De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Eenheid

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Eenheid

6 minuten leestijd

'Maar blijft het feit, dat hier een steen des aanstoots in ons kerkelijk leven ligt, (nl. de verhouding van de gereformeerde bond tegenover de niet-gereformeerde-bondshervormden), waaraan we wederzijds pijn hebben, met dit verschil nog, dat hervormdgereformeerde kerkeraden vanuit het zich gebonden weten aan schrift en belijdenis niet zomaar democratisch te werk kunnen gaan bij het toekennen van ruimte binnen de gemeente. Voor diegenen, die zich niet zo strak aan de belijdenis gebonden weten, ligt dit vanuit de eigen instelling eenvoudiger'.

Dit betekent in de praktijk, zoals ds. G. Boer in 1956 het in zijn gedachtenwisseling met dr. Berkhof op pagina 21 uitdrukte, dat minderheden van de gereformeerde bond op bepaalde plaatsen vragen, wat de meerderheid van de geref. bond in andere plaatsen aan anderen weigert, omdat die minderheid van de geref. bond de belijdenis der Kerk achter zich heeft en die meerderheid van de geref. bond in die andere plaatsen niet anders doet dan de belijdenis handhaven.

Wat is dit handhaven van Schrift en Belijdenis? Zou dit ook een handhaven kunnen zijn van eigen schriftopvatting en een eigen verstaan van de belijdenis, gebonden aan de denkkaders van de zeventiende eeuw? Hervormden mogen dankbaar putten uit het belijden van de kerk in vroeger tijden, maar ze staan samen voor de opgave de Schrift nu te verstaan en in hun belijden antwoord te geven op de uitdagingen van de twintigste eeuw. Hoe denkt men nu in de kringen van de geref. bond over de vragen, die ds. J. T. Wiersma in zijn laatste drie artikelen van de Kleine Catechismus in Woord en Dienst aan de orde stelt over Bijbel en wereldbeeld?

Hoe geeft de geref. bond gestalte aan de strijd tegen uitbuiting en onderdrukking en voor rechtvaardigheid in de contacten van haar leden - met belijders van dezelfde gereformeerde belijdenis en met theocratisch besef in Noord-Ierland en Zuid-Afrika, die aangesproken kunnen worden op grond van dezelfde opvatting over Schrift en'Belijdenis? De strijd, die de geref. bond in de Hervormde Kerk telkens weer voert voor meer ruimte voor haar prediking en minder ruimte voor anderen, krijgt door de opvatting, dat dit gelijk staat met de strijd voor het ware verstaan van Schrift en Belijdenis een pretentie, die erg gevaarlijk is, zowel voor de kerk als voor de leden van de geref. bond.

Het is zo, dat ons verstaan van de Schrift altijd voor de Schrift zelf geschoven kan worden. Maar dit gevaar is er voor allen.

Allen zullen we samen ons moeten opstellen voor de werking van de Heilige Geest om samen nu Gods spreken tot ons te verstaan.

Allen zullen we telkens weer onszelf, ook onze schriftbeschouwing, moeten verliezen om het ware verstaan van de Schrift, het ware horen van de stem van Gods genade in Christus te vinden. Door de vroomheid en trouw van velen van haar leden, zou de geref. bond de Kerk en de wereld tot een zegen kunnen zijn, als zij bovengenoemde pretentie en de daardoor vaak gedekte strijd om de macht, die zoveel leed in zoveel gemeenten en gezinnen heeft veroorzaakt, zou loslaten en het zou wagen met het Woord en de Geest alleen in liefde tot de éne Heer.

Dan zouden de warmte en de kracht van het geloofsleven van velen uit haar midden de slapheid, de wereldgelijkvormigheid en de geesteloosheid van vele andere kerkleden helpen overwinnen.

Dan zouden we samen mogen leven uit de enige pretentie, die we echt mogen hebben: dat we Christus' stem hebben mogen horen en er samen in ons belijden, in ons beleven van schuld en genade en in ons werken in deze wereld in Zijn dienst antwoord op mogen geven, nu in onze tijd en in onze omstandigheden.

Ds. H. P. Swets

predikant, Lelystad

Deze discussie toont aan dat verschillen in de kerk (als het 'goed' is) voortkomen uit het verschillend verstaan van God en het verschillend verstaan van zijn openbaring. Ir. Van der Graaf wil liever niet spreken over ons verstaan van God. 'Doorslaggevend is immers niet hoe wij God verstaan, maar hoe God zichzelf heeft geopenbaard'.

Nu lijkt mij dit een misleidende probleemstelling. Is er bij welke christen, modaliteit of kerk ook, ooit sprake van een samenvallen van Gods openbaring en ons verstaan daarvan?

Is dat niet iets dat voor het Rijk der Heerlijkheid is weggelegd?

In deze bedeling zegt zelfs Paulus: Onvolkomen is ons kennen, (1 Cor. 13:9 en 12). 'Wij zien nog door een spiegel in raadselen' (vs. 12).

Bij het verstaan van (een deel van) Gods openbaring, namelijk de liefde van Christus, noemt Paulus enkele geweldige voorwaarden - o.a. het 'samen met alle heiligen' (Ef. 3 : 18). Beeft de Ger. Bond ook voor dit bijbelwoord? Of heeft de Bond (net als wij allemaal) alleen eerbied voor die gedeelten van de H. Schrift die ons in onze eigen identiteit stijven?

G. de Klerk bouwkundige. Woerden

Gaarne wil ik enige opmerkingen maken, zo kort mogelijk, in verband met het aantal woorden. Het gaat om de eenheid in het geloof. Om die te bereiken komen we niet verder met het uiteenzetten van onze standpunten. Dit kan tot beter begrip leiden en misschien tot een wat betere verstandhouding, maar werkelijke eenheid bereiken we op die manier niet.

Niet voor niets heeft een theoloog gezegd: 'Het is de ziekte van de theologie geweest, dat ze zich aan abstracte discussies wijdde'. Als we denken aan de mogelijkheid tot eenheid, niet alleen van de bonders en niet-bonders, maar van alle kerken en groepen die geloven in God, de Vader en in Christus, de Heer, dan zullen we totaal anders moeten leren zien. Wij moeten dan uitgaan van de eenheid, niet van die er komen moet, maar van de eenheid die er is, namelijk de eenheid die er is in Christus. In Hem zijn we allen één. Dit is al jaren geleden gezegd door een professor in Utrecht, maar voorzover ik weet, is aan deze woorden nooit veel aandacht besteed. Het is te begrijpen, want, hoe moeilijk het ook is, discussiëren geeft een zekere voldoening, lijkt bovendien nog heel wat en wij kunnen onze standpunten handhaven met een vriendelijke groet aan onze opponenten (...)

G. Mol Made (N.-Br.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Eenheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's