Uit de pers
Schriftgezag
Enkele maanden geleden hebben de Geref. kerken een conferentie belegd waar Ridderbos en Kuitert gesproken hebben over de problerfien die de Geref. kerken verdeeld houden. De gehouden inleidingen en een verslag van de discussie zijn gepubliceerd en hebben hier en daar in de kerkelijke pers wat aandacht gekregen. Vergis ik me, als ik zeg: Toch minder dan men misschien vermoed heeft ? Komt dat omdat men in die zin 'uitgepraat' is dat er geen nieuwe argumenten meer ter tafel komen in de discussie tussen de Geref. theologie en de nieuwe theologie ?
Nu heeft ds. H. J. Hegger in het mei-nummer van In de Rechte Straat uitvoerige beschouwingen gewijd aan deze conferentie. Hegger wijst erop hoe naar zijn mening door Kuitert de leer der Reformatie als een achterhaalde zaak gezien wordt. Hij baseert zich daarvoor op uitlatingen van Kuitert, ter conferentie gedaan over de verkiezing. Kuitert zei toen o.m.: ... het probleem van de uitverkiezing en verantwoordelijkheid, de ouderen onder u wel bekend. Ik moet daar op college niet over beginnen. Geen student die er iets in ziet of ook maar weet waar het over gaat'. Nu is het me niet duidelijk geworden in welk verband Kuitert dit gezegd heeft. Maar het is op zich een vreemde zaak dat men op die manier spreekt over wat in de kerk toch'altijd beleden is als het 'hart van de kerk'. 'Hegger wijst erop hoe hier een heel ander verstaan van de Schrift achter zit. Reformatorisch belijden zegt: Christus is de waarheid, onafhankelijk van ons. Op Hem kunnen wij vertrouwen midden in deze turbulente tijd.
En juist dat wordt door de moderne theologie ontkend. Hij mag ons gezag zijn, niet omdat Hij iets zegt, maar om wat Hij tot ons zegt. De moderne mens wil geen gezag buiten zichzelf erkennen. En de kerk heeft dat maar te aanvaarden. De kerk moet zich daarbij aanpassen.. Prof. Ridderbos beschrijft die houding van de moderne theologen aldus:
'In de conformiteit met de Schrift lag voqr de kerk het einde van de tegenspraak; en dat beginsel wordt nu zeer sterk aangevochten. Men zegt: ie bijbelse boodschap zélf, zoals zij in de Schrift tot ons komt, kan men niet zonder meer normatief stellen voor de prediking, laat staan voor de theologie, want ook die Bijbel heeft geen direkt gezag als openbaring van God. Zij komt immers tot ons in allerlei vormen, voorstellingen, denkkaders die karakteristiek waren voor een bepaalde tijd, die dienst deden voor de toenmalige geloofsbezinning op het heil, maar die voor ons als zodanig geen bindende betekenis meer (behoeven te) hebben' (15 : 1).
Deze valse opvatting over de Bijbel wórdt zonder blikken of blozen door Kuitert verkondigd:
'In de Bijbel kom je mensen tegen, die in termen van hun eigen tijd — en dat is 'n hele lange tijd geleden — hun ontdekking van God uitspreken en onder woorden brengen. Dat is kennelijk de bijbel: en historisch bepaalde manier van spreken over een aan de historie zelf opgedane ervaring van God' (9 : 2).
Daartegenover stellen wij met de kerk der eeuwen: de Bijbel is niet het verhaal van menselijke ervaringen van God, maar van goddelijke openbaring aan mensen. Christus is de waarheid in Zichzelf, en het is genade dat Hij waarheid wilde zijn voor ons, om ons te trekken uit de leugenachtigheid van. heel ons zondige bestaan. Maar Kuitert beweert: De Bijbel kan niet dienen als axioma uitgangspunt) dat aan het geloof voorafgaat' (8:2).
