De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De christen en de staat in revolutionaire tijden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De christen en de staat in revolutionaire tijden

Westminster conferentie 1975

9 minuten leestijd

Londen

Op 16 en 17 december werd in Londen de jaarlijkse Westminster Conferentie gehouden. Deze conferentie, waaraan theologen en kerkewerkers uit allerlei denominaties van gereformeerde signatuur deelnemen, staan onder de inspirerende leiding van Dr. D. Martin Lloyds Jones. Deze inmiddels bejaarde emeritus-predikant — in genoemde kringen bekend als de 'doctor' — blijkt nog steeds in woord en geschrift een grote autoriteit te bezitten.

Het was in 'zijn' Westminster Chapel, in de historische omgeving van het Buckingham paleis, de parlementsgebouwen en de Westminster Abbey, dat ongeveer 200 conferentie-gangers zich zetten aan de studie over de houding van de christen tegenover de staat in revolutionaire tijden.

Dit gebeurde aan de hand van referaten over: Luther en Calvijn, 'De Wederdopers', 'De Covenanters', 'De zeventiendeeeuwse Puriteinen', 'Christelijke denken en handelen tijdens de Amerikaanse revolutie', en 'De Franse revolutie en daarna'. Van ieder der anderhalf uur durende lezing willen we een beknopte samenvatting geven, uitgezonderd van de laatste, omdat tijdgebrek ons verhinderde langer aanwezig te zijn.

Luther en Calvijn

Ds. Graham S. Harrison uit Newport behandelde uitvoerig de visie van resp. Luther en Calvijn t.a.v. de overheden in hun tijd.

De overheid gold voor Luther als een genade-gave van God. Eigenlijk moest ze niet nodig zijn in de goede schepping Gods, maar de zondeval maakt haar noodzakelijk. Daarom is het niet minder dan genade, dat God door de overheid de ongebondenheid der mensen wil bedwingen.

Daaruit volgt dat de christen de overheid dient te gehoorzamen. Met deze exceptie, dat de christen tegenstand mag bieden als het ware geloof wordt onderdrukt. Deze tegenstand is dan echter beslist geen actieve, maar een passieve. Dan geldt, dat niet met het zwaard, maar alleen met het Woord van God de strijd moet worden gestreden.

Overal waar dat noodzakelijk is, dient de overheid in te grijpen, zowel op kerkelijk gebied — wanneer het althans zaken betreft, die de wereldlijke overheid aangaan — als op wereldlijk gebied.

Daarbij staat de overheid niet boven de kerk, evenmin als de kerk boven de overheid staat. Maar samen met de kerk dient de overheid de christenheid te regeren. Luther noemde de overheden op grond van de Schrift 'goden'. Maar bedenk, zegt Luther, dat God zegt: 'Gij zijt goden door Mijn Wóórd, géén zelfgemaakte goden'.

De overheid staat dus bij Luther hoog genoteerd. Dat neemt niet weg, dat hij de taken van de overheid en de kerk streng scheidt, en zelfs volledig scheidt. En zo komt Luther dan tot zijn befaamde tweerijken leer.

Door het Woord regeert God de christenheid en door de overheid regeert God de wereld. Christus is koning in het rijk van God, en niet de keizer.

De vorst wederstaan is God wederstaan. Maar als die vosrt de grens (van het rijk van God) overschrijdt, gaat hij buiten zijn boekje. In dit geval zou Luther de keizer ongehoorzaam zijn. Dit is voor hem praktijk geworden op de rijksdag te Worms ('Hier sta ik, ik kan niet anders'). Het rijk van de wereld mocht op generlei wijze infiltreren in het rijk van God. En op geen enkele wijze mocht de verkondiging van het Evangelie vermengd worden met wereldse zaken.

Dat betekent voor Luther allerminst tijdloos preken! Duchtig heeft hij zich geroerd in woord en geschrift t.a.v. de sociale wantoestanden onder de agrarische bevolking.

