De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De nood des tijds

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De nood des tijds

Prof. dr. W. J. Aalders

9 minuten leestijd

4

Decadentie

Het is een breed en interessant hoofdstuk, waar dit trieste woord decadentie boven staat.

Aalders wil daarmede de nood des tijds aanduiden, omdat deze niet zozeer politiek of economisch van aard is, maar omdat de mens in zijn mens-zijn zelf wordt aangevreten en uitgehold'. Die mens ontbeert innerlijke zekerheid ten aanzien van het leven en de wereld. Hoe zou hij die ook hebben zonder godsdienstig geloof!? Alleen door de kracht van Gods Heilige Geest Zelf kan de mens staande blijven zonder te wanhopen.

Velen redden zich met een compromis. Dan neemt men het leven zoals het nu eenmaal is en huldigt de leuze: leven en laten leven, waarbij de slechten de nadruk leggen op het eerste, de besten op het laatste. Maar in beide gevallen drijft men mede met de stroom van het leven als kudde-dier of als asfaltmens. Vooral de laatste denatureert. De asfaltmens kent zefs het rythme van de natuur niet meer. Zijn leven vergrooft door gemis aan persoonlijke overtuiging, familiegevoel, arbeidszin of idealisme. Hij kent geen uitvoerige uitwisseling van gedachten en gevoelens. Hoogstens discussie.

Gebrek aan concentratie

Deze blijkt b.v. uit wat men leest: treinlectuur, die alleen prikkeling of verstrooiing biedt, de krant met haar opmaak als enig 'geestelijk' voedsel.

Liever nog dan door de lectuur laat men zich, louter receptief, bezighouden door de film, die zich gaarne beweegt op, zo niet over de rand van het geoorloofde en betamelijke. Men zoekt de vlucht uit de werkelijkheid i.p.v. moed en kracht om de werkelijkheid opnieuw te aanvaarden en op te heffen. Integendeel, na de film vindt men de werkelijkheid eentoniger en fletser dan ooit.

Die vlucht uit zich ook in de hartstochtelijke belangstelling voor de sport. Maar dan als kijkspel. Ook het overmatig gebruik van de radio is dikwijls alleen de zucht naar verstrooiing 'de uithuizigheid in de vorm van huiselijkheid'. Aalders zegt: 'men is geestelijk uithuizig.'. Evenals de vrouw, diè in haar huis geen bevrediging vindt, altijd aan de deur staat of uit het venster kijkt, zo staat menieen altijd op de grens van z'n innerlijke leven. Het geeft hem niets. Hij kijkt er altijd van af, naar buiten, waar tenminste iets gebeurt, hoe of wat dan ook. Aalders ziet dit als een decadentie-verschijnsel, waarbij het zinnelijke het geestelijke, het uiterlijke het innerlijke dooddrukt.

De mens is zichzelf kwijt. Hij is decadent in het zoeken van de ontspanning, die meer voor hem betekent, dan het werk, waarvan hij zich ontspant. Men is ook z'n besef van verantwoordelijkheid kwijt. Aalders citeert: 'alle werkelijke verantwoordelijkheid is opgeheven, omdat men zich alleen voor zichzelf verantwoordelijk acht' (Giesenbach).

Godsdienstige decadentie

Aalders bespeurt deze, ook waar men nog wel 'aan godsdienst doet*. Dat 'aan godsdienst doen' is op zichzelf reeds decadent. Ik moet geen godsdienst hebben. Maar de godsdienst heeft mij', zo zegt hij. Zij is een zaak van alles of niets. Godsdienst is geen zaak van 'vinden' en van waarderen. 'Het is er een van liefde of haat. Hij wil niet aesthetisch worden genoten of intellectualistisch begrepen of zelfs ethisch beoefend. Zonder dat spreekt men schijnbaar over God, maar inderdaad over zichzelf'. Dat wordt een godsdienstige ramp. 'In de godsdienst wil ik juist van mijzelf loskomen en mij toevertrouwen aan den Sterkere dan ik, de alleen-sterken God'.

