Is er iemand?
Want wie is hij, die met zijn hart borg worde om tot Mij te genaken? spreekt de HEERE. Jer. 30 : 21b.
Er wordt een vraag gesteld. We hoorden die vraag uit de mond van een zondaar die alle steunpunten kwijt raakte. Een vraag in de nood en de verlegenheid geboren. Maar nu klinkt de vraag uit Gods mond. Dus de HEERE neemt het gebed over. Wonderrijke zaak dit bevindelijk te mogen ervaren. De nood eens echt te mogen uitzeggen, het kwijt te kunnen doordat de Heere in het roepen om ontferming zo meekomt. Wat schenkt dat al een verruiming, ook al blijf ik er een missend mens mee. De Geest zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen — dat is de werkelijkheid waarvan op deze wijze iets ervaren wordt.
De tekst stelt het eigenlijk zó voor dat de Heere in alle richtingen speurt naar een mogelijkheid van verlossing. Hij wil Zich ontfermen over dat volk waar niemand meer naar vraagt, dat door iedereen veracht wordt. Maar uit grondeloze barmhartigheid wil de HEERE het niet verachten. Nu worden we meegenomen naar de raadzaal van God en mogen met stille eerbied oorgetuigen zijn van Zijn heerlijke Gods-gedachten. 'Wié, wié toch is hij, die met zijn hart borg worde om tot Mij te genaken'. Dat is dus een goddelijk vragen. De HEERE staat er als het ware verlegen mee. Hij wil dat verachte Sion verlossen. Maar hoe moet dat nu ? Dat gaat zómaar niet ! Want dat volk heeft het hart van God afgewend en aan verkeerde vrienden verpand. Zo is er een diepe kloof geslagen. Het vuur van Gods heiligheid moet zondige mensenkinderen wel in één moment als een stoppel verteren.
Tenzij iemand die kloof zou overbruggen. Iemand die met zijn hart borg zou willen zijn. Borg om de schuld, de zware schuld te betalen. Hoeveel moet er betaald worden ? Kan de Heere genoegen nemen met het geloof van Abraham, met de teerheid van David, met de bevinding van Asaf, met de wijsheid van Salomo, het vuur van Petrus, de liefde van Johannes, de kennis van Paulus ? Neen, dat alles voldoet niet. Wie, wie toch zal met zijn hart borg worden ? Het hart is de zetel van de levenskracht. Dus betekent de vraag van de HEERE: wié waagt zijn leven er aan ? wié wil zijn hartebloed storten ? wié wil zichzelf uitgieten in de dood ? Stil eens, hoor ik daar niet een stem ? Ja, de stem van Mozes: neem mij maar, o God, delg mij maar uit Uw boek... Het zal niet gaan, Mozes. Ge kunt niet voldoen. Het hart is immers ook het centrum van ons geesteleven — naar het bijbels spraakgebruik. Dat hart moet volkomen zijn, rein in alles. Alle werken rein, alle woorden rein, alle gedachten rein. Wié toch, wié toch ?
'Hij zocht alom, maar ach. Hij vond er geen, want alle vlees is trouwloos afgeweken'.
Een goddelijk vragen. Maar geen antwoord ! Dat betekent beklemmende stilte. Kennen we die stilte ? Is er een doodse stilte gevallen ? Mijn lezer — die stilte wórdt verbroken ! Is er iemand ? Ja, Ik ben er! Zie, Ik kom om Uw wil te doen. Zie, hier is Uw Knecht. Vraagt gij Zijn Naam, zo weet dat Hij de Christus heet.
Als een klaroenstoot verbreekt Zijn jawoord de doodse stilte. Hij is er ! God Zelf heeft gezorgd voor het verlossende antwoord ! Zo is het altijd weer. De bron van de verlossing welt op in het hart van de drie-enige God. In het hooggebergte van Zijn raad liggen de klare bronnen. Vandaar stroomt de rivier Gods vol water naar diepe dalen. Vanwaar komt de verlossing ? '
Dit werk is door Gods alvermogen, door 's Heeren hand alleen geschied. Het is een wonder in onz' ogen, wij zien het, maar doorgronden 't niet.
Is er iemand ? Eer iets in mij dat ging vragen, had God het al gevraagd. De kanttekening zegt het zó: 'Ik zal Hem zalven en daartoe beroepen, dat Hij hogepriester en middelaar zij tussen Mij en Mijn volk'.
Zalven en beroepen ! God de Vader heeft in de eeuwigheid een beroep uitgebracht. Er was een vacature. De mens was weggelopen, uitgevallen uit Gods beeld en gelijkenis. Werd voor dit beroep bedankt, dan was het voor eeuwig verloren. Maar de Beroepene had geen drie weken bedenktijd nodig. Hij trad naar voren: zie, Ik kom om Uw wil te doen, o God ! Ja, Ik van ganser harte ! Zo sprak de Zoon. En de Heilige Geest maakte alles gereed voor de overkomst. Er is dus Iemand. Het is die Eén uit duizend die met Zijn hart borg geworden is bij de Rechter van hemel en aarde — en dat voor een schuldig volk !
O, Vader - zij hebben hun hart met bedrog ontvreemd. Maar hier hebt U Mijn hart. Doorsnijd Mijn hart maar met het zwaard van Uw gerechtigheid. Hóór, het klopt van louter liefde voor U en voor al degenen die Gij Mij gegeven hebt.
Er is Iemand ! En wat voor Eén ! De Vader heeft Hem beroepen. Hebt u Hem ook al beroepen ? Neen, niet op een drietal of een tweetal gesteld... Hém beroepen, Hém alleen die met Zijn hart Borg is geworden. Wat houdt dat dan in ? Ik las ergens zeer treffend: uw hart is uw schuldbrief. Leg heel uw hart open voor deze Borg. Bedek geen letter van uw schuldbrief. Jezus zal dan uw schuldig hart met Zijn hart, dat is met de kwitantie van voldane schuld bedekken. De kwitantie die op Golgotha is getekend met Zijn hartebloed. Mijn zoon. Mijn dochter — geef Mij zó uw hart!
Schuilend achter de Borg naderen zondaars tot God om eeuwig bij Hém te wonen. En als zij nog verre zijn, klinkt hen vanuit het Vaderhuis reeds tegen:
'Uw Borg heeft alles afbetaald, toen Hij aan 't kruishout stierf. De kwijtbrief mag nu afgehaald, die Hij voor u verwierf. De kleinen heeft Hij eerst bedacht, de groten achteraan. Wie hunner had het ooit verwacht, in dit testament te staan ? !'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's