Er is niemand!
Jer. 30:13a
Hebt u veel vrienden ? Dat kan heel wat waard zijn ! Een goede vriend te hebben, dat is een kostbaar bezit. In mijn psalmboek lees ik van een man met vele vrienden. 'Ik ben een vriend, ik ben een metgezel van allen die Uw Naam ootmoedig vrezen en leven naar uw goddelijk bevel' — zo zingt hij. Een geweldige zaak ! Dat is de gemeenschap der heiligen. Hartevriendschap. Vriendschap voor het leven is al groot, vriendschap voor Gods aangezicht is veel rijker nog. Die heeft namelijk een eeuwigheidsdimensie. Zeg mij wie uw vrienden zijn en ik zal zeggen wie gij zijt. Een vader en moeder zitten in grote zorg. Waarom ? Onze zoon heeft slechte vrienden. Ze nemen hem mee op het verkeerde pad ! Dat is geen ongegronde vrees. Met wie verkeren onze jongens en meisjes én... met wie hebben ze verkering? Let wel: er iS niet alleen een gemeenschap der heiligen, maar ook een gemeenschap der onheiligen. De zondedienst geeft een machtige band. Pslam 1 spreekt van de raad van de goddelozen, de weg van de zondaren en het gestoelte der spotters. Bij elkaar zijn dat er heel wat, ze vormen zelfs de overgrote meerderheid. Kijk, dat ligt ons nu wel. Ons aansluiten bij de meerderheid. Zo krijgen we ook de meeste vrienden! Liefst zijn we allemansvrind. Een jongen zegt: waarom zou ik twee keer naar de kerk gaan ? Er is bij ons in de klas niemand die dat doet ! Wij mensen rekenen graag met de maatstaf van de helft plus één. We volgen de mode en we aanvaarden nieuwe gewoonten. Je kunt toch niet achterblijven ? Je moet toch zeker allemaal met de tijd mee ?
Waaróm moet dat eigenlijk ? Omdat we niet graag alleen staan ! In een groot gezelschap voelen we ons sterk. Wie doet ons wat ? Zo kunnen we uitjoelen: Met zijn allen gaan we nóóit verloren !
We staan toch samen sterk ? We roepen toch: hand in hand, kameraden ? We kunnen toch op elkaar rekenen door dik en dun ?
Daarmee is nu ook het bestaan van Israël getekend. Het volk had de Heere verlaten om maar met de wereldse vrienden te kunnen meedoen. Het volk had Gods hand losgelaten om met de afgodische kameraden hand in hand te kunnen staan. God de rug toegekeerd om mee te gaan met de afgoden, met de wereldmachten en de heidense buren. Wat had Israël toen een liefhebbers, het genoot zowaar populariteit. Intussen liegt Jeremia's oordeel er niet om: om de grootheid uwer ongerechtigheid, omdat uw zonden machtig veel zijn...' (vs. 14). Dat is Gods oordeel. Wie een vriend van de wereld wil zijn, wordt tot een vijand van God gesteld. Dit geldt ook u en mij. In het paradijs zijn we vrienden geworden mét de duivel en dagelijks lopen we met hem hand aan hand als gezworen kameraden. Aan hém hebben we ons hart verpand. En wie hém als vriend heeft, heeft aan gezelschap geen gebrek. Kijken we de vriendenkring maar eens rond... Bunyan zou zeggen: ik zie mejuffrouw Lichtzinnig en mejuffrouw Vleselijk, meneer Wereldwijs en zijn vriend Hovaardij. Een rijke jongeling met de naam Godsdienstig, een deftig en gestreng heerschap dat Wettisch heet en ook de drie gezworen vrienden Zorgeloos, Bandeloos en Roekeloos. Wat een gezelschap ! En nu samen maar zingen: wij gaan nog niet naar huis, en we gaan nóóit verloren.
