De nood des tijds
Prof. dr. W. J. Aalders
7
DE UITWEG
Het beeld van de weg
De oudheid reeds stelde het leven voor als een weg. Hercules moet op de tweesprong de rechte weg kiezen. De Bijbel verscherpt en verdiept dit beeld. Israels' woetstijntocht, de terugweg, die de verloren zoon gaat, de smalle weg ten leven tekenen het leven der gemeente. Jezus Zelf is de Weg. Discipel zijn is: achter Hem gaan en Hem volgen.
De Bijbel is het reisboek der Christenheid; de kerk haar reisgids. Dante en Bunyan gebruiken hetzelfde beeld.
De weg geeft grond onder de voeten, geeft uitzicht, voert naar een doel. Christen-zijn is niet een zaak van denken alleen, maar van leven. Die weg is de kruis-weg. De schone Apollo zit en zingt bij zijn lier. De Man van smarten gaat voort door de dood ten leven. Wie Hem navolgt gaat zijn weg noch lichtzinnig, noch zwaarmoedig. Die weg voert naar een doel. Zij geeft hoop voor wie hem bewandelt, die hoop behoort bij het geloof. Het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt. Abraham gaat uit verwachtende de stad, die hij tot een erfdeel ontvangen zou. Wat een tegenstelling met de verlorenen in Dante's Divina Comedia, die uitroepen: wij leven zonder hoop in begeerten. Tot de nood van onze tijd behoort de overal terugkerende onzekerheid over de vraag, of we wel op de goede weg zijn. Dat is maar niet een interessante of zelfs een belangrijke vraag. 'Het is een vraag van nood, van levensnood, van de nood des tijds'.
Het verkeer op de weg vraagt om streng gehandhaafde verkeersregels. Wij onderwerpen ons daaraan. Het leven is er mee gemoeid.
De regeling van het geestelijke verkeer is, daarbij vergeleken, wel zeer achterlijk. Met alle kwalijke gevolgen van dien. 'Er verongelukken geestelijk veel meer mensen dan lichamelijk, op onbewaakte overwegen, door botsingen, door het volgen van verkeerde aanwijzigingen, door het ontbreken van aanwijzingen, welke dan ook'. Onzekerheid betekent onveiligheid. Wat is de inhoud van de door velen aangeprezen zedewet ? Ook in 1934 was het geloof in God, voor velen, zo niet afgeschreven, dan toch weinig levend en concreet.
Toch vraagt de nood om een werkelijke uitweg. Zonder uitweg is er geen uitkomst. In noodsituaties heeft men eenvoudig geen keus. Er moet gehandeld worden. 'Niets vereenvoudigt zozeer als de nood. Niets maakt ook zo volstrekt. Dat geldt van echte liefde en vriendschap. Die vragen het hele hart. De ware liefde is monogaam. Zij laat geen ander toe. De liefde tot God allerminst. 'De ware heilsweg heeft geen meervoud'. Verdraagzaamheid leidt hier tot onmacht.
De oude christelijke kerk heeft de verdraagzaamheid geweigerd. Zij weigerde voor God de Heere een plaats in het Pantheon aller goden. Zij liet zich daarom vervolgen.
Het gaat niet om een hypothese, maar om een getuigenis. Het geloof voert geen pleidooi. Het getuigt en eist. Zo was het in elke grote opwekking. Daarom moet de prediking niet te menselijk, te redelijk zijn. Zij moet komen met gezag.
De weg voorgesteld en al of niet gekozen
De heilsweg moet worden voorgesteld. Aanvaardt iemand die niet, laat hij heengaan. Het is beter dan dat hij blijft staan en niets doet; of — medegaat en niets doet'. Wie heengegaan is komt misschien daarna tot inkeer. 'Het is beneden de waardigheid van elke overtuiging om haar waarde te laten bepalen door de mate van sympathie en populariteit, die zij verwerft'. Daarvoor ligt speciaal de Gloria Deï, de eer van God te hoog. Zelfs de mens, die niet verder komt dan een zedelijke overtuiging is op zijn wijze onverdraagzaam.
Het getuigenis Gods vraagt overgave, capitulatie. Vandaar dat het besef van de grootheid van de, nood pleegt vooraf te gaan aan de bevrijding.
