Het laatste woord?
Welk gezag hebben kerkelijke leeruitspraken ? Deze vraag stelt dr. K. Blei (hervormd predikant te Haarlem) aan de orde in een dezer dagen verschenen boekje 'Het laatste woord ? ' Het gaat daarin om een oud en telkens weer nieuw en actueel probleem: welke waarde hebben synode-uitspraken, belijdenisgeschriften en herderlijke boodschappen etc. Als zodanig is de titel van het boek van dr. Blei goed gevonden: Het laatste woord, maar dan met een vraagteken. Kerkelijke leeruitspraken kunnen nooit het laatste woord zijn. Het Woord is altijd het eerste en het laatste. Dat is ook de lijn, die dr. Blei in zijn boek wil trekken, al is daarmee overigens niet alles gezegd.
Afgrendeling
Om nu maar eerst eens met het slot van dit boek te beginnen, hier grendelt dr. Blei zijn visie duidelijk af naar de kant van prof. dr. H. M. Kuitert, die in zijn boek 'Zonder geloof vaart niemand wel' niet alleen 'zo krachtig mogelijk positie kiest tegenover een christendom, dat nog op enigerlei wijze wil opereren met dogmatische geloofsformules... en met geestelijke dwang', maar die ook zover gaat, dat het christendom eenvoudig een 'godsdienst' is (één van de vele), waarvan hij ook niet kan stellen, dat deze op openbaring op zelfopenbaring van God berust. Elke godsdienst, ook het christendom is het 'waagstuk van menselijk handelen', 'ontwerp van mensen zelf'. Zo is het christendom — aldus Kuitert — 'echo op de verschijning van Jezus, op Zijn woorden, daden, levensloop'. En een waarheid is pas christelijke waarheid als het praktisch wat oplevert, als zij mens of wereld toekomst opent of vrijheid schenkt. Er is buiten het subjectieve veranderlijke spreken over God géén objectieve Openbaring ' van God (m.a.w. God is wat mensen van Hem denken of zeggen).
Blei stelt echter terecht, dat iets toekomst opent en vrijheid schept als het waar is (en niet omgekeerd). Hij vraagt zich ook af of de vrijheid, waarover H. M. Kuitert spreekt wel dezelfde is als die, waarover Paulus spreekt in de Galatenbrief. De waarheid - zo zegt hij ook - komt voort uit Gods Zelfopenbaring. En dan zegt hij: 'De theoloog heeft meer te doen dan te kijken naar het praktische effect. Hij heeft ook en allereerst na te gaan in hoeverre wat zich 'christelijk' noemt geboren is uit een luisteren naar het Woord Gods, de bijbelse boodschap aangaande Jezus Christus. . . .En hij kan dat slechts doen wanneer (naarmate) hij zichzelf en zijn theologische arbeid door dit Woord laat normeren.' En verder — n.a.v. wat Kuitert over 'godsdienst' zegt — 'Behoefte aan heil, aan vrijheid, aan toekomst en zinvolheid, in deze zin: aan 'godsdienst', mogen dan algemeen-menselijk zijn, de behoefte aan dit heil, aan déze vrijheid, in Christus aangeboden, wordt blijkbaar minder gevoeld. 'Vrije godsdienstwinkels' zouden misschien wel veel klandizie krijgen, en er zou van alles 'te halen' zijn. Maar het Evangelie van Jezus Christus laat zich per definitie niet 'over de toonbank' verhandelen. Hier gaat het niet om handelswaar, maar om de oproep tot zelfverloochening en navolging. Genade is niet te koop, ook niet goedkoop. Het Evangelie spreekt niet vanzelf!'
Wat dit alles betreft wil ik zeggen: van harte akkoord. Het Woord heeft het laatste woord (en het eerste). En het is — ik citeer opnieuw — 'de functie, de bedoeling althans van het kerkelijk dogma, de belijdenis enz. om bij dit funderende (het fundament nl. van 1 Cor. 3, v. d. G.) en normerende de wacht te betrekken.'