Totdat, ja totdat... Denk eens aan de gelijkenis van de verloren zoon. Hij raakte door zijn geld heen. Er kwam hongersnood. Toen waren alle vrienden spoorloos en hij stond alleen... Zo gaat het altijd weer. Dat zegt ook Jeremia 30 ons. Het ging mfs met Israël. Eerst werden de 10 stammen weggevoerd naar BabyIon. Nog geen 150 jaar later een groot deel van Juda naar Assyrië. In Jeruzalem bleef een meelijwekkend groepje bange mensen. Als een angstig vogeltje in eén klein hoekje weggedoken...
Met een aardedonkere toekomstverwachting. Naar récht, zegt Jeremia. Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen. Maar de vrienden dan ? Het machtige Egypte waar ze op gessteund hebben ? Al die bevriende naties uit de buurt ? En de afgoden die ze geëerd hebben. Baal, Astarte, Moloch, waar zijn ze nu ?
Nu Israël als het ware op een ziek-en sterfbed is néérgeworpen met 'een dodelijke breuk en een smartelijke plaag' (vs. 12), gaan alle 'vrienden' met een grote boog om het volk heen. Daarom zegt vs. 13a: Er is niemand ! U kunt zich het beeld voorstellen. Een angstig rondkijken vanaf het ziekbed, naar alle kanten. Is er niemand die genezing kan brengen ? Zijn er geen heelpleisters ? Weet u wat het antwoord is op al dat angstig' vragen ? Een hoongelach van alle vroegere vrienden. Vers 14 zegt: al uw liefhebbers hebben u vergeten, zij vragen niet naar u. Nu de nood aan de man is, bent u lucht voor ze. Ze smalen en schimpen zelfs en ze noemen u de verdrevene. Het is Sion ! zeggen zij; niemand vraagt naar haar', (vs. 17).
Zo komen we allen vroeg of laat voor nood en dood te staan. Of we het weten willen of niet: we hebben een dodelijke breuk en lijden aan een smartelijke plaag. De oorzaak daarvan is de grootheid van onze ongerechtigheid en dat onze zonden machtig veel zijn. Dat doet ons de dood aan. Het ergste is: er is niemand! Onze voornaamste vriend, de satan, laat ons in de steek, lacht om ons verderf. We moeten alléén verder. Alléén door die donkere doodsvallei en die diepe doodsjordaan. Alléén voor die geduchte rechterstoel.
Een zeer ernstig woord van Jeremia. Het is gesproken in opdracht van de HEERE die nóóit de dood van de goddeloze bedoelt. Die Zijn profeet ook nu weer woorden van herstel en verlossing in de mond geeft. Die Zich ontfermen wil over dat verachte volk waar niemand meer naar vroeg. Waartoe breekt Hij dan alle leunsels en steunsels af ? Om zó te gaan spreken tot een ziel: Ik ben uw heil alleen. Philpot zegt heel treffend: Wie toch vlood er ooit tot Jezus heen, voordat hem alle hoop verdween ?
Er is niemand ! Dat betekent een geestelijk faillissement. Ik kom aan de grond te zitten. Al mijn liefhebbers hebben mij verlaten. Hier worden die bekende klanken tot doorleefde zaken: 'waar alle hoop mij gans ontviel, daar niemand zorgde voor mijn ziel'. Hoor het toch, mijn lezer. Er is niemand! Van nature staat u voor eigen rekening. Niemand kan het van u overnemen ! Roep het toch uit vanuit dit besef: o Heere, ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg.
Is er nog iemand ? O God, ik heb toch van Jezus gehoord ? Die enige Naam is mij toch niet onbekend gebleven ? Geef mij dan Jezus eer ik sterf ! Maar, zegt iemand, is dat nu niet te brutaal ? Nooit bang voor zijn. Val de HEERE maar lastig, nacht en dag. Er is nog iets. Ik ken iemand die moest zeggen: ik heb geen mens; 38 jaar lang had niemand naar hem omgekeken. Maar Jezus vraagt naar hem! Er is niemand, zegt u ? Maar dan is Hij er nog !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's