De plaats van de Geref. Bond in de Ned. Hervormde Kerk
Slotbeschouwing
3
Ingaan op alle reacties — en dan in ongeveer duizend woorden — zou onmogelijk zijn of slechts kruimelwerk opleveren. Ik volsta daarom met enkele hoofdmomenten uit de reacties naar voren - te halen.
Zeventiende-eeuwse denkkaders ?
Eén en ander maal is gezegd dat de Bond zich met zijn binding aan de belijdenisgeschriften gebonden heeft aan 17de-eeuwse denkkaders. Bij dergelijke reacties ben ik geneigd me af te vragen of men dan niet beseft welk een Schriftmatig geloofsbezit onze kerk in haar belijdenis heeft bewaard. Neem de Heidelbergse Catechismus: een, troostboek, een pastoraal boek, een leerboek, een actueel boek en daarom een boek, dat de kerk zich in grote delen tot grote geestelijke schade en verarming in de leerdienst heeft laten ontnemen. Waarom ging dit boekje met Kohlbrugge — toch bepaald geen zeventiende-eeuwer ! — mee tot op zijn sterfbed toen hij daar — in dat kritieke uur — zei: de Heidelberger, de eenvoudige Heidelberger, houd daaraan vast kinderen ? Niet omdat hij aan zeventiende-eeuwse denkkaders hechtte, maar aan bijbelse en omdat het bijbels geloof — ook daarin verwoord — het geloof is van de kerk van alle tijden en van alle plaatsen. Wat nodig is om 'getroost' te leven en zalig te sterven is toch niet aan een bepaalde tijd gebonden ? Zeventiende-eeuwers en wij staan in het gericht voor dezelfde God en moeten van dezelfde genade leven.
De Heidelbergse Catechismus spreekt in zondag 33 onovertroffen over de 'waarachtige bekering' van de mens: het afsterven van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens. Is die bekering, ook in het kader van de verbondsgemeente, niet een existentiële, een tot in het diepst van ons mens-zijn doorleefde zaak ? Het kan niet existentiëler worden gezegd dan zoals de Heidelberger het doet, namelijk dat af sterving van de oude mens is 'een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonde vertoornd hebben' en dat opstanding van de nieuwe mens 'hartelijke vreugde in God door Christus' is. Als dit geen altijd actuele belijdenis is ! Hartelijk berouw en hartelijke vreugde in één verband. En wie menen mocht dat dit een soort 'geestelijk egoïsme' is wordt direct door de Heidelberger verwezen naar zijn roeping. Want opstanding van de nieuwe mens is ook 'hartelijke lust en liefde om naar de wil van Gód in alle goed werk te leven'. En is er dan één terrein' waarvan God niet zegt: het is van Mij ?
Zeg het mijnentwege zo eigentijds als het maar te zeggen valt — want we zitten niet aan woorden vast — maar we willen in het koor van de zeventiende-eeuwers wel meezingen: wij dan gerechtvaardigd zijnde door het geloof hebben vrede met God door onze Heere Jezus Christus (Rom. 5:11); en 'ik ben met Christus gekruist, en ik leef, doch niet meer ik maar Christus leeft in mij?
Waarachtige verootmoediging en volle vreugde in Christus zijn onafscheidelijk. Prediking van schuld zonder open vensters naar het heil in Christus leidt tot fatalisme. Prediking van de vreugde zonder de verootmoediging, zonder het besef van onze schuld, van onze grote schuld, leidt tot 'billige Gnade', goedkope genade. In de belijdenis ligt het lied van het dogma. Laten we het mee blijven zingen.
Verstaan van God
Dit brengt me toch nog een keer op het verstaan van God. God kan niet anders worden verstaan dan zoals Hij zich openbaart. Waar zouden we Zijn Stem anders vernemen dan in Zijn Woord. Maar dan is onze innerlijkheid er ook nog, niet als bron voor dat verstaan, maar als plaats waar God Zich aan ons openbaart. Niemand kent de Vader dan de Zoon en die het de Zoon wil openbaren, zegt Christus. Hier gaat het om dingen — zegt Jezus in datzelfde verband — die voor wijzen en verstandigen verborgen zijn maar aan de kinderen zijn geopenbaard (Matth. 11 : 25). Is er binnen de gemeente, die naar de Naam van Christus is genoemd, niet ook dat existentiële moment in Gods openbaring, zodat mensen in het Aangezicht van de Heilige beseffen te staan (wij dan wetend de schrik des Heeren bewegen de mensen tot het geloof) maar ook in de lichtkring van het heil worden getrokken (Gods vriendelijk Aangezicht, geeft vrolijkheid en licht voor alle oprechte harten) ?
