De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De grote Schepper aller dingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De grote Schepper aller dingen

Artikel 12 Ned. Geloofsbelijdenis

10 minuten leestijd

Er is een oud verhaal, dat ons vertelt van een wijze man, die woonde in Griekenland. Die man heette Thales. Op zekere dag, zo vertelt dat verhaal, stelde koning Croesus die man een vraag: 'Kunt U mij zeggen, wat het wezen van een god is? ' 'Geef mij één dag de tijd', antwoordde Thales. Maar toen die dag voorbij was, was zijn antwoord niet klaar. Hij vroeg twee dagen bedenktijd. Na twee dagen was hij echter nog niet gereed met zijn antwoord. En na een week ook nog niet. Tenslotte vroeg hij uitstel voor onbepaalde tijd. 'Moet een wijze man daar dan zo lang over denken', vroeg Croesus hem. Ja', antwoordde Thales, 'hoe meer ik denk, hoe onbegrijpelijker mij god wordt'.

Geen God op formule

Misschien kan dit verhaal ons duidelijk maken, dat God niet op formule te brengen valt. Hij is niet te vangen in ons denken. Hij ondoorgrondelijk. Wij mensen kunnen nooit vanuit onze (voorstellings) wereld opklimmen tot het wezen van God. Daar zijn wij te klein voor, te verdorven.

Maar dat alles betekent gelukkig niet, dat God ondoorgrondelijk is in die zin, dat een mens er maar nooit achter komt, wie God nu eigenlijk is (agnosticisme). Dan zou God altijd een raadsel blijven. Het is (Gode zij dank) zo, dat God kenbaar is. Daar heeft Hij Zelf voor gezorgd. Hij heeft Zich geopenbaard. En wat de gelovige uit kracht van die Godsopenbaring mag weten, dat is de volle waarheid omtrent God. Het is ook genoegzaam tot 's mensen zaligheid.

Bij het begin beginnen

Dat alles geldt ook, wanneer wij spreken over God de Schepper. Artikel 12 van on­ ze Nederlandse Geloofsbelijdenis, waar we thans de aandacht voor willen vragen, begint zoals steeds met het: Wij geloven!' Wij geloven, dat de Vader, door Zijn Woord, dat is door Zijn Zoon, de hemel, de aarde en alle schepselen uit niet heeft geschapen'.

De schepping van hemel en aarde is een geloofszaak. En die geloofszaak rust in openbaring. God heeft Zich als de Schepper aller dingen in Zijn Woord geopenbaard. Daarvoor vallen wij. Als 't over de schepping gaat, gaat 't niet in de eerste plaats om een verklaring van de vraag, waaar ik en de wereld vandaan komen. Maar het gaat vooral om God Zelf. En het gaat er om, dat wij in alle dingen de glorie van Hem als - Schepper leren bezingen. De schepping is loflied op de Schepper. God is niet te doorgronden, maar wel te bezingen. Hij heeft Zelf het loflied in de schepping neergelegd. En Hij heeft de woorden van dat loflied er bij gegeven in de Bijbel.

Daarom is het goed, dat de Nederlandse Geloofsbelijdenis in het twaalfde artikel na de artikelen over het drieënig bestaan van God (art. 8-11) over God als Schepper gaat spreken. Niet de eeuwige Raad van God, niet de uitverkiezing gaat voorop. De uitverkiezing komt in artikel 16 aan de orde. Mij dunkt, dat dat een goede volgorde is. Al moest, van God uit, eigenlijk eerst gesproken zijn over de Raad van God, toch doet de geloofsbelijdenis dat niet. H. Bavinck laat in zijn Gereformeerde Dogmatiek aan het hoofdstuk over de schepping wel een hoofdstuk over de Raad Gods voorafgaan. Maar de geloofsbelijdenis volgt hier kennelijk het spoor van Calvijn in zijn Institutie, die inderdaad ook na de Drieëenheid gaat spreken over de schepping.