Leeruitspraken
Toch haast ik me naar het begin en het midden van dit boek, waarin de auteur met name over kerkelijke leeruitspraken handelt. Hij gaat allereerst in op de ontwikkelingen binnen de Rooms-Katholieke Kerk inzake het dogma van de onfeilbaarheid van de paus (een kwestie, die we vanwege de ruimte onbesproken laten). Dr. Blei ziet dan in protestantse kring als tegenhanger van die onfeilbaarheid: het gezag van de belijdenis. De reformatoren mogen dan gezegd hebben , dat het erom gaat, dat de uitspraken en besluiten van concilies (kerkelijke vergaderingen) 'rechtgelovig' zijn, maar zij houden er wel degelijk aan vast, dat bepaalde kerkelijke uitspraken inzake het geloof in een conflictsituatie 'het laatste woord' kunnen zijn'. De kerken van de hervorming hebben wel gesteld 'Alléén de Schrift', maar naast de Schrift zijn toch ook nog de belijdenisgeschriften — opgesteld en aanvaard. Dr. Blei citeert hier (hoewel kritisch) dr. Augustein, die in zijn boekje Kerk en belijdenis stelt, dat eerst de belijdenis naast de Schrift kwam en daarna erboven. De belijdenis wordt — naar de eigen woorden van dr. Blei — . een uittreksel van de Schrift, die wel niet terzijde wordt gelegd maar slechts van tijd tot tijd nog ter hand genomen wordt (hier laat Blei zich door zijn eigen gedachten dunkt me meeslepen naar de karikatuur). Zo kritiseert dr. Blei ook het Getuigenis dat 'met één slag aan de huidige discussies een eind beoogt te maken' en zelf het laatste Woord wilde zijn, omdat de opstellers het beschouwden als 'een actualisering en handhaving van de belijdenis' (ook dit is méér dan de auteur waar kan maken).
Keuze
Waar kiest dr. Blei dan zijn positie ? Theologisch gezien bij Karl Barth, die afrekent met 'elke theologie die uitgaat van de 'vrome' of 'wedergeboren' of 'belijdenisgetrouwe' mens, de mens die de Bijbel in zijn zak meent te hebben en daarmee denkt, zelf de waarheid te moeten (te kunnen) verdedigen.' Hij sluit aan bij Barths these, dat niet Gods Woord aan de Bijbel gebonden is maar de Bijbel aan Gods Woord.
Terzake van de belijdenis grijpt dr. Blei dan terug op de discussies binnen de Hervormde Kerk na de oorlog, toen de Hervormde Kerk besloot te belijden 'in gemeenschap met de belijdenis - der vaderen' in plaats van — zoals vanuit de Gereformeerde Bond werd bepleit — in overeenstemming met de belijdenis der vaderen. Met het kiezen voor 'in gemeenschap', is — aldus de schrijver — enerzijds afgewezen een houding, die de belijdenis der vaderen hoogstens nog pro memorie uittrekt' en-anderzijds een confessionalisme, dat bij 'de belijdenis der vaderen' als bij het einde van alle tegenspraak blijft staan zonder zich te realiseren, dat er telkens opnieuw beleden moet worden (niet: telkens nieuw!, het gaat om dezelfde Jezus Christus, vroeger én nu beleden). Door het kiezen van het woord gemeenschap (wat dr. Blei tot zijn vreugde ook ontdekt in de Proeve van een eenparig geloofsgetuigenis van prof. dr. H. N. Ridderbos en prof. dr. G. C. Berkkouwer binnen de Gereformeerde Kerken) is boven de oude tegenstelling orthodox—vrijzinnig uitgegrepen.
Liever dan binding aan de belijdenis ziet dr. Blei een spreken van de kerk (belijdend spreken) 'in gemeenschap', uitgaande van de overtuiging, dat ons kennen ten dele is, dat de kerk ook in haar belijdend spreken 'volk Gods onderweg' is en dat het spreken van de kerk voorlopig is, nooit het laatste Woord.
Herhaalde discussie
Ik laat veel van dit boek, dat integer en gemotiveerd is geschreven, onbesproken (met name ook t.a.v. de ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken) maar wil besluiten met een aantal opmerkingen en vragen. De discussie over de plaats van de belijdenis is niet nieuw. Ze wordt in onze kerk al zo lang gevoerd, hetgeen overigens ook een bewijs ervan is, dat die, belijdenis — hoe bestreden dan ook — nog geen vergeten bezit is. Het is kennelijk nog altijd een bezit van de kerk waar men zich druk om maakt.
Ik stelde, de zaak is niet nieuw. In de vorige eeuw sprak de synode (voor het eerst in 1841) al over geest en hoofdzaak van de belijdenis. Op de door de synode in 1916 belegde Haagse conferentie (2500 aanwezigen) laaiden de gemoederen hoog op toen de vrijzinnige dr. Niemeyer (voorzitter van de Ver. vóór Vrijzinnig Hervormden) en de orthodoxe ds. M. van Grieken (voorzitter van de Geref. Bond) refereerden over de belijdeniskwestie, één en ander n.a.v. de proponentsformule. In de naoorlogse jaren herhaalde zich de discussie en vond men in plaats van 'geest en hoofdzaak', het woord gemeenschap. Maar waren het niet telkens pogingen om aan de werkelijke inhoud van de belijdenis te ontsnappen ? De vraag mag intussen gesteld worden: is het actueel belijdend spreken van onze kerk telkens weer een Woord-gebonden spreken geweest ? Het Woord heeft het laatste woord. Dat zegt de N.G.B. — ten spijt wat 'men' ervan wenst te maken — zélf: niet de conciliën of besluiten van mensen zijn gezaghebbend (art. 7 N.G.B.) maar het Woord alleen is regel van het geloof (art. 5). Maar de belijdenis is wel spreekregel voor de kerk. En zou het nu niet kunnen zijn — en daar vaiUen dan zeer wezenlijke beslissingen — dat de belijdenis Schriftmatiger over het Woord spreekt dan Barth heeft gedaan met zijn these 'Gods Woord in de Bijbel' ofwel 'de Bijbel is ondergeschikt aan het Woord Gods en niet omgekeerd' ? De belijdenis is niet het laatste woord maar in haar belijden, óók in haar belijden inzake het Woord (waaraan het examinabel is en blijft) wél een voorlaatste woord.
