De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De nood des tijds

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De nood des tijds

Prof. dr. W. J. Aalders

9 minuten leestijd

3

Stijlloosheid

De titel van dit artikel staat boven een volgend hoofdstuk van Aalders' boek Hij wil een nieuwe typering zijn van de nood van zijn tijd. En ik dacht, dat ook de onze daarmede kan worden weergegeven.

Stijl iets anders dan mode

Aalders begint met stijl streng te onderscheiden van de vluchtige veranderlijke mode. Stijl heeft het karakter van duurzaamheid en vastheid. Stijl komt uit in architektuur, in muziek, in levenspatroon, in klederdracht. Stijl wordt gekenmerkt door een grote mate van eenheid.

Een mens, wiens leven stijl vertoont is iemand, van wie men weet, wat men aan hem heeft en wat men van hem verwachten kan.

Daarentegen springt de stijlloosheid van de hak op de tak. Zij leeft van invallen en opwellingen, indrukken en ontmoetingen'.

In de bouwkunst zijn we de eenheid van stijl kwijt. We experimenteren. Massaliteit moet vaak dit gebrek verhullen. We ontberen stijl in onze levensgewoonten, omgangsvormen en taalgebruik. Bepaalde 'drachten' en boerderijtypen verdwijnen. Dat gemis is echter minder erg dan het gemis van geestelijke levensstijl t.a.v. wat waar en onwaar, goed en kwaad, gewijd en ongewijd is.

Gemis aan achtergrond

Men heeft alleen voorgrond. 'Er is geen zedelijke norm, geen goddelijk gezag'. Het zijn allemaal prikkels, die komen en gaan zonder eenheid van zedelijke overtuiging of godsdienstig geloof. Zodoende wordt de mens meer geleefd, dan dat hij leeft. Zijn leven wordt bepaald door 'de beweeglijke stroom der gebeurtenissen'. Zelfs de dienst van God verliest in de crisis van de tijd z'n stijl. Stijlvol is: wie niet voor Mij is; die is tegen Mij en: 'kiest u heden, Wien gij dienen zult'. Dat is iets anders dan een godsdienst, waar men aan 'doet' of die bepaald wordt door stetnming en b.v. muzikaal decor.

Maar de godsdienst, die geen stijl heeft, geeft ook geen steun. Het vaste punt ontbreekt in deze vloeiende massa van 'levensbetrekkingen'. Want het leven is 'zorg' en het neigt tot de dood'. Maar de confrontatie daarmede gaat er anders uitzien, wanneer men zich niet slechts omringd weet door een 'meer' van dezelfde stof, maar zich gebonden gevoelt aan een Meerdere van Hogere orde.

Waarde der traditie

Stijlloos wordt het leven ook, waar de met eerbied aanvaarde schat van het verleden ontbreekt. Niet alsof dat verleden maatgevend zou zijn. Dat is alleen Godzelf. Ook niet alsof er iets goeds te zeggen zou zijn van de sleur, die geen plaats laat voor het initiatief. Maar het gaat wel om een continuïteit, die zich telkens vernieuwt. De traditie rekent met het grote kapitaal van geestelijke en stoffelijke goederen, dat in de geschiedenis is opgetast en waarvoor de wisselende generaties van gebruikers verantwoordelijk zijn.

Ons leven wordt stijlloos, wanneer het niet is 'opgenomen in een breder en dieper levensverband'. Traditie veronderstelt geestelijke eenheid, 'Geen bloei van geest is mogelijk zonder kracht van traditie' zo citeert Aalders Just Havelaar. Dit is het tegenovergestelde van een zelf-cultuur, die gezag niet weet te onderscheiden van macht, vrijheid verwart met ongebondenheid en zelfstandigheid met opzichzelf-staan.

Traditie drukt de persoonlijkheid niet dood, maar begeert aan het leven zin en steun te geven. Plato zag reeds dat gezagloosheid leidt tot tyrannie. Achter geen van beide schuilt een hoger beginsel. Zij houden geen rekening met hetgeen de onderstelling van alle werkelijke eenheid is: de betrekking van mens en wereld tot God. Aalders verwijst dan naar Nationaal-Socialisme en Communisme.