Kuitert zegt wel: Christus is de maatstaf'. Maar hij voegt er dan aan toe: Deze maatstaf heeft zijn neerslag gevonden ... in de Heilige Schrift' (46 : 3). Daarmee is het gezag van de Bijbel geheel afhankelijk gemaakt van ons. Wat betekent immers het v^oordje 'neerslag' in een uitdrukking als deze: De neerslag van dit bezoek aan Amerika vindt men in zijn roman? ' Dat wil alleen maar zeggen, dat je aan die roman kunt merken dat de schrijver in Amerika geweest is. Maar hoe Amerika er precies uit ziet, kom je uit dat boek niet te weten. Dat is ook niet de bedoeling van een roman. Daarvoor zou je een aardrijkskundeboek of een geschiedenisboek over Amerika moeten lezen. Zo kun je in de Bijbel wel merken dat de schrijvers een echte Godsontmoeting hebben gehad. De neerslag daarvan kun je vinden in de Bijbel. Maar meer betekent die Bijbel dan ook niet voor onze Godskennis.
Zo wordt de Bijbel ook niet meer dan een vage religieuze inspiratiebron op de achtergrond van ons denken. In diezelfde geest wilde men ook het Evangelie zien als vage inspiratiebron op de achtergrond van het politieke programma van de CDA. Je geeft dan een vroom knikje naar de Bijbel, maar kunt dan verder volkomen je eigen gang gaan en evengoed de heilige geschriften van de andere wereldgqdsdiensten als gelijkwaardige inspiratiebronnen naast de Bijbel aanvaarden.
Kuitert wil de moderne mens tegemoet komen, die niet meer wil weten van een gezag buiten hem.
'Wij leven in een wereld, waarin de mensen niet meer op autoriteit afgaan, ' maar waarin ze vragen naar de redenen, die jij voor je gedrag hebt, je argumenten' (24 : 2). 'Ik geloof niet in een van buiten opgelegd gezag van welke traditie ook. Het gezag van, de bijbel is de macht, die de bijbel over ons heeft, tot en met vandaag, om onze levens te richten, te openen, om ons te helpen de weg te zoeken. Dat gezag komt niet van buitenaf' (25 : 3).
Daarmee is de Bijbel — en Christus Zelf, want we kunnen Hem alleen uit de Bijbel kennen — afhankelijk geworden van onze bevindingen. Het gezag van de Bijbel staat en valt dan met de vraag of de inhoud ons iets doet, ja of nee; of we met dat geloof wel varen.
Inderdaad zitten we hier in het hart van vele vragen. En wie in onze tijd aandacht vraagt en erkenning van het reformatorisch standpunt inzake de verhouding van Woord en Geest, ook in de vragen van Bijbelgezag en vertolking, heeft de wind tegen. Een modernistische tendens die toch eigenlijk menselijk denken, modern levensbesef, veranderd klimaat etc. autonoom achten is aan veler theologisch denken niet vreemd.
Elders in dit nummer klaagt Hegger er over dat de Bijbel zelf op deze driedaagse conferentie zo weinig ter tafel is gekomen. Dat lijkt me symptomatisch niet alleen voor deze vergadering, rnaar voor vele discussies. Wij praten over... en noemt u maar op wat u wilt, ook over de Bijbel, maar we zetten ons zo weinig tot luisteren naar wat de Schrift zegt. Reformatorische theologie behoeft echt niet te betekenen een klakkeloze herhaling van het verleden. Maar reformatorische theologie staat en valt wel met deze gelovig-eerbiedige luisterhouding. Laten we niet meer willen zijn dan leerling van de Schrift.
Geloofszendingen
Het zendingstijdschrift Vandaar (mei '76) bevat o.m. een artikel van dr. I. H. Enklaar over die bewegingen die we plegen aan te duiden met het woord 'geloofszendingen'. Wat verstaan we daaronder ? Het is geen overbodige vraag. Geloofszendingen beleven in onze tijd een grote bloei. Een dertigtal sloot zich sinds 1972 aan een tot de stichting 'Evangelische Zendings AUiantie' (EZA). Enklaar geeft de volgende schets over deze zendingsbewegingen
In het algemeen duidt deze naam op het grondprincipe van het vaste geloof, dat 'God in al onze behoeften naar zijn rijkdom heerlijk zal voorzien' . (Filipp. 4:19). Wat waarlijk nodig is voor de financiering van-de arbeid, dat geeft Hij. Geen propagandaacties, geen gebedel, geen garanties van kerkelijke kassen, geen reserves. Wel vurig gebed en een onbeperkt vertrouwen.