Is het niet zo, dat deze God binnen de ene verbondsgemeente wordt verstaan én niet verstaan en dat dit ook binnen de gemeente beslissend is ? Ik zou zeggen, het bevinden van deze God, het verstaan van deze God, is niet een bevindelijk extratje, dat voor bonders kenmerkend is, maar het is doorleefde kennis (hoe dan ook en in welke mate dan ook) van Gods kinderen. Ik vrees dat er een prediking is, die daar zozeer aan voorbijgaat, dat de gemeente het niet meer 'leert' en dat de leer aangaande deze dingen vreemde, niet begrepen klank wordt, waarop men nog slechts weet te zeggen 'zeventiendeeeuwse denkers'.
Ik las dezer dagen een pas uitgegeven boekje met gebeden van Karl Barth. Daarin zegt hij: wij prijzen en danken u, dat Gij ons zo gekozen en geroepen hebt, en dat Gij ook de God der verworpenen en niet geroepenen zijt en niet ophoudt om allen vaderlijk en oprecht aan te nemen. 'Is deze visie — zeker als ze overgenomen wordt door minder 'groten' — niet de doodsteek aan de bijbelse oproep tot geloof en bekering ? Wordt zo aan de prediking, als de verworpenen ook de verkorenen zijn (in Christus als de verworpene) niet de laatste ernst ontnomen ? Is daaruit niet te verklaren veel gezapigheid en onverschilligheid in (gemakshalve) de middenorthodoxie, waarover ook sommige briefschrijvers spreken ? We zouden hier weer eens nodig bij de Dordtse Leerregels in de leer moeten gaan, die weliswaar over de verwerping niet 'ibido modo' (op gelijke wijze) als over de verkiezing spreken maar die het geheimenis van de verkiezing (uit louter genade) én de verwerping (verloren gaan is eigen schuld) niet spanningsloos hebben gemaakt door uit te gaan van een verzoening van het al of van allen.
Met een alverzoening op de achtergrond predikt men een hemel zonder hel, heil zonder bekering en geloof, genade zonder oordeel, een boodschap zonder evangelie.
Het volk
Ik voel me gedrongen nog een derde punt aan de orde te stellen. Sommige briefschrijvers spreken over onze 'achterban'. Ik heb dat altijd een nare kwalificatie gevonden. God kent geen voor-en achterbannen. Daar is alleen de gemeente als lichaam van Christus, de gemeente naar Gods Naam genoemd. Tot die gemeente behoor ik en behoren alle dienaren van het Woord. Daar komen we uit op en daarmee zijn we één. Daar laten we ons niet uitpeilen, tegen uitspelen en niet van vervreemden door van een 'achterban' te spreken. Graag gooi ik het over een andere boeg. Er is een volk 'dat het geklank kent', wat iets anders is dan een volk dat klanken of termen kent. Door de eeuwen heen is door dat volk intuïtief instemmend gereageerd op zeg de orthodoxe, zeg ook de bijbels bevindelijke prediking. De orthodoxe theologie, of het nu die van de Reformatie of de Nadere Reformatie is, heeft altijd de ziel van het volk bereikt, een appèl op het hart van het gereformeerde volk gehad, juist ook als het niet naar de mond maar naar het hart van Jeruzalem sprak. Tot op vandaag worden de preken van Reformatoren en Nadere Reformatoren, van Kohlbrugge en de Schotse en Engelse schrijvers in groten getale uitgegeven en — de uitdrukking veel geprezen, weinig gelezen ten spijt — ook gelezen. Terwijl theologie en prediking van meer 'liberale', meer vrij-denkende theologen hoogstens nog in universiteitsbibliotheken terug te vinden zijn. Hiermee pleit ik niet voor een gemeentetheologie, maar wel voor een theologie en prediking, die de gemeente bereikt en haar aanspreekt in haar nood en schuld voor Gods aangezicht en haar onvoorwaardelijk heenwijst naar het heil in Christus en haar dan ook onvoorwaardelijk wijst op haar roeping in het leven, in de wereld. Op die prediking reageert een volk dat 'het geklank' kent of leert kennen. En tegen dat volk is helaas door de tijden heen tot op vandaag nogal wat aversie geweest. Of de trouw van de gemeente bij de gereformeerde prediking wordt sociologisch verklaard — agrarisch leefpatroon e.d. — ten spijt het gegeven, dat zelfs in de meest moderne stadssituaties de kracht van de orthodoxe prediking in haar gemeente vormend karakter ook nu manifest is. Moet de middenorthodoxie — als ik hier eens generaliseren mag, in navolging van enkele briefschrijvers — zich niet afvragen hoe , het komt dat ziji n grote delen van de kerk de greep op het volk is kwijtgeraakt. Ik bedoel dit niet te vragen vanuit een houding: 'bij ons is het volk nog', want de nood van het kerkelijk leven raakt ons allen; we kunnen de kerk niet in groepen opdelen, maar mogen wél de vraag stellen waar de oorzaak ligt van het wegsterven van gemeenten in de kerk.