Het Christendom heeft ons geplaatst voor de tegenstelling van de Majesteit van God en de zondigheid van de mens. Maar tegelijk ook voor de God-mens met het mysterie van de verzoening en de verlossing. Maar dan door het persoonlijke ingrijpen van God in deze wereld. De moderne tijd vereenzelvigt het goddelijke met het menselijke. Dat betekent decadentie. Des ter erger, omdat dit heidendom na-christelijk is en daarom meer geforceerd dan toen Christus nog niet verschenen was.

Ook de moderne mens voelt, dat hij het leven niet kan berekenen of beredeneren. Maar hij valt terug op het oude 'noodlot'. Wat een verschil tussen deze combinatie van twee sombere woorden 'nood' en 'lot' en daartegenover het, de werkelijkheid trotserend en de wereld veroverend, geloof in God den Vader.

Niet beter dan het woord 'noodlot' is het veelgebruikte woord 'daemonisch' als aanduiding van buiten ons bereik liggende, maar volkomen onberekenbare machten. Athanasius, de kerkvader, heeft al de opmerking gemaakt, dat, als de zon ondergaat, de duisternis weer veld wint. Dat zien we ook nu. De eens verjaagde machten, noodlot en demon, tragiek en karma (Boeddhisme) komen terug.

De troostrijke belijdenis van Gods almachtige en alomtegenwoordige kracht, waardoor alle dingen niet bij geval, maar van Zijn vaderlijke hand ons toekomen, kent men zelfs bij name niet meer. Vertwijfeling en zelfbewuste uitdaging tegenover dat levenslot wisselen elkander af. Maar zij kennen geen van beide de geloofsbelijdenis, dat wij in tegenspoed geduldig en in voorspoed dankbaar zijn mogen, met het vertrouwen op onze getrouwe God en Vader, dat ons geen schepsel van Zijn liefde scheiden zal.

Voor het geloof der kerk wil Aalders het opnemen, al weet hij, dat ook zij door decadentie bedreigd wordt. Zij bestaat immers zelf ook niet anders dan bij de gratie Gods. Wanneer zij niet daaruit leeft wordt zij een vereniging van idealisten of brave lieden. Soms verliest men ook de vorm van een, aan God gebonden, critische instantie tegenover alles, wat van de wereld is. Dikwijls wordt de vorm wel vastgehouden, soms zelfs des te vaster, naar mate de inhoud minder als werkelijk beleefd wordt. Dan ontstaat een rustige, zelfgenoegzame houding, conservatief en retrospectief (terugblikkend), die eveneens decadent is, zonder werfkracht en strijdlust, alleen verwervend, niet aanvallend. 'Zij mist de grote passion des ames, de hartstocht voor de zielen— de eigene zo goed als van anderen — die onrustig maakt en bewogen'.

In deze religieuze decadentie ligt de kiem van de ziekte. Daar zal de genezing moeten aanvangen.

Zedelijke decadentie

Ook het terrein van de zedelijkheid is door de decadentie aangetast. Lang heeft men dit als een van de wil en de Wet van God onafhankelijk terrein willen handhaven. Men sprak dan van de majesteit van het geweten. Maar vanwaar het volstrekte gezag bij een betrekkelijk en veranderlijk wezen als de mens is? Al schijnt de zedelijkheid nauwer met de werkelijkheid van het dagelijks leven verbonden te zijn dan de godsdienst, zij moet toch ook telkens retireren en houdt tenslotte 'het fatsoen' over.

Onze tolerantie als het grote gebod berust op indifferentie (onverschilligheid). Zij komt niet op uit de ootmoed, die weet evenzeer zondaar te zijn als de ander; maar uit een gemis aan maatstaf van goed en kwaad, een relativering van motieven en daden zonder maat. In naam der menslievendheid wordt de mens het beste ontnomen: zijn verantwoordelijkheid. Decadent is daarom ook, als uit de straf het element der vergelding wordt weggenomen.

Datzelfde geldt ook ten aanzien van het sexuele leven. Men laat de beslissing aan 'neiging en behoefte, zonder de tucht van plicht en trouw', zonder de bindende kracht van vrijwillig gedane beloften en zonder zelfverloochening als het a.b.c. van het zedelijk bestaan. Men analyseert en experimenteert, totdat men het schaamtegevoel met z'n belangrijke taak als grenswachter, verdrongen heeft. Men heeft geen besef van iets, 'dat moet worden ontzien en gehoorzaamd, 'ook ten koste van eigen voldoening en bevrediging. Men leeft ook op zedelijk gebied van de hand op de tand. De neiging van het ogenblik neemt de leiding ten koste van de wet van de geest en de duurzaamheid der levensbetrekkingen'.

