De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Bemoediging voor de kerk in druk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bemoediging voor de kerk in druk

8 minuten leestijd

En aan de vrouw zijn gegeven twee vleugelen eens groten arends, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in haar plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd, en tijden, en een halve tijd, buiten het gezicht der slang. En de slang wierp uit haar mond achter de vrouw water als een rivier, opdat hij haar door de rivier zou doen wegvoeren. En de aarde kwam de vrouw te hulp, en de aarde opende haar mond en verzwolg de rivier, welke de draak uit zijn mond had geworpen. Openbaring 12 : 14-17.

Er is vaak veel somber nieuws te melden over de kerk en het kerkelijke leven. U weet daarvan.

En dan is de verleiding groot om bij al dat sombere nieuws verslagen terneer te zitten en geloof te hechten aan de mening van hen die zeggen, dat de kerk spoedig haar tijd heeft gehad.

Wat zal Johannes op Patmos het ook moeilijk gehad hebben, ziende op de toestand van de kerk van zijn dagen. Maar wat heeft de Heere hem over die nood heen doen zien, om hem te bemoedigen. De Heere toont hem hoe Hij de kerk ziet: een vrouw bekleed met de zon. Dat duidt haar hoogheid, haar heerlijkheid, haar glorie.

En de maan is onder haar voeten, dat spreekt van heerschappij over de hele wereld.

Op het hoofd heeft zij een kroon van twaalf sterren, dat drukt overwinning uit, volkomenheid. Zon, maan en sterren beheersen het heelal.

Groot is hun betekenis voor de wereld. Dat is nu de kerk ook.

Zo ziet nu de Heerp de kerk. En tot die kerk behoren alleen zij die wedergeboren zijn, Christus door een waar geloof zijn ingelijfd, uitkomende in de waarachtige bekering.

En deze kerk zal straks in al haar schoonheid schitteren en de eerkroon dragen.

Nu had de kerk ten tijde van Johannes niets van die glorie en heerlijkheid. We zien een vrouw, een weerloze vrouw, meer niet.

Zo kijkt de wereld tegen de kerk aan, zo gevoelt de ware kerk ook zichzelf. Machteloos, schamel, niets te betekenen. Maar de Heere wijst haar hier aan als de vorstin des hemels. Als de wereld gelijk had en de kerk inderdaad niets te betekenen had, liet de vorst der duisternis wel van haar af.

Maar hij ziet door die schamelheid heen. Hij ziet haar nu reeds als bruid, die straks in statie uit haar woning wordt geleid tot haar hemelse Bruidegom, om Hem eeuwig te loven en te prijzen. En om dat nu te verhinderen gaat hij rond als een briesende leeuw, als verzoeker, als verleider, die de totale vernietiging op het oog heeft. Als kapotmaker van alle verhoudingen, huwelijk, gezin, maatschappij en staat. En wij zien hem volop aan het werk. Het is Gods schepping die eraan moet, het is Gods kerk die eraan moet, opdat nooit het moment zal aanbreken, dat hemel en aarde tesaam de glorie zullen zingen van Gods naam en het Ere zij God uit de morgen van de schepping weer in volkomenheid terug is. 

Die weg naar het 'eeuwig zingen van Gods goedertierenheên', voert door de woestijn. Dat is het tegendeel van alle cultuur. Daar lopen alle paden dood. Daar zijn de doornen en de distelen, de duizend angsten, de duizend doden die het angstvallig hart kwellen.

De Heere geeft Zijn volk nooit de gemakkelijkste weg. Hij loutert en beproeft om daarmee te leren van zichzelf af te zien en het alleen van Hem te verwachten. Hij houdt Zijn kerk altijd laag bij de grond. Het gewicht aan de klok moet het uurwerk gaande houden. Denk maar aan de woestijnreis van Israël. Een zware gang, maar juist in de woestijn toonde de Heere Zijn trouwe zorg: brood uit de hemel, water uit de rots. De wolkkolom des daags, de vuurkolom des nachts, de tabernakel. Een tijd, en tijden en een halve tijd moet de vrouw in de woestijn verblijven.

Met deze tijdsaanduiding wordt de periode aangegeven voor Christus' wederkomst. Dat is een tijd van grote verdrukking, van kommervolle omstandigheden.

Maar de vrouw krijgt twee grote arendsvleugelen waarmee de Heere haar buiten de vernielende macht brengt van de vorst der'^ duisternis. Vleugelen van de koning onder de vogels, groot in kracht en snel van vlucht. In het geven van de vleugels betoont de Heere Zijn zorg dat de poorten der hel Zijn gemeente niet zullen overweldigen.

Wat zijn nu die vleugels van de kerk? De kanttekeningen geven als uitleg, dat hiermee bedoeld kan zijn: het geloof, waarmee de kerk op Christus gegrond blijft, en de hoop der zaligheid, die het lijden verduurt, ziende op de heerlijkheid die geopenbaard zal worden.

