De nood des tijds
Prof. dr. W. J. Aalders
2
De inleiding van het boek
Deze begint met dadelijk de titel van het boek 'de nood des tijds' aan de orde te stellen.
Aalders wil 'de noodklok' luiden. De zwarte band heeft ook als bandtekening (in goud) een luidklok in beweging.
De geluidskringen gaan in alle richtingen. Midden in dit bewogen naotief staat rechtop en onbewegelijk: het kruis.
Aalders wijst er op, dat nood een woord is, dat men niet lichtvaardig moet gebruiken. Het woord weegt oneindig veel zwaarder dan tekort of gebrek. Als nood geen volle ernst is, veroorzaakt dit woord spot of bedrog.
Ik meen, dat onze na-oorlogse tijd een wat kwistig gebruik is gaan maken van het woord nood. Voor allerlei wat niet precies zo is als een mens wel graag zou willen, wordt tegenwoordig al gauw het woord nood gebruikt om bepaalde situaties te accentueren en gewichtig te maken. Maar daardoor wordt de blik afgeleid van en verduisterd voor de diepere eigenlijke nood.
Vandaar dat Aalders dit woord ook in het enkelvoud gebruikt. Het gaat niet om sommige gedeeltelijke noden op een bepaald gebied. Maar om de volstrekte nood. Het gaat niet om een nood des tijds, maar om de nood des tijds.
Dat raakt het centrum, het hart van het menselijk bestaan. Juist omdat die nood zo centraal is, wordt alles ondermijnd en onzeker. Niet alleen de toestanden op sociaal, economisch of politiek gebied, maar ook de zedelijke beginselen en godsdienstige overtuigingen, die er aan ten grondslag liggen.
'Als de zon niet schijnt, ligt alles in de schaduw'.
De diepe algemeenheid van de nood zou samenbindend kunnen werken. Zoals een gemeenschappelijke vijand een gemeenschappelijk front doet vormen. Maar teveel moet men daarop niet vertrouwen. Als de reddingssloep overvol is van drenkelingen, wordt de wanhopige zwemmer afgestoten. Dan wint het egïsme het van de veel genoemde en veel geroemde solidariteit.
Algemeen
Dat die nood algemeen is, ligt Ook in de naam: de nood des tijds. Hij is niet alleen hier of daar aanwezig of nu en dan. Hij is algemeen. Hij raakt heel de wereld en heel het tijdsbestek, waarin wij leven.
Men kan wel zeggen, dat die nood er altijd is, dus in iedere tijd, omdat hij samenhangt met de verlorenheid van ons geslacht. Maar er zijn toch tijden en tijden. Dat is zo in het persoonlijke leven met jaren, waarin-plaats is voor levensharmonie en levensvreugde. Dat is ook zo in verschillende cultuurperioden. Er is opgang en ondergang. Bij de laatste komt alles overhoop te liggen en verliest z'n vast karakter. Het gezin b.v. als grootheid van de eerste orde wordt niet meer beheerst door een gemeenschappelijke geestelijke overtuiging. Alles wordt aan de vuurproef onderworpen. Tot het meest nabije toe.
Onder 'tijd' verstaat Aalders dan nog iets anders dan wat door klok en kalender aangegeven wordt, al is de tijd ook als verschijnsel van een steeds in één richting onverbiddelijk voortgaande beweging een mysterie.
Maar 'tijd' betekent ook gelegenheid om iets te doen, verantwoordelijkheid. En deze plaatst ons weer voor Hem, Die boven de grenzen van de tijd staat. De eeuwigheid vraagt naar de vrucht van de tijd. Daardoor geeft die eeuwigheid het heden, het heden der genade, de welaangename tijd, de dag der zaligheid.
Hij, Die de Eeuwige is, heeft de mens geschapen en roept hena uit de tijd tot Zich. Dat verleent aan die tijd z'n zware gewicht.
Crisistijd
Geen wonder, dat Aalders na zijn inleiding begint met de nood des tijds allereerst, te typeren als crisistijd. Het boek verscheen in 1934, één van de jaren onder ons ouderen vooral nog altijd bekend als: de crisisjaren.
Maar Aalders waarschuwt dadelijk voor slijtage bij het vele gebruik van dit woord. 'Men maakt er een X van, die alles op z'n verantwoording krijgt'.
Crisis is in een ziekteproces het punt, waar belist wordt of de stoornis in het lichaam voorgoed zal zijn, of het evenwicht definitief verbroken zal zijn of dat het zal worden hersteld.