Om nog één keer terug te komen op het volk, dat het geklank kent — en ik bedoel het niet groepsgewijs maar gemeente-gewijs — zijn daar dan geen rare pappenheimers onder ? Men kan de bond en men kan de middenorthodoxie karakteriseren door personen, die een karikatuur maken van wat de eigenlijke intentie van de bond of de middenorthodoxie is. Die kant moeten we niet op.
Maar verder, bij alle hebbelijkheden en onhebbelijkheden, die er in de gemeente kunnen zijn, sluit ik maar graag aan bij een uitspraak van dr. Ph. J. Hoedemaker — Amsterdams pastor aan het eind van de vorige eeuw, volop betrokken bij de theologiesche discussies en een voluit Hervormd man —
'Ik wens met Gods volk te leven en te sterven en heb niet nodig mijzelf één ogenblik te bedenken wanneer men mij vraagt: Hier hebt ge de beschaafde, methodistische, met de tijd meegaande christen en daarnaast een bekrompen, onhebbelijk, ouderwets, met vele vooroordelen bezet, maar toch innig vroom man, type van een afgescheidene uit de dagen van 1834, tot wien van beiden gaat uw hart uit ? Het bloed kruipt waar het niet ' gaan kan en ik behoor ongetwijfeld bij de man die het verdacht vindt dat ik de waarheid, waarom het ons beiden te doen is, anders uitdruk dan hij dit van zijn jeugd af gewend is geweest.'
Zoekt de bond eigen gelijk ? Waar dat zo, is graag het mes erin. De bond wil ipiet en voor de kerk — daar mag men hem tenminste op aanspreken — zoeken eerbied voor de Schrift, leven naar de belijdenis van de kerk, en waarachtige vroomheid. En in al deze dingen kennen we zelf ook ten dele.
P.S. In het algemeen wil ik van de reacties nog zeggen, dat ik het in zekere zin teleurstellend acht dat veel briefschrijvers zo weinig ingaan op de wezenlijke zaken, die wij in en met de kerk op het oog hebben en of zich beperken tot de dingen, die zij zelf marginaal achten of toch weer in een karikatuur vervallen. De meeste moeite heb ik, tussen twee haakjes, met de brief van mevrouw Haagsma omdat ik dat zo'n goede brief vind.
Ir. J. van der Graaf
Als ik zou moeten antwoorden op alle brieven, die 'Woord en Dienst' naar aanleiding van de briefwisseling tussen Van der Graaf en mij heeft ontvangen, zou ik een heel nummer van, ons blad vol moeten schrijven, en dat kan natuurlijk niet.
Ik beperk mij tot vier opmerkingen naar aanleiding van de briefwisseling en de reacties daarop:
1. Wat is voor ons, niet-bonders, het belangrijkste uit wat Van der Graaf geschreven heeft ? Voor mijn gevoel zijn dat op zijn minst twee dingen uit zijn tweede brief. In de eerste plaats: Van der Graaf wijst op het gevaar van een prediking, die wel spreekt over de geschonken gerechtigheid, maar die zwijgt over de innerlijke doorleving daarvan en die 'de ontdekking van Luther als een stand van zaken aan de gemeente meedeelt'. Daarom zegt hij dat 'de persoonlijke toeëigening van het heil in Christus door de Heilige Geest nodig is'. Dat ben ik allemaal met hem eens, maar mijn bezwaar is, dat hij het zo zegt, dat je de werking van de Geest heel gemakkelijk los kunt maken van de prediking van het Woord.
