Uit de pers
Tegen de samenwerkingsschool
Onlangs gaven we in deze rubriek het woord aan drs. v. Leyenhorst inzake zijn zorgen over de ministeriële onderwijsplannen. Dit keer willen we terugkomen op de schoolkwestie. In het Geref. Weekblad (Kok, Kampen) heeft drs. T. M. Gilhuis, voor velen geen onbekende, een drietal artikelen gepubliceerd over een discussienota van de Hervormde raad voor de zaken van kerk en school. Deze discussienota voert nogal een pleidooi voor de samenwerkingsschool, een schooltype dus waar niet één levensbeschouwing de grondslag is, maar een school, waarin christenen (Prot. en R.K.) en humanisten zo samenwerken dat per definitie ieders levensbeschouwing er nadrukkelijk wordt gehoord en beleden, en ieders levensbeschouwing ook vertegenwoorddigd is. De Nota wordt door Gilhuis ondoordacht, onzorgvuldig en eenzijdig genoemd. In het derde artikel formuleert Gilhuis nogmaals zijn bezwaren ^tegen deze samenwerkingsschool die op de duur immers wel moet leiden tot een openbare school. Wie hierover verder geinformeerd wil worden verwijs ik naar het Cahier dat Gilhuis in 1972 over deze materie publiceerde, een uitstekend en helder geschreven boekje. Maar omdat niet iedereen dit boekje bij de hand zal hebben geef ik u hier het slot van het derde artikel door (uit het nummer van het GW van 30 januari) :
Tenslotte, nog eens met betrekking tot de samenwerkingsschhool de vraag vóór of tegen ?
Ik sta nog steeds op het standpunt dat ik in '72 in mijn Cahier over deze materie innam. Tégen. Uiteraard opnieuw zonder ook maar iemand in zijn democratische rechten te willen beknotten.
Destijds noemde ik drie gronden om dit 'tégen' te funderen. Ik herhaal ze, maar voeg er nu — gezien de praktijk van de samenwerkingsscholen — een vierde aan toe.
Een school waarbinnen christenen èn humanisten integraal samenwerken dient — op pedagogische, principiële en op gronden aan de vrijheid van onderwijs ontleend — zonder meer te worden afgewezen:
1. Op pedagogische gronden: een kind op weg naar de volwassenheid te konfronteren tegelijk met verschillende levensbeschouwingen zoals dat in een pluriforme samenleving onder volwaassenen regelmatig voorkomt, is onverantwoord. Zo'n konfrontatie komt te vroeg en zal de leerling eerder in verwarring brengen dan het hem verstevigt in de aanvankelijk van huis uit meegekregen levensovertuiging.
2. Om principiële redenen: de eigen inbreng van christenen wordt in zo'n school alleen dan aanvaard als ze geschiedt onder de noemer van de 'algemeenheid', d.w.z. als een déél van het totale mozaïek, dat zo'n school hier in levensbeschouwelijk opzicht tonen wil. Voor voorstanders van christelijk onderwijs die weet hebben van het unieke en universele karakter van het evangelie is zo'n voorwaarde onaanvaardbaar.
3. Ook terwille van de verkregen vrijheid van onderwijs: vrijwel altijd is de invloed van de overheid in 'n samenwerkingsschool méér dan die van de andere partner(s). Daarom dient deze overschrijding van grenzen te worden teruggedrongen terwille van de vrijheid van onderwijs.
4. Op practische gronden: In de praktijk blijkt dat de bij de samenwerkingsscholen bedoelde intensievere activering van het eigen levensbeschouwelijk milieu ten behoeve van de leerlingen twijfelachtig is. Voorts blijkt bij sommige samenwerkingsscholen het statutair gepretendeerde levensbeschouwelijk aspect na 3 of 4 jaar praktijk nog steeds niet tot enig bevredigend resultaat geleid te hebben. In het onderwijsproces heeft nog nauwelijks iets daarvan methodisch en didactisch gestalte gekregen. Het is nog een zoeken en tasten (F. W. M. v. d. Ven) 'De onderwijspacificatie in het geding en het taboe van de Heren De Bruin, Van Ooyen en Van Praag' in 'Socialisme en Democratie', nov./dec. '75, jaarg, nr. 32, nummer 11/12, blz. 561).