Ook waar die crisis in het economische leven optreedt, grijpt zij diep in. De mens zal wel bij brood alleen niet leven. Maar toch ook van brood. De mens is ook lichaam. Tussen de stoffelijke en de geestelijke factoren is een diepe wederzijdse beïnvloeding. De strijd der klassen, de naijver der volken, de daemonic van de productie, die alleen maar produceert om te produceren, zonder te vragen naar de behoeften, bepalen mede de economische crisis.
Maar ook in de sfeer van hef wetenschappeliike, cultureel, zedelijk en godsdienstig leven is het evenwicht verstoord, en is het crisistijd. Er was een tijd, waarin men geloofde aan een harmonische levensontplooiing en wereldontwikkeling. Alles werd geacht zich in één lijn voort te bewegen in de goede richting, al verder en hoger.
Maar men vergat de vraag te stellen, door wie die vooruitgang gewaarborgd werd en of men niet van een hogere macht en wet, van God en Zijn Majesteit afhankelijk was.
Van het balkon naar het straatgewoel
Toen kwam de wereldoorlog. Daardoor kreeg dit optimistisch cultuurbeeld een krachtige schok. Want de oorlog is mede 'een grote projectie op het doek der Wereldgeschiedenis van wat in mensenharten en - levens groeit en woelt'. Daarbij blijven natuurlijke behoeften aan zelfverwerkelijking en levens-expansie toch altijd onderworpen aan de critiek van het zedelijk oordeel, de stem van het geweten, de wil van God.
Ondanks alle paradepaardjes van 'de vooruitgang': stoom en electriciteit, kunstmest, narcose enz. enz. staan wij meer dan ooit 'vreemd tegenover onszelf, tegenover elkander en tegenover de grond der dingen'. De barre realiteit van de twintigste eeuw heeft de mens van zijn balkon, vanwaar hij het leven objectief meende te kunnen beschouwen, in het harde straatgewoel terecht doen komen. Daar brengt de Schrift ons ook. 'Christus Zelf staat voor ons niet als idee, maar als werkelijk mens. Die geleefd en geleden heeft, tot de kruisdood toe'.
De mens blijkt nog iets anders te zijn dan een 'fijn denkapparaat of gevoelige plaat'. Die mens is ook een wezen van lichaam en bloed. Hij heeft te maken met zijn neigingen en begeerten. Daar zitten veel vernederende kanten aan. Dat alles verstoort zijn zelfvoldane rust.
De onrust tast ook het gemeenschapsleven aan. In de eerste plaats het gezin, waarin betrekkingen gelden, 'die men zonder meer aanvaardt als eens voorgoed vastgelegd en waarvoor men de verantwoordelijkheid op zich neemt'. M.a.w. in de crisis des tijds gaat het er om of b.v. trouw iets is, wat boven de neiging van het ogenblik uitgaat, en wat men zonder meer laat gelden. Een huwelijk zonder deze sanctie staat op losse schroeven. Een gezin zonder piëteit, die de ouders en de kinderen beurtelings verbindt en onderscheidt, heeft geen bestaanszekerheid'. Het gaat om dingen, waarop men geen critiek toelaat, laatste gegevens van het bestaan.
Tot de nood des tijds behoort de ontkenning van deze duurzaamheid in de liefde, de trouw en de gehoorzaamheid ten gunste van de ogenblikkelijke neiging en de misleidende situatie. Daar ontbreekt de bovenpersoonlijke vastigheid. Daar breekt de ontreddering baan.
De maatschappij en de stad
Wat de maatschappij betreft wijst Aalders op een overwaardering daarvan, waardoor men maatschappelijk besef en naastenliefde bijna als verwisselbare grootheden beschouwt. Dat is ook juist datgene, wat we ook nu kunnen waarnemen. Men meent dan, dat maatschappelijk engagement samenvalt met die liefde voor de naaste, die de Heere Jezus bedacht en die leert zegenen, die ons vervloeken en leert weldoen hen, die ons geweld aandoen.
Terecht merkt Aalders op, dat organisatie nooit iets schept. Zij kan door allerlei voorschriften en ordeningen alleen maar ordenen. Maar dan moet er ook iets te organiseren zijn. Als dan de organisatie van het maatschappelijk leven ontoereikend blijkt om werkeloosheid en bestaansonzekerheid te voorkomen of op te heffen, dan ontstaat de twijfel aan de bestaande maatschappij met de vraag, of niet elke andere maatschappij allicht beter is op proef, dan de bestaande, die niet voldoende functioneert. En het evenwicht gaat al weer teloor.
