hun voeten worden gesteld en er inderdaad zijn mogen. Zonder het geloof — zegt de Bijbel — is het onmogelijk God te behagen. Maar inmiddels vraagt het geloof om heiliging van het totale leven, dus ook om de ware humaniteit en de strijd daarvoor.

Ik ben je intussen dankbaar dat je de discussie op het vlak hebt gebracht waar je deze met je tweede brief hebt gebracht. Het gaat hier om de meest wezenlijke zaken. In de beantwoording van je brieven lag voor mij een stuk vreugde, terwijl er door alle verschillen heen ook — ik hoop wederzijdse — betrokkenheid op de zaken van Gods Koninkrijk voelbaar was.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De plaats van de Geref. Bond in de Ned. Hervormde Kerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's