Decadentie overal doordringend

Zij dringt ook door op het terrein van de wetenschap. 'Er is geen weten zonder geweten'. Aalders haalt aan: science sans conscience n'est qu'une ruïne de 1 ame (weten zonder geweten betekent slechts een bederf voor de ziel). De wetenschap is de overtuiging kwijt van de eenheid van zijn en van zin in de verscheidenheid van sferen en krachten. Zij dreigt haar eenheid kwijt te raken, omdat zij de werkelijkheid kwijtgeraakt. Wat overblijft is dan vakstudie .

Ook de cultuur mist eenheid. Zij mist een achtergrond van geestelijk leven. De strakke lijn is menigmaal geen gestyleerde rijkdom, maar armoede onder de schijn van beheerstheid.

Op het gebied van het sociale leven schijnt de orde te overheersen. De ambtenaar verdringt de vrije burger. Maar deze orde is altijd betrekkelijk en daarom onzeker. Zij heeft geen karakter en daarom is de samenleving vatbaar voor elke indruk, die z'n stempel op de vloeiende massa zet. 'In een desperado-stemming is men rijp voor de meest gewaagde experimenten. De enkeling verliest zich in een massa die zich aan een leider toevertrouwt, zonder dat er een hoger gezag is, waardoor leider en geleiden zich buigen'. Hier verliest de mens zichzelf. Zal hij zich terugvinden? Waar en hoe?

De mens kan zich ook verliezen in de eenzaamheid met een mengeling van lichtzinnigheid en wanhoop. Waar zal hij moed scheppen? 'Noodlot en daemonen zijn geen heiligen, allerminst beschermheiligen. Men kan hen niet vertrouwen. Men kan niet tot hen bidden'.

In beproeving weet men alleen zo iets als 'je goed houden'. Hoe banaal vergeleken bij de rijkdom van het geloofsleven. In het aangezicht van de dood heeft men geen woord. De laatste ernst wordt doodgezwegen in een vlucht voor de diepere levenswerkelijkheid.

Eigenlijk is deze levenshouding onzakelijk. Zakelijk zijn de vragen naar de zin, het doel en de betekenis van werken, leleven en lijden.

Pslam 89 stelt al de vraag: zou 't mensdom dan vergeefs op aarde zijn geschapen? Paulus concludeert, dat, indien in Christus niet de overwinning bereid is, er weinig anders over blijft dan eten, drinken en vrolijk zijn, omdat het leven zinloos is en dus onzinnig.

Pascal heeft over de misère van de mens veel nagedacht. Hij ziet het leven van jongs af volgepropt met opdrachten en bezigheden, opdat wij maar niet zullen denken ovef onszelf, over vanwaar en waarheen. De mens mist de waarachtige rust. Op de bodem van zijn hart wonen verveling en wanhoop. Daarom zoekt hij verstrooiing experiment, uitgelatenheid. Hij verschuilt zich vaak achter ironie. Sommigen beginnen als fanatieke idealisten en eindigen als gedesillusioneerden. De mens voelt zich 'geworpen' op deze wereld en 'geschoven' in dit leven. Niet geleid of geroepen. Daarom probeert men maar wat van het leven te maken en blaast kleinigheden op tot belangrijke zaken.

Wat hoofdzaak moest zijn wordt een zaak van liefhebberij. Men doet aan religie, artistiek, literair, oosters, exotisch. Of men zoekt het in allerlei werk, sociaal, politiek, philanthropisch.

Een hogere roeping of bestemming schijnt niet van deze tijd. Maar met welk recht wordt onze tijd een maatstaf voor de diepste levensvragen? Is hij beter dan voorgaande? Alleen de aanraking met Hem, Die der tijden Heer is, brengt ons van de decadentie naar de ascendentie, van de neergang naar de opgang.

Ook in dit hoofdstuk treft ons hoezeer deze in 1934 geschreven analyse in vele opzichten van toepassing is op onze tijd; alleen door de jaren '40-'45 is het proces versneld en verhevigd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De nood des tijds

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's