Wijst er dat op, dat in de kennis van en in het geloof in God de verkiezing niet vooropgaat ? Als 't over de kennis van de levende God gaat, begin dan maar laag aan de grond, zie. om U heen. 'Heft Uw ogen op omhoog en ziet. Wie deze dingen geschapen heeft...' (Jes. 40:26a). Wij moeten niet wijzer zijn dan God: Hij begint in Zijn Woord immers ook met de verhalen over de schepping ? Nee, niet de onbegrijpelijke God van de wijsgeer Thales. Maar God, Die zich geopenbaard heeft als een aanbiddelijke God in de werken van Zijn handen. Hij heeft alle schepselen uit niets gemaakt. Daarmee mag het geloof beginnen. Met de Bijbel in de hand, laag aan de grond. De Heer' is God erkent, dat Hij ons heeft gemaakt! En is die erkentenis van het recht, dat de grote Schepper aller dingen op ons leven heeft, niet één van de eerste dingen in het geloofsleven? Gods heilig recht op heel ons bestaan, onderwerping aan de souvereiniteit Gods, dat heeft van meet af aan het gereformeerd protestantisme gekenmerkt.

De schepping als ruimte voor de verbondsgeschiedenis

Om nog om een andere reden is het van belang, dat we beginnen, waar God begint in Zijn Woord. Bij de behandeling van 'de werken Gods naar buiten' gaat niet het verlossingswerk van Christus voorop. Het is een onbijbelse gedachte, wanneer wij stellen, dat de bedoeling van God met Zijn schepping in het verbond der verlossing in Christus, zodat de schepping is aangelegd op de verzoening. Karl Barth heeft het zo gesteld. En Prof. G. C. van Niftrik zegt in zijn K.D.

'Ik moet niét beginnen bij Gen. 1. Ik moet beginnen bij Johannes 3 : 16 (al zo lief heeft God de wereld gehad). En vanuit Joh. 3 : 16 versta ik Gen. 1 (blz. 71). En op blz. 79 heet het: Het doel der schepping is Jezus Christus'. Van Niftrik zegt dan, dat het Woord (Joh. 1:3) Gods Scheppingsplan is, de zin en doel der schepping. En dat de schepping er is tot de glorie Gods (het principe van de gereformeerde religie), dat komt volgens Van Niftrik daarin juist zo mooi tot uitdrukking. Want God wordt immers verheerlijkt in de liefde van Christus.

Hoe schoon deze theologische stellingname ook moge lijken, we zullen ze toch radicaal moeten omkeren om voluit Bijbelstrinitarisch te kunnen blijven denken. Er is hier sprake van een verenging, waardoor we wezenlijk Bijbelse-gereformeerde elementen kwijtraken. In de eerste plaats vervluchtigt hier de schepping tot teken, getuigenis en sacrament van het heil (K. Barth). Moeten we niet omgekeerd zeggen, dat Gods heil in Christus er ook en vooral is om de schepping weer te restaureren, zodat daarin luister van al Gods deugden weer schitteren kan? Gaat het Christus, Die de Koning van 't heelal is en Die gezegd heeft: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde, niet in heel Zijn heilswerk om het terugwinnen van de wereld als schepping Gods voor Zijn Vader? Mijn tweede opmerking die daarbij aansluit, is: wij mogen het werk van de Vader niet exclusief betrekken op het werk van de Zoon. We moeten veeleer het omgekeerde zeggen, n.l. dat de Zoon er om de Vader en Zijn werk om dat des Vaders. Hoe vaak heeft Christus daar Zelf niet van getuigd? De eer des Vaders ligt in de Zoon, maar die eer des Vaders ligt niet exclusief in de liefde, die in de Zoon gestalte krijgt. Maar omgekeerd ligt de liefde van de Zoon daarin, dat Hij aan het recht Gods in Zijn zoendood eer verleent en aan de gerechtigheid en heiligheid van God voldoet. Dat is een door en door Bijbelse en ook gereformeerde notie, die we bij een chrystomonische vereniging (alles op de éne noemer van Christus) zoals bij K. Barth kwijt dreigen te raken. We zullen niet kunnen vergeten, dat Christus, nadat Zijn heilswerk volbracht is, tenslotte als Middelaar ook onderworpen zal worden aan de Vader (1 Cor. 15 : 28). En het derde, dat ik wil zeggen, heeft te maken met het werk van de heilige Geest in het hart en leven van Gods Kerk. Als wij door de liefde Gods zijn ingewonnen voor het heilig en onschendbaar recht van God op ons leven, als wij Christus als Verlosser nodig hebben gekregen, omdat Hij midden in dat recht van God is gaan staan, dan hebben wij Hem om Gods wil lief en dat is het voor ons niet het toppunt van het verlossingswerk van Christus, dat wij daardoor van de straf bevrijd zijn, maar dat wij in die weg weer tot onze levensbestemming kunnen komen. En die ligt nergens anders in dan in de glorie van de drieënige God. Door Hem bemind zijn om Hem eeuwig te mogen beminnen. En dan ligt heel de schepping voor ons open als het terrein voor de verheerlijking van Gods Naam.