Wat voor mijn besef hier de deur dicht doet is de visie van de rector van de eerste 'samenwerkingsschool' in den lande, de Open Scholengemeenschap-Bijlmermeer (die al draait vanaf 1971): 'Daarom geloof ik ook niet in een samenwerkingsschool die slechts een grootste gemene deler is van drie levensbeschouwingen. Dat kan niet. Een samenwerkingsschool, zoals de onze, is alleen mogelijk als uit die samenwerking een eigen identiteit voorkomt'. (Ir. G. L. Pieterse in 'Trouw' van 13 sept. '75, blz. 17).
Of om het nog eenmaal in eigen woorden te zeggen: Ik begrijp niet hoe mensen kunnen geloven in een school (waarbinnen een onderwijsdoel moet worden geformuleerd) die van elkaar uitsluitende levensbeschouwingen tegelijk uitgaat.
En wat de Nota zélf aan gaat moet tenslotte helaas geconcludeerd worden dat ze door de ondoordachte opzet, de onzorgvuldige formulering en de eenzijdige strekking noch de voorstanders, noch de tegenstanders en wat meer is, noch de Hervormde Kerk zélf een dienst heeft bewezen.
Je vraagt je af: Krijgen we in de toekomst in ons land opnieuw een schoolstrijd ? De problemen zijn niet eenvoudig. Niet alleen zijn er van buitenaf allerlei aanvallen, maar het grootste gevaar kon wel eens zijn een inzake het onderwijs verdeelde christenheid. En dan zwijg ik nog over de kwestie school en politieke voorlichting die ook de gemoederen nogal verdeeld houdt. In elk geval: Ieder die de zaak van het christelijk onderwijs ter harte gaat zal hebben mee te denken, en waar nodig, ook op zijn post moeten zijn. .
De eenheid van de Heilige Schrift
In het Hervormd Weekblad bespreekt drs. G. de Ru een protestants-r.k. verzamelwerk 'Nieuwe woorden over God, wereld en kerk'. In het nummer van 29 jan. komt het vraagstuk van de eenheid van de Schrift ter sprake. Onder invloed van het historisch-kritisch bijbelonderzoek is men er immers toe gekomen binnen de canon een verscheidenheid van tradities, theologieën en accenten te onderscheiden. Let wel: innen de ene canon ! De ene onderzoeker gaat hierin verder dan de andere. Nu zal het elke bijbellezer wel opvallen dat er binnen het geheel van de Schrift accenten zijn. Denk b.v. aan de wijze waarop Paulus in Rom. 4 Genesis 15:6 aanhaalt en de wijze waarop dat geschiedt in Jacobus 2. Maar juist als men die accenten in de uitleg honoreert, komt de vraag op: oe is het gesteld met de eenheid ? De Schrift is immers maar niet een discussiestuk van een aantal elkaar weersprekende getuigen, de neerslag van hun ervaringen, maar is de boodschap van de openbaring Gods, en de Heere heeft bij de teboekstelling van zijn geopenbaarde Woord gebruik gemaakt van mensen.
U begrijpt: In heel dit vraagstuk van eenheid en verscheidenheid komt de Schriftbeschouwing om de hoek kijken. De visie welke men heeft op de Bijbel spreekt ook mee, als het gaat over de vraag: Hoe waardeert en taxeert men de verschillende accenten die zich laten horen. Gaat men uit van de eenheid? Of gaat men bij voorbaat uit van de mogelijkheid dat binnen de ene canon de getuigen elkaar weerspreken ? Dan ontkomt men er niet aan om een zgn. canon aan te brengen. De ene tekst heeft dan meer gezag dan de andere.
De lezer denke niet dat dit slechts academische vragen zijn. In de discussie rondom de dogmatiek van Berkhof b.v. spelen deze vragen gedurig mee.