Dat betekent niet een soort psychologische toeleiding, die langs psycho-analytische weg zou kunnen worden nagetrokken. Neen, deze capitulatie staat in verband met de goddelijke genade, die, bewust of onbewust, haar licht werpt in de ziel', zodat iemand later ziet en erkent: 'ik werd, zonder het te weten, reeds door God geleid'.
Daarbij is de kennis der ellende nog niet de verlossing. De schuldbelijdenis kent en erkent de schuldvergeving als een vrije daad van God. Maar daarom ook zo volstrekt.
In dit alles van Godswege geleid te worden is niet slaafs, maar voornaam. Juist deze hoge leiding geeft aan het mensenleven z'n hoge waarde. Deze leiding wijst ons de uitweg. 'Is dus het verlaten van God de eigenlijke oorzaak der ellende, dan zal terugkeer tot God de enige uitweg zijn'. Die terugkeer tot God is echter alleen mogelijk door de terugkeer van God.
Gods initiatief
De lijn der bevrijding beweegt zich van boven naar beneden. 'Dat is de tegenstelling tussen geloof en idealisme, openbaring en rede; ook tussen godsdienst en zedelijkheid'.
God schenkt de mens niet alleen de mogelijkheid van het geloof, maar ook de werkelijkheid er van. De actie gaat van Hem uit. Hij schenkt alles. Dit in tegenstelling met alle neigingen om te steunen op de ontwikkeling van hetgeen de mens in zich bevindt. Zo komen godsdienst en zedelijkheid als vijandige broeders tegenover elkander te staan, als het hogere verband niet erkend wordt.
De nood van de mensheid is zo groot, dat zij zichzelf niet redden kan. Daarmede correspondeert juist de noodzaak van de hulp van Boven. De verlossing van 'het radicaal-boze' (Kant; maar dan anders bedoeld) komt van Hem, Die de dingen, die niet zijn, roept alsof zij waren. Maar juist hierdoor is er niet alleen uitzicht, maar ook een uitweg.
Dit is de sfeer van het geloof. Geheel anders dan die van enig idealisme, waarbij men bij zichzelf blijft staan. Alleen die God, Die scheppend ingrijpt in ons be-, staan, kan ons redden. Alleen in Zijn licht zien wij het licht (Ps. 36). Aalders haalt het veelzeggende opschrift aan op een zonnewijzer in Alkmaar:
Wie zonder zonne naar mij ziet, die krijgt van mij het antwoord niet.
Hij poneert daarbij deze veelzeggende stelling (volgens hemzelf even dood-eenvoudig als moeilijk steeds vast te houden) nl. dat God de laatste onderstelling is van het geloof in God en dat daarom de godsdienst niet uit anderen hoofde kan worden afgeleid. Helpen kan ons geen bloedeloze, fletse Gods-idee. Maar alleen de levende God Zelf, Die niet door ons bewezen kan worden, maar Die Zichzelf aan ons bewijst. Dat is Zijn openbaring, in het middelpunt waarvan de Gekruisigde staat. 'Dit betekent, dat de ontmoeting van Gods barmhartigheid en onze ellende, de plaats is waar wij God vinden'.
Dat geeft aan de christelijke godsdienst een bij uitstek practisch karakter. Zij bevredigt niet bovenal ons denken of ons gevoelsleven. Maar zij geeft rust aan het geweten, stilt de angst en herstelt de betrekking tot God — de rechtvaardiging uit het geloof.
Deze goddelijke dimensie werpt al onze oude dimensies omver. God is de grote Rust-verstoorder. En tegelijk de grote Rust-schenker. Het geloof geeft Hem daartoe crediet.
Die God is meer, dan een door mensen ontworpen gedachte omtrent Iemand, Die al onze grenzen te boven gaat, een Opperwezen; of de Voorzienigheid; of de niet te ontraadselen X.