Hetzelfde geldt van de staat. De waarde van de democratische staatsvorm, schijnbaar zo humaan, wordt, met haar parlementaire organisatievorm in twijfel getrokken. Men is bereid zich uit te leveren aan 'desnoods één leider, wiens gezag, eenzijdig, van boven af zich laat gelden, als de toestanden maar beter worden'. Het iis 'de houding van de desperado, die vatbaar is voor wat het meest belooft of het felst bezielt'.
Telkens blijken 1934 en 1975 niet zover uit elkaar te liggen. In beide gevallen is er, zoals Aalders schrijft, 'het gemis aan enig diepgaand beginsel, dat aan de staatsopvatting een achtergrond geeft'. Alleen de staat als machtsstaat of als belangenstaat komt in aanmerking. Wat het begrip rechtsstaat insluit, blijft buiten beschouwing'. Veler leus is: macht is recht. Benauwend eenvoudig. Want men vraagt niet van welke aard die macht is.
De mensheid
Boven staat en volk kwam reeds vanouds, maar vooral sedert de 18de eeuw, de mensheid in zicht. Dat maakt de mens tot een globe-trotter, die overal thuis is, althans voor alles open staat. Daarop rustte de Volkenbond en nu de U.N.O. met een humanistisch mensheidsideaal.
Tegen deze ijle constructie van de geest opponeert telkens de ruige werkelijkheid van het leven. 'De bleke idee heeft het hard te verantwoorden tegen de drang van het bloed'. Ook dat behoort toen en nu tot de crisis van de tijd. Lang heeft men geloofd in een geleidelijke vooruitgang in natuur en mensheid. Deze wereld was de beste van alle mogelijke (Leibniz). Dat klinkt wel heel anders dan wat de Bijbel zegt omtrent een wereld, die in het boze ligt en een schepping, die zucht en als in barensnood is. 'Godsdienstig ongeloof', zegt Aalders, 'ging hier dikwijls gepaard met een evenredig ongodsdienstig geloof in de toekomstmogelijkheden van mens en maatschappij en daamaede van de wereld in haar geheel'.
Maar de crisistijd brengt twijfel ook aan dit surrogaat van het geloof in God. De vooruitgang zag de mensheid dapper voortmarcheren. Maar de vraag rijst: waarheen?
Aalders haalt een woord aan van prof. Heymans: 'wij hebben het gevoel van vreemd te staan tegenover de grond der dingen'. Zo zegt de gelovige het niet. merkt Aalders op. Die spreekt niet van de grond der dingen, maar 'van die God, Die spreekt en handelt, de Grondeloze, Die dieper reikt en hoger uitvaart dan alles wat als grond wordt gepeild'.
Maar nu wordt ook dat geloof in God in de crisis getrokken. Want dat geloof betekent een hoger beroep van de onrechtvaardige werkelijkheid en de schuldige mens op de Rechtvaardige en Heilige.
Dat beroep is iets heel sterks. Soms den gelovige zelfs te sterk. Hij vraagt dan: 'zou God het weten? ' Hem wordt gevraagd: 'waar is uw God? ' De gelovige heeft het daarbij zelfs vaak moeilijker dan de ongelovige. Want het geloof moet zich rekenschap geven van het verband tussen het wereldgebeuren en God.
Vandaar dat in een tijd van crisis ontzaglijk veel vorm van geloof verdwijnt, soms opeens, massaal, bijna vanzelf.
Daartegenover wordt veel echt geloof verdiept en gereinigd, d.w.z. het beroept zich uitsluitend op God, ondanks alles wat men ziet en niet begrijpt. Men gaat telkens weer in appèl en wacht de beslissing af, nu, later, in elk geval eens !
Voor de ongelovige ontbreekt het vaste punt. Wat moet hij met deze tijd, die zijn critiek oproept, aan ? 'Het vraagteken is hét symbool van de crisisstemming'. 'Tenzij zelfs dat niet meer wordt gesteld en geen enkel teken de werkelijkheid vergezelt voor de mens, die opgehouden heeft naar de zin van zijn leven te vragen. Dan is de crisis ten einde, en dat einde is in de ontbinding en daarmede de dood'.
Dat zien en horen we ook in 1976.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's