Nu grijpt dr. De Ru in zijn bespreking van het bovengenoemde boek deze bespreking aan om nog wat nader in te gaan op de discussie tussen Berkhof en hem inzake de Christusprediking van het Nieuwe Testament. Dr. De Ru had in zijn kritiek op Berkhof sterke nadruk gelegd op de eenheid van de Christusprediking: et gaat steeds om dezelfde Christus, waarachtig God en waarachtig mens. En ten aanzien van teksten als Joh. 10 : 30 en Joh. 14 : 28 spreekt De Ru dan van schijnbare tegenstellingen. Berkhof heeft in zijn antwoord De Ru verweten dat zijn betoog beneden zijn wetenschappelijke stand is en angstig dicht bij knutselwerk met teksten'. Hij schrijft — u kunt het lezen in het laatst verschenen nummer van Kerk en Theologie 'Eerst wordt Johannes als vanzelfsprekend vanuit Nicea uitgelegd. Vervolgens wordt Paulus vanuit een aldus geïnterpreteerde Johannes uitgelegd. En last not least worden ook synoptische evangeliën in dit keurslijf gedrongen'.
Berkhof meent dat De Ru's conclusies geen resultaat van het lezen der Schrift zijn(wat de Duitsers noemen 'Lesefrucht') maar van te voren vaststaande principes ('Leseprinzip'). '
De Ru meent dat Berkhof van zijn visie een karikatuur maakt en hij schrijft:
Inderdaad is bij mij de fundamentele eenheid der Schrift 'Leseprinzip', ongeacht de verschillende bronnen, de diverse tradities en traditielagen, de ver uiteenlopende dateringen, de aard en de bedoeling daar en tóen van de auteurs en de eventuele redacteuren. Bij alle verschil in de weergave van de gebeurtenissen, de accenten en de nuances in de formuleringen leggen de nieuw-testametische schrijvers éénzelfde getuigenis omtrent Jezus Christus, de Zoon, die niet aan de kant van het geschapene staat, maar die in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof (een krampachtig te bewaren goed) heeft beschouwd, naar Zichzelf heeft ontledigd, de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen en de mensen gelijk geworden is (Phil. 2:6-7). Ook al analyseert men eerst zorgvuldig zes nieuwtestamentische tradities (zoals Prof. G. Sevenster in zijn De Christologie van het Nieuwe Testament, maar waartoe mij in een aan tijd gebonden referaat de gelegenheid ontbrak), dan nóg zal men slechts vanuit het 'Leseprinzip': de eenheid der Heilige Schrift tot waarlijke 'Lesefrucht' komen !
Hans-Joachim Schoeps (hedendaags joods godsdienstfilosoof), schiet precies in de roos als hij, in zijn mooie boek: aulus, over diens opvatting van de wet als de 'wet ten dode' (Rom. 8 : 2-3; Gal. 3:21), terwijl de Thora spreekt over de 'wet ten leven', de opmerking maakt, dat de apostel dit niet uit de wet kan bewijzen, maar alleen uit het geloof aan Jezus, de verschenen Messias: de retrospectieve gedachtengang is de eigenlijke kern van zijn bewijsvoering; niet de mening der Schrift, maar Christus is het Apriori (de voor-onderstelling, het 'Leseprinzip') voor zijn beoordeling van de wet' (p. 183). Inderdaad! Voor de apostel ligt hier echter geen tegenstelling, want voor hem is Christus 'de mening der Schrift'. Van die Christus, het vleesgeworden Woord (de Logos bij God én God), zijn zoendood aan het kruis en zijn overwinning in de opstanding, spreekt de gehele Schrift, of dat nu in een heilshistorisch betoog dan wel in een geloofsgetuigenis van een der evangelisten gebeurt. Alleen vanuit die openbaringseenheid valt er licht op de afzonderlijke getuigenissen.