Dan gebeuren er ook vaak wonderen van hulp in uiterste nood.
Nu kan dat 'geloofszending' natuurlijk een onaangename indruk wekken. Want het lijkt in te houden dat andere zendingsorganisaties geen of te weinig geloof zouden hebben. Men wil er echter bepaald niets door insinueren ten aanzien van anderen, maar acht dit voor zichzelf althans de enig nodige houding en methode. Het gaat bij de geloofszendingen trouwens volstrekt niet alleen om de financiële kant van de zaak. Er zijn wel degelijk organisaties die ook hun vaste salaris-en pensioenregelingen en beleggingen hebben en wel fiauwkeurig hun financiële behoeften bekend maken.
Wat bepaalt dan eigenlijk het wezen van dè geloofszendingen en waarin ligt het verschil met de kerkelijke zending? Het gevaar van generaliseren blijft groot, want er zijn zo veel typen en schakeringen, maar in grote lijn zijn toch wel enige sterk naar voren springende trekken op te merken.
De geloofszendingen zijn bewust niet-kerkelijk gebonden. Zij zijn vaak internationaal georganiseerd en interkerkelijk van samenstelling. De kerkelijke gebondenheid van hun arbeiders is dus van minder belang; het gaat er om dat zij overtuigd gelovige, bekeerde mensen zijn met een concrete zendingsroeping en instemmen met de principes en praktijk der geloofszending. Het doel is de boodschap van Gods Reddende liefde in Christus voor verloren zondaren te brengen aan zoveel mogelijk mensen, die haar nog niet hoorden. Hen door Gods Geest te leiden tot bekering en zo in deze wereld nieuwe gemeenten van de Heer te planten. Deze 'passie voor zielen' geeft grote stuwkracht en drijft vooral tot pioniersarbeid.
Aanvankelijk was het werk sterk individualistisch van karakter en wist men met de kerk weinig raad. Steeds meer zijn de geloofszendingen echter hun aandacht ook gaan wijden aan de gemeente-opbouw van de uit hun arbeid gegroeide jonge kerken. Het leertype van de geloofszendingen is'gewoonlijk sterk angelsaksisch van kleur. Van dogmatische scherpslijperij moeten ze niets hebben. Zij zijn immers van verschillende godsdienstige afkomst en afkerig van intellectualisme. In het algemeen zitten zij duidelijk in de fundamentalistische hoek, wat onder meer uitkomt in hun bijbeluitleg. Veel nadruk wordt gelegd op bijbelstudie, op een innig geloofsleven, op gebed-zonder-ophouden, op getuigenisdrang en offerbereidheid. Een wettische inslag wordt daarbij niet steeds vermeden. En een gevoel van afstand en wantrouwen tegenover de geest en aanpak van de kerkelijke zending evenmin.
Nog twee kenmerken dienen te worden genoemd. De geloofszendingen zijn ingevolge hun kerkbegrip uiteraard ook tegen de kinderdoop; zij hebben een baptistische dooppraktijk, die o.m. ook door onderdompeling en wederdoop wordt gekentekend. En zij zijn sterk gericht op de laatste dingen, meest chiliastisch (duizendjarig rijk), zowel vanuit een vurig verlangen naar de wederkomst voor de persoonlijke verlossing en vervolmaking, alsook met het oog op de eindoverwinning over het rijk van de duivel.
Men zoekt meestal zoveel mogelijk onbewerkte gebieden en verricht daar pionierswerk. Tegenover de oecumenisch georganiseerde zending staan ze in het algemeen wantrouwend. De weinige bereidheid tot samenwerking leidt er soms toe dat men gaat arbeiden waar soms plaatselijke kerken al zending drijven. Deze dubbele activiteit werkt verwarrend en is soms fnuikend voor het leven van de jonge kerken. Enklaar noemt de volgende verschillen met de kerkelijke zending:
Het is wel duidelijk dat de principiële visie én de beleidslijnen ten aanzien van de vervulling van de zendingsopdracht uiteenlopen. Inzake de wijze van financiering van de arbeid neemt onze kerkelijke zending een ander standpunt in en bezigt zij een andere aanpak. Wij hebben een ander zicht op de kerk en de toekomst-verwachting. Gevoelsmatig bewegen wij ons in een andere sfeer. De methoden van benadering hebben zich langs andere wegen ontwikkeld. Vanuit Gods heilsbedoeling voor deze ganse aarde achten wij de sociale, culturele en politieke problematiek naast de persoonlijk-geestelijke vragen evenzeer van groot gewicht en de wijze van ontmoeting met de niet-christelijke religies en ideologieën blijft voor ons een zaak van diepgaande studie.