Waar bracht het ons ?
Ik wil hier toch wel vragen — ondanks het afweren van deze vraag door dr. Blei in een voetnoot — waar het belijden in 'gemeenschap' met de belijdenis der vaderen ons bracht. Ik zou dit t.a.v. 2 punten, die dr. Blei zélf aan de orde stelt, kunnen vragen, namelijk als hij spreekt over het heil voor alten (de kerk is de wereld alleen maar vooruit) en als hij in feite tendeert naar twee wegen in het heil als het gaat om Israël en de kerk. Heeft hier het Woord bij hem het laatste woord ? Is met name als het gaat over de verlossing en het delen in het heil de belijdenis niet Schriftmatiger dan Barth in zijn these, dat ook de verworpenen verkoren zijn ? Maar dieper nog, waar heeft het belijden-in-'gemeenschap' ons als kerk gebracht als we de theologie van het politiek messianisme zien, waartegen het Getuigenis zich keerde en waarvan dr. Blei dunkt me onvoldoende erkent, dat dit niet zich louter formeel op de belijdenis wilde terugtrekken maar uit de nood geboren was vanwege de ontwikkelingen in kerk en theologie, die 'een radicale breuk met het verleden der kerk zouden kunnen betekenen' ? Het is jammer, dat dr. Blei in zijn boek die theologie onbe(weer)-sproken laat. Gaat het daar nog om woordgebonden theologie ?
Stapje verder
Ik ga een stapje verder. In het eind van zijn boek lijkt het of dr. Blei zichzelf in de rede valt. Hij merkt dan terecht op, dat — hoewel dat een hachelijke onderneming is — justitiële leertucht niet principieel uitgesloten moet worden. 'Het is denkbaar dat in een tijd van nood en grote verwarring moet worden ingegrepen ook door concrete maatregelen'.
Ik zou hier concreet willen vragen: Is onze tijd zo'n tijd ? Bij het opstellen van het Getuigenis werd dat zó in ieder geval beseft. Waar moet de kerk dan concreet gaan handelen ? Wordt in de Gereformeerde Kerken de procedure tegen Kuitert terecht gevoerd ? (Blei is tenslotte op Kuiterts theologie ingegaan).
Of, om wat dichter bij huis te blijven, moet de Hervormde Kerk de theologie van dr. Ter Schegget (en met hem van zijn theologische verwanten) aan de orde gaan stellen ? En moet — ik bedoel het hoogst ernstig en niet uit ketterjacht — in onze kerk niet aan de orde komen de belijdenis 'Jezus Christus waarachtig God en waarachtig mens' (Chalcedon), dit in verband met Berkhofs visie in deze ? Wanneer moet in onze kerk door concrete maatregelen gehandeld worden ? Moeten we dan zeggen, dat het klassieke dogma van de kerk, zoals dat in Chalcedon, en ook in de belijdenissen van onze kerk begrepen is, slechts een 'voorlopig' spreken is ? Zodat men vrijelijk dit dogma weerspreken kan ? Professor Berkhof heeft — n.a.v. de zaak-Ter Schegget, die slechts wat betreft het formele aan de orde kwam — gezegd dat de inhoud van diens theologie (in confrontatie met de zijne) aan de orde moet komen. Moet hier alleen gesprek zijn of ook 'concreet handelen' ?
Tenslotte
Het boek van dr. Blei gaat in op blijvend actuele zaken. Zijn boek zal door de moderne theologie van dit moment waarschijnlijk worden afgedaan met de mening: verouderde probleemstelling! Wat mij betreft is zijn boek niet het laatste woord, ook niet een voorlaatste, wel een boek om op in te gaan, ook in het geheel van de kerk, al zullen de antwoorden van hen, die klassiek gereformeerd willen belijden, anders zijn dan de zijne.
Dr. K. Blei: Het laatste Woord? Over het gezag van kerkelijke leeruitspraken in de oecumene. Uitgave J. H. Kok B.V., Kampen, 159 pagina's, ƒ 15, 90.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's