Alleen, hij wenste niet voorop te gaan in het concretiseren van zijn denkbeelden op het sociale en economische vlak. Dat was de taak van de landheren en de vorsten! Luther's taak was het om te preken... hij bleef theoloog! Naar ^ijn mening zouden de sociale problemen vanzelf op de juiste wijze worden opgelost, als het Woord maar op de juiste wijze werd gepreekt.

Velen, toen en nu, vonden en vinden Luther in deze inconsequent.

Karlstadt, en vooral Thomas Münzer wensten wél de daad bij het woord te voegen. En wel op revolutionaire wijze! Luther wilde daar niets van weten. Zijn sympathie ging uit naar de boeren, die onder erbarmelijke omstandigheden leefden. Op niets en niemand ontziende wijze heeft hij de landvorsten op hun plicht en taak gewezen. Maar verder ging hij beslist niet!

Toen de opstand van de boeren uitbrak in 1525 gevoelde hij diep medelijden met hen. Maar toen het toenemend fanatisme alle bemiddeling onmogelijk maakte, en de ergste gruwelen werden gepleegd, maande Luther zelf de vorsten tot krachtig ingrijpen. De boeren dienden nu door de overheid gestraft te worden. Luther hanteerde slechts één maatstaf, n.l. Gods Woord!

En met deze maatstaf werden zowel boeren als vorsten gemeten.

Het neerslaan van de revolutie was, gezien vanuit het Woord Gods, een rechtvaardige straf voor de boeren. Maar daarbij waren de vorsten nog niet vrij te pleiten.

Sociale veranderingen moesten zich, volgens Luther, voltrekken in een organische groei onder de beademing van het Woord Gods. En allerminst revolutionair.

Voor Calvijn liggen de zaken ietwat anders. Ook voor hem wordt de wereld behoed tegen de chaos door het werk van de overheid. Alszodanig zijn de overheden de vertegenwoordigers van God op aarde. Maar dan begint Calvijn al snel te accentueren, dat de Heere de Koning der koningen is.

Niet alleen de kerk (bij Luther het rijk Gods), maar heel de geschapenheid is de ruimte, waarbinnen het Koningschap Gods gelden zal.

Dat Koningschap van God wordt gerealiseerd door het Woord Gods.

Aan deze Godsregering is zowel de overheid als de kerk onderworpen.

Dit Koningschap van God, waaraan de overheid onderworpen is, wordt uitgeroepen door de kerk. Duidelijk krijgt de kerk hier een zekere prioriteit.

Nooit mag de overheid heersen over de kerk. Wat ze wél heeft te doen, is te zor­ gen dat de Wet Gods gehoorzaamd wordt in het publieke leven.

En wat de overheid bovendien heeft te doen, dat is de kerk en de dienst van de ware God beschermen!

Vanzelf staat de kerk niet boven de overheid, want de overheid is Gods dienares. Maar wanneer ze dat niet is in praxis — en dat beoordeelt de kerk — dan komen de zaken anders te staan. Dan is opstand gerechtvaardigd! Immers: Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan de mensen' (Hand. 5 : 29). Wanneer dan de overheid de voortgang van het Woord Gods tegenwerkt, zoals in Frankrijk, dan is verzet tegen die overheid geoorloofd.

Dit beginsel is dan ook gepraktiseerd in de strijd der Hugenoten.

En Calvijn heeft dit aangemoedigd, hoewel aanvankelijk aarzelend.

Tenslotte heeft Calvijn wél deze restrictie aangebracht, dat dan het verzet geleid zou worden vanuit de aristocratie.

Of Calvijn de vader van de democratie moet worden genoemd, is niet duidelijk. In de praktijk althans stond hij een mengvorm voor van aristocratie en democratie.

Omverwerping van de burgerlijke orde is opstand tegen God. De Wederdopers dienden dan ook genadeloos door de overheid te worden gestraft.

Maar als de overheid de Godsregering duidelijk weerstaat, dient deze overheid te worden gecorrigeerd of te verdwijnen. In dit geval is de opstand tegen de overheid een wettige zaak!