Ik meen hier aan te mogen toevoegen, dat net zo min als het patroon van de geloofszendingen eenvormig is, dit ook geldt voor wat we de kerkelijke zending plegen te noemen.
Het is bekend hoe er ten aanzien van allerlei theologische opvattingen van — laat ik nu gemakshalve zeggen — de oecumenisch georganiseerde zending vragen rijzen, bij hen die vanuit het hart van het reformatorisch belijden zending drijven. Ik denk aan het dialoogprogramma, aan de visie op de bevrijdingsbewegingen, aan de verhouding tussen zending en ontwikkelingshulp. En wie het verslag gelezen heeft van het referaat van dr. Hoedemaker op de predikantenvergadering zal zich er niet over verbazen dat de geloofszendingen tegenover wat Enklaar noemt de oecumenisch georganiseerde zending wantrouwend staan. Als ik moet kiezen, zou ik zeggen: In wat geloofszendingen voorstaan kom ik meer bijbelse noties tegen dan in het filosofisch-modernistische verhaal op de predikanten vergadering. Kan ik daar nog wel spreken van zending ? Kom ik dan niet hopeloos vast te zitten met de opdracht van Mattheus 28 : 19.
Toch meen ik dat Gereformeerd apostolaat breder en dieper is dan de inderdaad versmalde aanpak van allerlei geloofszendingen. De theocratische notie van het gereformeerd belijden: Gods Koningschap over alle dingen betekent inderdaad dat de sociale en politieke vragen niet ontweken mogen worden. En de visie van het Verbond zal ook inzake het spreken over kerk, traditie, ambt en sacramenten andere wegen doen gaan dan de geloofszendingen gaan. Maar dat kan niet het laatste zijn. Enklaar wijst terecht op de dingen die ons moeten verbinden, en op de kritische vragen die de geloofszendingen ons stellen:
Wij willen echter met nadruk stellen, dat wij niettemin in de grond ten nauwste met de geloofszendingen verbonden zijn, door de éne Heer die ons riep om zijn heil aan de wereld bekend te maken, door de éne gehoorzaamheid aan zijn opdracht en de éne hoop op zijn komend rijk.
Wij hebben diepe eerbied voor de toewijding, de geloofsmoed en de dynamiek, die in de geloofszendingen aan de dag treden. Wij zijn oprecht dankbaar voor de vele vruchten die hun arbeid in zoveel landen reeds heeft opgeleverd.
Wij erkennen de uitdaging die van hen uitgaat en willen de vragen niet ontlopen die direct of indirect uit de geloofszendingen op ons afkomen: Hoe staat het met onze offerbereidheid? Brandt ons hart wel van liefde om Christus' wil voor onze naaste die Hem nog niet kent? Is ons werk wel voldoende meegenomen in de vaart van de beweging van het Evangelie naar de wereld toe, de komst van de Heer tegemoet? Maken wij genoeg ernst met de beloften en gaven van de Heilige Geest?
De geloofszendingen en wij, we horen bij elkaar, al lijken we ook vaak ver van elkaar af te staan. Het is te hopen dat de enkele jaren geleden gestarte ontrrioetingssamenkomsten met de EZA op voor beide vruchtbare wijze zullen kunnen worden voortgezet.
In zekere zin zal alle zendingsactiviteit 'geloofszending' dienen te zijn. Men zie de brief aan Filadelfia: Het Woord bewaren en de Naam niet verloochenen blijkt direct missionaire gevolgen te hebben: Een open deur naar de wereld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's