Het werk van de drie-enige God
De Drie-enige staat niet als een strakke eenheid boven de wereld. In Hem Zelf als de Vader, Zoon en Heilige Geest is de betrekking der liefde. Daarom vindt alle waarachtige 'betrekking van liefde zijn oorsprong in Hem. Wij hebben het leven niet in onszelf. Maar God wel. Hij is. In de Zoon deelt die.God Zichzelf mede, daar waar wij Hem het meest nodig hebben 'in het lijden en in de dood, in de zonde en in de schuld'.
Gods hoogste openbaring is juist Zijn laagste openbaring; daar waar Hij met ons gemene zaak maakt. Dat is Zijn 'social gospel'. Maar dan niet in de zin, waarin dit geprofaneerd is tot een vernieuwing alleen van maatschappelijke verhoudingen (dus wat we nu horizontalisme plegen te noemen). Hier ligt de radicaliteit van het Evangelie des kruises. Aalders hoopt, dat juist de hopeloze ontreddering van zijn tijd dat Evangelie een bijzondere actualiteit zal geven. Wij hopen hetzelfde ook thans.
Dat Evangelie wijst ons een instantie van hoger beroep, als wij geen raad weten. Hoger beroep op die God, Die ons in Christus zo nabij is gekomen. En dan is het - tenslotte de Heilige Geest, Die dit Evangelie van de Zoon Gods voor ons tot meer dan een historisch feit maakt, nl. een levende werkelijkheid. Zijn werking is even onbegrijpelijk als die van wind en vuur. Maar zij is bezielend en leven wekkend. Tegenover alle geesteloosheid plaatst Hij de werkelijkheid van de scheppende macht des Vaders en de verlossende genade des Zoons. Daarom bidt de kerk: Veni Creator Spiritus, Kom, Schepper, Geest. Die Geest geeft eeuwigheidskrachten van waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde. God doet ons ontdekken, dat wij tot de Vader alleen komen door de Zoon. En het is de Heilige Geest, Die laat zien, dat die Zoon gelukkig meer is dan een voorbeeld.
Zo opent God Zelf de uitweg. Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen.
Alles of niets
In het genadig oordeel Gods krijgt een zondig mensenkind weer waarde, nl. die, welke God in Zijn genadig oordeel hem toekent. Dat is een oordeel, dat geldt tegen alle werkelijkheid; die we voor ons zien. Tegenover deze laatste is een hoger beroep mogelijk. Dat is zelfs een eind-beroep. Dat heeft de christelijke belijdenis bedoeld met de rechtvaardiging door het geloof.
Het Christendom gelooft niet aan de gerechtigheid van mens en wereld. 'Wie gelooft, ziet door het grillige, donkere gordijn heen iets van de gerechtigheid Gods'. De rechtvaardiging door het geloof geldt in de eerste plaats de enkeling. Hoewel de zondaar niet geleefd heeft als een kind van God, en al zijn best-doen niets uithaalt, hoewel zijn lot ook in tegenspraak lijkt met het kindschap Gods, zegt God, dat de goddeloze, die waarachtig gelooft, toch Zijn kind is. Daardoor alleen maakt God hem tot meer dan overwinnaar.
Alleen het gaat hier wel om alles of niets. Het waarachtig geloof ontvangt hier alles. Maar het schijngeloof, dat alleen doet alsof, ontvangt niets, ja, minder dan niets. Doen alsof is de vloek van een kerk, van een kerklid'. Daar wordt de ernst gemaakt tot spel.
Het voordeel van een crisistijd is, dat daarin menigmaal \vel veel nominale waarde wegvalt en het accent komt te liggen op de reeële waarde. Het gaat dan niet om de godsdienst in de eerste plaats, maar om God Zelf. Niet om het Christendom, maar om Christus. Niet om de christen, maar om het geloof. Dat geloof betekent wel: rust vinden in God. Maar in dit leven gaat die rust met veel onrust gepaard.
Aalders haalt hier allerlei literatuur aan, waarin de vraag naar het onvoorwaardelijk karakter van het geloof toegespitst wordt. Tenslotte komt het antwoord op de vragen van ons hart alleen van Gods kant. 'Het woord van het kind is altijd het antwoord op het woord van de Vader'. Ons gaan door dit leven mag niet zijn een soort wandeling of zwerftocht. Het gaat om een doel, een levenskwestie. Daarin vragen concrete situaties telkens om een beslissing in het geloof.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's