Een koninklijk priesterdom
Pastorale overwegingen
1
Ambten en bedieningen
Wanneer we samen nadenken over de plaats en de taak van de gelovige in de gemeente, dan komen we een grote verscheidenheid tegen. Niet ieder kind des Heeren staat of komt in het ambt. Ik dacht wel, dat ieder van de ware gelovigen wel eens ernaar verlangd heeft. Wanneer ons de nood op het hart wordt gebonden van God te moeten en niet te kunnen ontmoeten, maar wanneer bovenal gedeeld wordt in de liefde van Christus, dan zouden wij zo wel de preekstoel op willen om te verkondigen de heerlijkheid van de Heere Jezus. Ik heb een vrouw gekend, die, overweldigd door het eeuwige wonder, dat er ook voor haar een Borg was, zei: 'was ik nu maar een man, dan werd ik dominee, om met grote lust Hem aan te prijzen'. Naderhand zei ze wel eens: 'gelukkig dat God me ervoor bewaard heeft, ik was een hele slechte geweest'. Ik denk, dat menige lezer(es) daarin mee kan komen. Wie het verlangen noooit kende, mag zich wel eens onderzoeken, of er echt geloof in het hart is (geweest). Maar niet ieder wordt door de Heere geroepen, niet ieder kind van God is ook nog geschikt voor het ambt.
Spreken we over het ambt, dan denken we wellicht aan dat van predikant, ouderling en diaken, zoals er vroeger onder Israel profeten, koningen en priesters waren. De Heere Jezus is de Ware Ambtsdrager, Die al de lijnen samentrekt in Zich en Zijn bediening ook weer doet uitgaan over deze drie ambtsdragers. Tevens is Hij ook de tweede Adam, Die herstelde wat de eerste Adam als gevallen ambtsdrager-geschapen naar Gods beeld, immers, in ware kennis, gerechtigheid én heiligheid — verknoeide, en Die vervulde, wat de eerste naliet.
Maar naast de ambten zijn er ook bedieningen. Prof. Haitjema heeft daarover duidelijk geschreven in zijn 'Nederlands Hervormd Kerkrecht'. We kennen in onze kerk immers ook evangelisten voor het getuigenis tot Israel, werkers onder de^ van de kerk en het Evangelie vervreemden, zendingsmensen, jeugdwerkleiders, catecheten, pastorale medewerkers.
Een tweevoudig verschil
Prof. Haitjema wijst er op, dat terwijl er bij het ambt duidelijk sprake is van 'een tegenover de gemeente' — want in de ambten wordt de Heere Jezus vertegenwoordigd naar Zijn instelling de bedieningen voorbeelden en verbijzonderingen zijn. Er zijn gemeenteleden, die door God met genade en gaven zijn begiftigd en op bovengenoemde posten de gemeenten van groot nut zijn. Tevens zou men ook kunnen zeggen, dat bij de bedieningen wel een heel sterke nadruk valt op de zendingstaak van de gemeente onder de jeugd, de on-en ook buitenkerkelijken, en onder allen, die (nog) niet geloven in de Heere Jezus als Zaligmaker. Bij de overwegingen destijds over dit verschil is in de synode ook opgemerkt, dat terwijl door de ambten de regeermacht der Kerk wordt uitgeoefend daarvan bij de bedieningen geen sprake is. Bovendien is het (drievoudig) ambt voor de gemeente van wezenlijk belang en ook blijvend, terwijl bedieningen naar behoefte en omstandigheden kunnen worden ingesteld. In iedere gemeente is vaak de situatie weer anders. Kennen we — om maar meteen bij de praktijk te komen — in Katwijk de vertrouwde figuur van 'rouw-en trouwouderling', elders is deze niet (bekend), maar is weer bij voorbeeld een evangelist in opbouw — of nieuwe wijk bezig.
Dienen waar dan ook
Mogelijk kunnen er ook onder de nieuwe leden der kerk zijn, die geroepen worden tot een taak. Er zijn in vele gemeenten nog (zelfstandige) kerkvoogden, notabelen, er zijn kosters en organisten, mensen voor de kerkelijke administratie, concierges, wijkbezoekers, och zoveel taken en mogelijkheden. Wie Openbare Belijdenis aflegt, moge bedenken dat te zijner tijd de kerk of gemeente een beroep kan en mag doen. Want we beleden binnen een bepaalde gemeenschap, binnen een concrete kerk of gemeente. En is niet elk geroepen zijn gaven en talenten voor het geheel en ten nutte der gemeenschap te besteden ? Christus kwam niet om gediend te worden, maar om te dienen. Dat deed Hij geheel enig, als Middelaar, maar Hij stelde tevens ook een voorbeeld. Heeft niet elke christen om zo te zeggen iets van Christus, in nederigheid, vriendelijkheid, behulpzaamheid ?
Twee gevaren:
Enerzijds moeten we, met alle hartelijke waardering van de ambten als instellingen Gods oppassen voor hoogkerkelijkheid. Als het de kerk maar is ! Als het het ambt maar is ! Anderzijds vreze men ook voor een verschrikkelijke uitholling van kerk en ambt. Het schijnt voor sommigen het summum der godsvrucht te zijn de preekstoel op te mogen ! Artderzijds is ook het Woord van God niet opgesloten in de (liturgische) ruimte van de kerk. Niet zonder straf zal men Gods instellingen verachten. Maar ook: niet zonder onvruchtbaarheid zal men, als het om het getuigezijn gaat, zeggen: daar hebben we onze dominees/ouderlingen voor. Zondag 49, die ons wijst op de gewilligheid der engelen, strekke ons tot onderwijs.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's