De kerk heeft dus krachtige vleugels. Die wetenschap moet weerhouden met klagen te volstaan, dat de kerk toch niets vermag in de tijd, waarin de rode draak zich sterk maakt. Integendeel. Met krachtige wiekslag moet de kerk zich verheffen; zij moet de vleugels uitslaan om al datgene achter zich te laten, dat een inbreuk betekent op haar leven uit en door het Woord. Wegvluchten uit de dodelijke grijpklauwen van de helse machten.

Daar zijn krachten voor nodig die van boven gegeven moeten worden; de vleugels van het geloof, van het gebed, van het gebod, van de waakzaamheid. Daar hebben we ook elkaar voor nodig; het samenzijn in de gemeente, om elkaar op te scherpen en te vertroosten.

Deze vlucht uit de wereld is geen uitvlucht, maar de toevlucht nemen tot God en Zijn Woord. De tijd van ontvluchten op de vleugelen is daar. Maar de kerk kent ook het vliegen op de thuisvlucht; op de Heere af. Op de wederkomst af. Op de nieuwe, wereld af.

Maar de thuisvlucht vergeet de aarde niet: 'Gaat dan henen, onderwijst al de volken, hen dopende in de naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes; lerende alles wat Ik u geboden heb'.

De kerk vlucht weg uit de sfeer van de geest die uit de afgrond is, maar zij vliegt ook weer toe maar dan met de verkondiging van het evangelie. Zonder dat Woord raakt de kerk, hoe ze ook mee wil doen, hog anderen haar ook mee wil hebben, vleugellam.

Dan is zij die éne Naam kwijt, die onder de hemel gegeven is, waardoor wij moeten zalig worden. Dat is de positieve vlucht van de kerk, vliegen op de mensen aan, op de wereld af; zending — verweg en dichtbij — zending met het Woord.

En voor zulk een kerk liggen er rijke beloften. Die de Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen, zij zullen opvaren met vleugels, gelijk de arenden, zij zullen lopen en niet mat worden.

En de Heere heeft die belofte vervuld aan Zijn kerk, heel de geschiedenis door, en zal dat blijven doen.

Daarom moet de kerk, (ook de gemeenten) daaraan iets koninklijks ontlenen en haar bedelaarsgestalte afleggen als zou haar bestaan van kerkstuivers afhangen.

In haar klein getal moet toch iets van koninklijke moed liggen dat de Heere Zijn kerk in stand houdt. En wij mogen medewerken met onze gaven. De Heere heeft onze gaven niet nodig, is daarvan niet afhankelijk, maar wij mogen meedoen aan de voortgang en dat is genade.

Wat is dan de plaats waar God voedt met Zijn Woord en Zijn Geest onze gift waard. Tegen die vrouw — de kerk — komt de slang in het geweer. Hij werpt uit zijn mond achter de vrouw, water als een rivier, opdat hij haar door de rivier zou doen wegvoeren. Altijd weer is er in het leven der kerk die watermassa die alles wegsleurt wat in de weg komt. Denk maar aan de vervolgingen, aan de maalstroom van de tijd die de kerken leegspoelt, die ook de ware kerk tracht te verdrinken. Dan is daar nog de felle stroom van de dwaalleer die het geestelijk klimaat vergiftigt.

In de godvrezende pers wordt een dam opgeworpen, tegen dat water als een rivier, worden de beddingen aangewezen, waarlangs dat water zijn vernietigende gang gaat. Het is zaak daarmee op de hoogte te zijn.

Tegen die afbrekende stroom is alleen bestand een leven dichtbij het Woord, beproevende of de geesten uit God zijn.

De Heere geeft Zijn kerk geen gemakkelijke weg, blijkt ook uit onze tekst, maar ook hier toont Hij de waarheid van de psalm dat Hij het behoeftig volk in hunne noden, ellende en pijn, gans hulpeloos tot Hem gevloden, ten Redder zal zijn.

Wij lezen: 'en de aarde kwam de vrouw te hulp, en de aarde opende haar mond, en verzwolg de rivier welke de draak uit zijn mond had geworpen'.

Tot hulp van de kerk is de aarde dus aangesteld. Tegen de snode ontwerpen van de boze. Al zijn energenie stelt hij in het werk tot radicale vernietiging, maar dat alles niet lukt, komt omdat de aarde een halt toeroept.

De boze wil de vergiftiging van het milieu, opdat alle biologisch leven onmogelijk wordt. Maar de aarde waarschuwt dat voortgaande op die weg haar grondstoffen gaan ontbreken tot instandhouding van het menselijk geslacht. De aarde verzet zich want straks moeten de bergen vrede dragen, de heuvels heilig recht. Straks moet Gods eer en verheerlijking klinken uit het stof. Straks moet de aarde het godgeheiligd zaad ontvangen om haar eeuwig te bewonen.

Zo mocht Johannes achter het sombere nieuws van de kerk van zijn dagen de trouwe zorg zien van de Koning der Kerk, die op Zijn tijd haar uit de grote verdrukking in al haar luister zal stralen. Dat is de troost voor Gods kerk ook in onze tijd. De Heere is een toevlucht voor de Zijnen, hun sterkte als zij in droefheid kwijnen en daarom zal geen vrees ons doen bezwijken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Bemoediging voor de kerk in druk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's