Onze conclusie is, dat wij niet wijzer mogen zijn dan God. Wij beginnen, waar God begint in Zijn Woord (Gen. 1).

Een geloofszaak

Dat alles echter doet niets af van het feit, dat de schepping in de heilige Schrift voluit een geloofszaak is. Wij geloven...! Zo begint artikel 12 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Aan de wieg van de werelden mensheidgeschiedenis staat de levende God. En dat over de schepping van de wereld en de mensheid zo heel kort, eigenlijk alleen maar in het eerste gedeelte van artikel 12, in twee zinnen, gesproken wordt, dat is er een bewijs van, dat er in de dagen van de Reformatie over dit geloofsstuk unaniem aldus werd gedacht. Er behoefden niet veel woorden aan te worden gewijd.

God heeft er een begin aan gemaakt. De wereld is niet ontstaan als een produkt van een toevallige samenloop van omstandigheden. En het leven op aarde is geen resultaat van een evolutie, die toe­ valligerwijze op deze planeet mogelijk bleek te zijn. Uiteraard zou over schepping en evolutie veel meer gezegd moeten worden dan in deze éne zin. Maar dat hebben we eerder en in ander verband gedaan. Daarom volstaan we hier met deze enkele opmerking. Reeds de Griekse filosoof Epicurus heeft in de oudheid (ong. 300 v. Chr.) de mensen geprobeerd te bevrijden van de angst voor de dood, voor het noodlot en voor de goden door zijn atoomtheorie (niets ontstaat uit niets) waarin 't ontstaan van de aarde verklaard werd uit een samenklontering van de atomen. Ook 's mensen ziel bestond volgens hem uit atomen en houdt op te bestaan bij het sterven.

En het leven op aarde was in deze gedachtengang vanzelf uit de stof ontstaan (zoals wormen in de mest). Wat bleef er bij zo'n visie anders over dan de mens te prediken, dat hij maar moest proberen te genieten van 't leven. Met mate, jawel, maar inmiddels toch zoveel als maar mogelijk was.

Wanneer wij echter geloven, dat de Vader door Zijn Woord, dat is door Zijn Zoon, de aarde en alle schepselen uit niet heeft gemaakt, dan weten we, aan Wie wij ons bestaan te danken hebben. Dan is de wereld geen lot uit de loterij. Dan zijn we maar niet in het bestaan geworpen om in angst onze levensdagen door te brengen. Dan zijn we niet voor onze 'lol' op aarde. Dan is de wereldgeschiedenis en ook de geschiedenis van ons leven er één, waarachter het wijze beleid van de hoge God schuilgaat. Dan draven wij niet door 't leven als eén jongen in de draaiton van een speeltuin, die hij hardhollend in beweging houdt, zonder ooit een stap vooruit te komen, terwijl hij er straks, als hij 't langer volhoudt, nog door wordt meegesleurd ook. Wij hebben het bestaan aan God te danken. Neemt u het maar letterlijk. Ik geloof in God de Schepper:

'Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken ! Ook weet het mijn ziel zeer wel', (Ps. 139 : 14). Die God, Die eenmaal de aarde schiep met haar volheid, de wereld en die daarin wonen, die scheppende God staat ook aan de wieg van mijn bestaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De grote Schepper aller dingen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's