De Ru gaat ook in op de vraag van Berkhof of hij dan niets heeft willen leren van de na 1950 verschenen vakliteratuur. In dit verband geeft De Ru dan het volgende antwoord:
Nauwkeurige bestudering ervan heeft mij veel geleerd, n.l. dat wij de essentie en de zin van Gods heilshandelen in Christus nimmer 'vatten', als wij met Bultmann de paulinische verkondiging over Jezus als de gekruisigde Heer (het 'krygma') losmaken van de prediking van de historische Jezus zelf als iets totaal anders; als wij met H. Jonas menen, dat in Jezus' verkondiging zijn eigen kruisdood — een verlossing van de zondige mens door sterven en opstanding van een Heiland — eigenlijk helemaal geen plaats heeft, omdat mensen een directe toegang tot God hebben, voorzover zij slechts Zijn roepstem horen en gehoor geven; als wij met Kasemann naar uiterst dubieuze maatstaven een canon in de canon onderscheiden als wij ons door Fuchs met zijn Christus als 'Sprachereignis' laten oproepen om te geloven in ons eigen geloof; als wij met Schillebeeckx en Kuitert ons geloof in de opstanding baseren op de subjectieve geloofservaringen der discipelen na Pasen, waarbij het lege graf geen rol speelt, omdat wij tegenwoordig ons toch echt niet meer kunnen voorstellen, dat graven opengaan en dat een lijk weer levend wordt (mirakelen !); als wij met Pannenberg de christologie plaatsen in het kader van de 'zelfverwerkelijking' van God; als wij met Wiersinga de verzoening door Christus reduceren tot een 'schokeffect' (dus geen staan in het gericht voor God en boeten van de schuld in onze plaats); als wij met Berkhof de 'eeuwige generatie van de Zoon' inruilen voor een nieuwe scheppingsdaad van God: e Mens, de volmaakte verbondspartner Jezus van Nazareth; als vaktheologen (exegeten!) zich nog zo gemakkelijk laten imponeren door de sociaal-ethische beschouwingen van de marxist Ernst Bloch, die in zijn anthropologic de vloek, die ligt over het 'bij zult als God zijn' (Gen. 3:22) heeft weg-gefilosofeerd; wiens 'exodus' als uittocht uit de vermolmde structuren van het maatschappelijk leven (nota bene met een beroep op Hebr. 13 : 13 !) precies het tegenovergestelde is van wat het in de bijbelse verkondiging betekent; wiens utopistische betovering van de op de klank af met elkaar verbonden bijbelse begrippen niets te maken heeft met de zeer reële en realistische eis tot heiliging: xodus, uittocht, zich losmaken uit de ban van het Boze, uit de machtsconcentraties van het demonische, in gehoorzaamheid aan Jezus Christus de Heer (Jes. 52 : 11; H Cor. 6 : 16-17; Openb. 18 : 4).
Het zijn geen gemakkelijke zinnen, maar diegenen onder de lezers die wel eens iets over Kuitert, Wiersinga, Berkhof gelezen hebben zullen begrijpen wat De Ru bedoelt. Kort gezegd komt het toch hier op neer, dat de vakliteratuur na 1950 ons wel vele dingen kan leren (en De Ru heeft dat, gezien zijn publicaties nooit ontkend) maar dat de in zijn artikel genoemden door hun uitgangspunt zichzelf de weg versperren tot een helder zicht op het wezen en de zin van Gods heilshandelen in Christus. Ja, De Ru meent, dat de scheuring van de eenheid van de Schrift ronduit een bedreiging betekent voor de gemeente.
De kwaal, waaraan de Gemeente vandaag op verschrikkelijke wijze lijdt, ligt niet slechts in haar organisatorische versplintering, maar vooral in 'de scheuring van de eenheid van de Schrift! De Bijbel is niet meer het woord, dat de Geest tot de Gemeente richt, maar het is een bundel van boeken met verouderde wereldbeelden, waaraan we pas iets kunnen hebben als het door de raffinaderij van de theologie is heegegaan. Een kind kan het niet meer verstaan. En in die raffinaderij heeft men er een theologie van Paulus, een andere van Johanness, één van Lukas en zowaar ook nog één van Jezus uitgezift. Het krioelt van de auteurs en redacteuren rondom het Schriftgebeuren. En men aanvaardt niet meer dat van al die auteurs en redacteuren de Geest gebruik maakt om Gods Woord duidelijk tot de gemeente te spreken. Dan valt de Schrift uiteen in vele al te menselijke geschriften, die slechts schrijven binnen het al te beperkte verschiet van de menselijke ervaring.