Geen individualisme

De rechte tegenpool tegen deze systemen is niet het individualisme van de globetrotter, die nergens thuis is juist omdat hij overal thuis is; van de mens, die tegenover alles tolerant is, en alles begrijpt, omdat hij niets echt liefheeft. 'Alles begrijpen is alles vergeven' is een zinloze spreekwijze. Waar alles begrepen wordt, wordt vergeving overbodig. Het woord vergeving wordt zodoende ontwijd en uitgehold. Vergeving is juist de schijnbaar willekeurige daad der liefde, die wat is laat gelden alsof het niet was, en wat niet is laat gelden alsof het was. Vergeving is een wonder. Zij heeft niets gemeen met een tolerante geestesgesteldheid, die 'deels uit onverschilligheid, deels uit nieuwsgierigheid, deels uit ziekelijke gevoeligheid bestaat' (Nietsche).

Aan de stijlloosheid ontbreekt de 'eenheid van leven, die slechts bestaanbaar is als dat leven verband houdt met een bredere sfeer, waaraan het zijn stof en kracht, zijn rythme en richting ontleent'. Men dreigt anders te gaan leven van sensatie en emotie. Men leeft van prikkels en wordt overprikkeld.

In onze tijd vindt men het belangrijk na te gaan (op grove wijze) hoé de mens op alle mogelijke prikkels en confrontaties reageert (sensivity-training). Dat is dan belangrijker dan een in duurzame geestelijke goederen verankerd levenspatroon.

BODEMLOOSHEID

Fundamentele vragen

De bekende wijsgeer Kant heeft er kort enkele op eenvoudige wijze geformuleerd. Wat kan ik weten? Wat moet ik doen? Wat mag dk hopen? Dat zijn vragen niet alleen voor diepe denkers, maar ook voor de meest eenvoudige ziel. Als het er op aankomt is er niet zoveel verschil tussen beide. Want de fundamentele vragen raken, de mens in de mens zijn liefliebben en haten, zijn verantwoordelijkheidsbesef en roeping, zijn betrekking ten opzichte van de eeuwigheid en van God.

Het is juist de Bijbel, die dieper en uitnemender dan alle wijsgeren die diepste levensvragen aan de orde stelt. Daar komen we wonderlijk diepe woorden tegen: mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God. Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? De apostel Paulus is verzekerd, dat geen schepsel hem zal scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.

De stijlloze mens staat vreemd tegenover zulke diepe en onwankelbare achtergronden, waartoe 'men niet dichtend en denkend 'komt en besluit, maar waarvan men gelovend en liefhebbend uitgaat'. Hij kent alleen projectie's van zijn eigen geest. Vandaar zijn oppervlakkigheid. Omdat hij geen Hogere Macht tegenover zich en boven zich ziet en erkent, ontbreekt bij hem het besef van afstand, eerlaied, ontzag, ootmoed en aanvaarding met dankbaarheid en overgave.

De mens zonder God

Het leven wordt dan een alleenspraak van de mens. Desnoods erkent hij, onder de indruk van verwoestende gebeurtenissen, een daemonische achtergrond. Maar dit is iets anders dan een goddelijke achtergrond, die de absolute scheiding maakt tussen goed en kwaad, heilig en onheilig. Het gevolg is, dat de mens een opzichzelf staande wereld overhoudt, ont-good, ontgeest, ont-zield, een mechanisme, dat geen antwoord geeft op de vraag naar de zin van ons leven en handelen. Men probeert dan in de taak van het ogenblik een doel te vinden, al is het leven zelf doelloos. De wereld schijnt immers vaak een heksenketel of een gekkenhuis te zijn. En niet alleen het denken van de cultuurmens, maar ook aangrijpende gebeurtenissen in eigen levenskring plaatsen zelfs de eenvoudigste mens voor levensvragen, waar hij geen raad mee weet. Vooral als hem het grote adres ontbreekt, waartoe hij zijn vragen kan richten: God.