Ik zeg liever: als de 'geschonken gerechtigheid' werkelijk gepreekt wordt, wordt 'de innerlijke doorleving daarvan' daarmee gegeven, en de ontdekking van Luther' kan nooit 'als een stand van zaken' aan de gemeente worden meegedeeld, omdat zij krachtens haar aard een geestelijke ontploffing is, die de oude Adam uit zijn gemakkelijke stoel opjaagt, en die de nieuwe mens geboren doet worden. Uiteindelijk komt alles, maar dan ook alles op het geloof aan.
In de tweede plaats: Van der Graaf acht een nieuwe belijdenis niet bij voorbaat uitgesloten, en hij zegt: 'Mocht er zo'n nieuwe uitbarsting komen — met bijvoorbeeld Israël in het belijden — dan hoop ik van harte dat we present zijn'. Als dit waar is, dan betekent dat niets minder dan dat er beweging zou kunnen komen in volkomen vastgelopen fronten. Dit is iets om je adem erbij in te houden.
2. Ik zie dat ik weinig eer heb gelegd met mijn uitleg van wat Paulus over de vrouw zegt. Degenen, die voor de vrouw in het ambt zijn, zeggen: 'Laat Paulus er maar even buiten !', en degenen, die tegen de vrouw in het ambt zijn, zeggen: 'Zo gemakkelijk kom je niet van Paulus af!' Nu wil ik wel verklappen, dat ik mijn uitleg ontleen aan Barths 'Kirchliche Dogmatik' III-4 (zo, nu stijgen de papieren van mijn uitleg op de theologische beurs !), alleen de Dolle-Mina-variant is van mij. Ik zou allen, die het niet met mij eens zijn, bonders en niet bonders, willen vragen de pagina's 127— 269 van genoemd deel van de KD nog eens door te lezen, en bij gelegenheid eens te vertellen wat daar eigenlijk tegen in te brengen is. Ik waarschuw vast: je moét van zeer goeden huize zijn om iets steekhoudends tegen Barth in te brengen. Voor wie de KD niet bij de, hand heeft: de bladzijden over man en vrouw zijn onder de titel 'Mann und Frau' verschenen in de Siebenstern-Taschenbücher, onder nr. 18; en deze pocket is nog in de handel.
3. Mr. S. C. Graaf van Randwijck schreef mij, dat de Heidelbergse hoogleraar G. Jellinek in 1895 een geschrift heeft gepubliceerd onder de titel 'Die Erklarung der Menschen-und Burgerrechte. Een Betrag zur modernen Verfassungsgeschichte', en dat deze hoogleraar daarin betoogt, dat de rechten van de mens een vrucht van de Reformatie zijn, en niet van de Revolutie! Als dat waar is, is de Reformatie toch nog weer beter dan we gedacht hadden, en dat zal niet alleen Van der Graaf en mij, maar ook de lezers veel voldoening schenken. Als Jellinek gelijk heeft, moet ik mijn toornige woorden over de kerk, die eeuwenlang de Bijbel heeft gelezen, en nooit met een theocratische verklaring van de rechten van de mens voor den dag is gekomen intrekken.
4. Het is teleurstellend om te lezen, dat een briefwisseling als tussen Van der Graaf en mij eigenlijk geen zin heeft. We hebben allebei geprobeerd elkaar aan te spreken op wat we te zeggen hebben, en we hebben gepoogd elkaars bedoeling te verstaan. Dat lijkt mij de gulden regel voor het gesprek binnen onze kerk, en voor het gesprek tussen de kerken onderling. Er moeten wel heel goede redenen zijn om van deze gulden regel af te wijken. Zelf vond ik onze briefwisseling zinvol, maar als schrijver ben ik wel de laatste om daarover te oordelen. Het oordeel is aan onze lezers, want zij kunnen het beste bekijken of onze briefwisseling hen geholpen heeft om datgene te worden, waartoe alle leden van de Nederlandse Hervormde Kerk samen geroepen zijn: gemeente van Jezus Christus.
ds. A. A. Spijkerboer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's