Gods Geest echter tilt de bijbelschrijvers boven zichzelf uit, zodat hun taal bijna barst van Gods openbaring. De auteurs en de redacteuren zijn en blijven medespelers in het concert van de Geest. Alle bijbelse geschriften hebben hun samenhang in het spreken van de levende God. Dat is hun eenvoud in het meervoud. Waar de bereidheid is om zich te storen aan dat een-voudige spreken van God door de Schrift in de Heilige Geest wordt de gespleten gemeenschap, de vervreemding hersteld in zekere zin' (Von Meyenfeldt).
Die bereidheid is dan wel duidelijk 'Leseprinzip'. En slechts vanuit die bereidheid, vanuit dat 'Leseprinzip' kan een mens ten aanzen van de Schrift komen tot waarachtige 'Lesefrucht'. Zulk een 'Leseprinzip' heeft de opgestane Heer zelf aan zijn discipelen gegeven, toen hij zei: O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden om in zijn heerljkheid in te gaan ? En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had' (Luk. 24 : 25-27) en Paulus aan zijn gemeenten, toen hij schreef: Want ik had niet besloten iets te weten onder u, dan Jezus Christus en dien gekruisigd' (1 Cor. 2:2). Het is nu meer dan ooit nodig ernstig te zoeken naar het verband — om slechts, enkele voorbeelden te noemen — tussen het Gethsemane-gebeuren in Matth. 26:36-46, in Joh. 12; 23-32 en in Hebr. 5 : 6-10; tussen de johanneische parakleetpassages (d.i. wat Johannes zegt over de Geest als Trooster, Pleiter) en die over de aanklager voor de troon van God (Job 1 : 6 e.v.; Openb. 12 : 10), die uit de hemel wordt geworpen (Luk. 10 : 18; Openb. 12:7 e.v.) en moet wijken voor de openbare Pleiter, Advocaat, Verdediger, Voorspreker ter rechterhand Gods (Job 16 : 20, Job 33 : 23, Rom. 8 : 26 en 34); tussen Matth. 27:46 en Psalm 22:2; tussen 1 Cor. 10 : 1-4 (de Rots is Christus) en Ex. 14 en 17; tussen Joh. 1 : 1-2, Joh.' 17 : 5, Phil. 2 : 5-8 en 2 Cor. 8 : 9 (de prae-existentie); tussen Jona en Matth. 12:39 e.v. (de opstanding); tussen Gal. 4:21-31 en de oudtestamentische figuren Hagar en Sara. Deze — door Jezus en Paulus zelf vaak letterlijk gelegde — verbanden zijn verrassend. Men zal ze wellicht als onwetenschappelijk 'knutselwerk met teksten' bestempelen: ob, Jona, de Pentatech, Mattheus, Lukas, Johannes, Paulus en de Openbaring van Johannes vertegenwoordigen immers evenzovele totaal verschillende tradities van totaal verschillende oorsprong !
Maar wat heeft oorspronkelijkheid — al was het die der hoogste religieuziteit — te betekenen tegenover de Oorsprong? Is het niet zinvol en het opmerken waard, dat wij al in de Schrift beroep vinden op de Schrift (Abr. Kuyper zei, dat dan de Heilige Geest Zichzelf citeert!), ook als dat niet strookt met onze hermeneutische beginselen en moderne 'verstaansmodellen', die ons maar al te gemakkelijk het zicht op de eenheid der Schrift onmogelijk maken !
Een belangrijk artikel dat boven een boekbespreking uitreikt. Want de vragen die hier gesteld werden keren in de prediking en in de theologische bezinning telkens weer terug.
Het is goed om op de hoogte te zijn en de vele visies te toetsen aan de Schrift zelf. Want die blijft toch voor al ons spreken bron en norm.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's