Die goddelijke levensbodem ontbreekt hoe langer hoe meer aan de kinderen van onze eeuw. De wijding van de arbeid, de opheffing van 't natuurlijke leven tot de Bron des levens in het tafelgebed bijv. ontbreekt. De krant verdringt het gebed. De zondag dient alleen de ontspanning i.p.v. de inkeer tot zichzelf en de terugkeer tot God, Bijbel, kerkboek en godsdienstoefening, het bewaren van gees­telijke erfenissen uit het voorgeslacht, ontbreken. Doop, belijdenis. Avondmaal, de voor God gesloten huwelijksverbintenis, het beleven van ziekte en sterven in de gemeenschap met God en in het licht van Zijn beloften, zijn er niet meer, omdat God een X en de eeuwigheid een leegte betekent. Het leven gelijkt dan op een spiegel, die alleen weerkaatst wat zich er vóór plaatst, maar er zit niets achter. Deze oppervlakkigheid doet de mens ondergaan in de 'men'.

Vroeger kwam de persoonlijkheid van de enkele mens meer tot zijn recht. Al was het alleen al door het bewustzijn, dat ieder persoonlijk het beslissende examen mortis (het examen, van de dood) moest afleggen. Dat gaf aan het leven z'n diepgang, z'n spanning, z'n waarde. De existentiefilosofie van b.v. Heidegger richt zich wel op het concrete en reële menselijke bestaan, maar vindt niet de weg naar de vaste bodem, die onwankelbaar aangeeft, wat de waarde en de maatstaf van het leven is.

Het geweten

De mens, die God losgelaten heeft, zoekt zichzelf een nieuwe hemel op te bouwen en daarin voor het geweten een troon op te richten. Dat geweten van de enkeling wordt een laatste beroep. Het gezag van God wordt vervangen door een imperialistisch gekleurd gezag van de mens.

Maar: welk gezag heeft de stem van de enkeling? Want ieders geweten wordt medegevormd door een toevallig complex van betrekkelijke gegevens. Daardoor wordt het toch niet absoluut. Zo gaat het besef van volstrekte verplichting, van een laatste beslissing teloor. Wat is trouwens de mens?

Wat is de mens?

Als die mens niet de door God geschapen beelddrager Gods is, dan komt vanzelf de vraag, waar die mens zijn identiteit vandaan heeft en door welke factoren hij wordt bepaald.

Een van die factoren is de techniek, primitief of ingewikkeld, een techniek, die met haar methodiek ook op geestelijk terrein doordringt, zodat zij zelfs overal de leiding neemt. Zij respecteert geen natuur-of zieleleven. Ze mechaniseert de wereld en ontzielt en vergrooft de mens.

Men spreekt in de oorlog van 'mensenmateriaal'. Bij werkloosheid van 'arbeidsreserve'. Zijn waarde wordt bepaald door vraag en aanbod. Dat is heel iets anders dan de waardebepaling, die gemeten wordt aan de eeuwigheidsbestemming van de mens, zijn waarde voor God.

Tevergeefs tracht men de mens zijn waarde te doen ontlenen aan het grote geheel, waarin hij zijn plaats vindt. Want het leven zèlf is losgeslagen van zijn ankers. Daarvan schrijft Aalders: 'Het missen van wortels in enige bodem, het ontworteld zijn, acht ik een vloek van deze tijd'. Als de dichter Rilke de gelijkenis van de verloren zoon navertelt, laat hij hem, na zijn terugkomst, opnieuw de wereld ingaan. De mens immers voelt wel de onrust van zijn zwerven, maar hij wil zich niet binden, althans niet aan een Iemand met z'n aanspraken en verantwoordelijkheid'. Dit geestelijk isolement is de vrucht van een voortgaand proces, dat in 1934 reeds door Aalders gesignaleerd werd en dat nog steeds doorgaat. De vorm laat nog lang iets anders vermoeden. Maar van binnen is het proces reeds voortgeschreden. De stam van de boom is vermolmd en zijn wortels hechten niet meer in de grond. Als de storm komt, valt hij. Aalders denkt aan het slot van de bergrede.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De nood des tijds

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's