En de kerk zal in deze alleen inspirerend optreden door middel van de prediking, maar ook leidend en handelend!

Het verschil met Luther is — aldus Rev. Harrison — dat Luther op God ziet en wacht om veranderingen te weeg te brengen, terwijl Calvijn wijst op de christenplicht om het tegen de overheid op te nemen, als Gods Woord dit zegt.

De Anabaptisten

De tweede lezing werd gehouden door een Amerikaanse Mennoniet Dr. Alan F. Kreider die uitvoerig inging op de denkbeelden van de mannen van de linkervleugel van de Reformatie, wel genoemd de Radicale Reformatie.

Alle nadruk legde Kreider op het bewegings-karakter van het Doperdom. De Wederdopers kenmerkten zich daardoor dat ze vertrouwden de structuur van het apostolisch christendom in het Nieuwe Testament te kunnen reconstrueren. Ze braken radicaal met de oude Middeleeuwse conceptie van een corpus christianum.

Immers de kerken lieten zich veel te veel gelegen liggen aan de wereldlijke overheid. De ware gemeenschap der gelovigen diende zich van alle remmende factoren van de wereld, en dus van de overheid, te ontdoen. Want in de tijd na Constantijn de Grote heeft de kerk haar profetische allure verloren. Het gaat nu nog om een rest, een 'overblijfsel', en dat zijn zij, die zich laten dopen op belijdenis van hun geloof.

Voor de staat hebben ze geen goed woord, en verwachten van haar ook geen goed woord.

De staat bestaat voor hen niet meer, althans niet als een ordening van God. Hun inspiratie in deze ontlenen ze voornamelijk aan de Bergrede.

Ze weigeren een eed af te leggen, een ambt te bekleden of in krijgsdienst te gaan. Hun ideaal is een introverte gemeenschap van geheiligden, vol van de Heilige Geest. Deze geladenheid kan een enkele keer uitslaan naar buiten, als Jan van Leiden in Munster gewelddadig het Nieuwe Jerusalem wil gaan stichten.

Maar dit is, aldus Kreider, geen echte exponent van het Anabaptisme. Veel meer is dat Melchior Hoffmann, die de spoedige wederkomst van Christus verwachtte, waarbij het Duizendjarig Rijk gesticht zou worden.

Christus zou dan een strafgericht over de vijanden houden. Tot zolang moest iedere revolutionaire daad worden vermeden. Met grote instemming citeerde Kreider de Nederlandse Menno Simonsz. van Witniarsum, de leider van de geweldloze Dopersen.

Geduldig verdroegen ze alle onrecht, door de overheid hun aangedaan. Als er in de tijd van de Reformatie geleden is, dan is dat door de Wederdopers geweest, aldus Kreider. In vrijwel alle landen zijn ze door de overheden vervolgd.

Hun enthousiasme was de draagkracht van hun lijdzaamheid. God zou op deze wijze Zijn Rijk op aarde oprichten. En dat alleen was belangrijk!

De staat, de overheid en de wereld (als een door de overheid gesstructureerde) waren totaal ongeschikt om de komst van het Rijk Gods te bevorderen.

Ze werden door de Dopers afgeschreven en genegeerd op een ietwat hautaine wijze. Revolutionair tegengestaan werd de overheid niet. God zou wel met haar afrekenen.

De Wederdopers bestaan nog, aldus Kreider, ze hebben o.a. hun voortzetting in de Russische Initiatief-Baptisten. De grootvader van de Baptisten-leider George Vins was een Mennoniet.

De Schotse Free Church ds. Ian Murray uit Edinburgh bestreed Kreider fel, door er op te wijzen, dat Calvijns grootste bezwaar tegen de Dopersen was hun selectieve lezing van de H. Schrift (vnml. N.T.), en hun verwerping van de uitverkiezing .

Dit is de diepste oorzaak geweest, dat ze het zicht kwijt raakten op de wereld, de staat en de overheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De christen en de staat in revolutionaire tijden

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's