Kerk en financiën *)
2
Generale Kas
We willen eerst in kort bestek aandacht besteden aan de derde vorm van kerkelijke lasten nl. de Generale Kas. Uit dit fonds dat gevormd wordt door bijciragen van de lidmaten worden subsidies gegeven voor restauratieprojecten, kerkbouw, pastoraal werk, de SMRA, de nascholing van predikanten en bepaalde vormen van jeugdwerk. Voor een deel wordt dit fonds dus gebruikt om een aantal landelijke kerkelijke activiteiten te steunen en voor een ander deel vindt een zekere herverdeling van kerkelijke inkomsten plaats naar gemeenten die moeilijk bij kas zitten.
De bijdrage die van ieder gemeentelid voor de Generale Kas wordt gevraagd is sinds 1970 gestegen van ƒ 5, — per jaar tot het recentelijk vastgestelde bedrag van ƒ 15, — voor 1976. Het systeem mag bekend verondersteld worden: als ieder lid dit bedrag betaalt krijgt de plaatselijke kerkvoogdij per lid de helft terug. Als slechts 50% van de lidmaten zou bijdragen krijgt de kerkvoogdij niets terug. Bij 40% betalingen past de kerkvoogdij de ontbrekende 10% bij. Door bijna alle gemeenten van de Geref. Bond wordt de bijdrage aan de Generale Kas voldaan.
Voorts mag worden aangenomen dat door de lidmaten van onze gemeenten trouw wordt bijgedragen. In dat geval resulteert de aanslag van de Generale Kas voor de kerkvoogdijen in een voordelig saldo. In gemeenten waar de bijdragen slecht binnenkomen betekent de Generale Kas uiteraard een belasting voor de kerkvoogdijen. Bovendien zal de aanslag van de Generale Kas het grootst zijn in die gemeenten waar het belijdenis doen nog in ere wordt gehouden. De bijdrage wordt immers uitsluitend van de lidmaten gevraagd, alhoewel de synode de suggestie heeft gedaan — zulks ter beslissing van de plaatselijke gemeente — om de bijdrage ook van de doopleden te vragen. De verplichte betaling aan de landelijke kas blijft echter gebaseerd op het aantal belijdende leden. Relatief wordt daardoor aan de Generale Kas door de hervormd gereformeerde gemeenten het sterkst bijgedragen.
Wat de bestemming van de gelden betreft vindt er, zoals gezegd, deels een stuk overheveling plaats. Sterkere gemeenten steunen daarmee de zwakkere. Dat kan een goede zaak zijn. Dit wordt vooral zichtbaar in de subsidies aan restauratieprojecten nieuwbouw en pastoraal werk.
Onder de landelijke activiteiten die uit dit fonds gesteund worden neemt de SMRA een belangrijke plaats in, het systeem van de mechanische ledenadministratie in Delft, waarbij ook een groot aantal gemeenten van de Geref. Bond zijn aangesloten. Een vorm van kerkelijk werk die uit de Generale Kas wordt betaald en waartegen van onze kant ernstige bedenkingen bestaan is het studentenpastoraat. Niet om het werk als zodanig, maar vanwege de theologische visie, of wellicht beter, de politieke ideologie die bij dit werk wordt uitgedragen. We denken in dit verband met name aan ds. R. Zuurmond, predikant voor werkzaamheden onder academici te Delft, die zich actief roert in de beweging 'Christenen voor het socialisme' en die niet aarzelt christendom en marxisme met elkaar te verbinden.
Het is een uiterst verdrietige zaak dat uit de fondsen van de Generale Kas die in 1974 rond 5 miljoen gulden bedroegen meer dan een half miljoen gulden aan studentenpredikanten wordt besteed, terwijl het de Geref. Bond steeds onmogelijk is gebleken om één studentenpredikant beroepen te krijgen.
Tenslotte wil ik met betrekking tot de besteding van de middelen van de Generale Kas nog melding maken van de subsidies die worden verleend aan een aantal hervormd gereformeerde projecten van de IZB, de HGJB en de Geref. Bond tot een bedrag van ƒ 200.000 per jaar.
Mogelijk ten overvloede, willen we op deze plaats de basis voor deze subsidies nog eens vermelden: de Generale Financiële Raad en het Moderamen van de Synode deelden de mening van de hervormd gereformeerde organisaties dat het billijk is dat aan de hervormd gereformeerde gemeenten, die jaarlijks grote bedragen voor het eigen kerkewerk bijeenbrengen en die daarnaast het volle pond geven aan het algemeen kerkelijk werk, uit deze middelen subsidie zou worden verstrekt voor het werk dat vanuit de eigen geestelijke achtergrond gebeurt en dat het geheel van de kerk ten goede komt.
Lasten en inkomsten
We willen onze excursie door het drietal terreinen van de kerkelijke financiën hiermee beëindigen. Zowel op plaatselijk niveau als voor het algemene en landelijke kerkelijk werk constateerden we doorgaande kostenstijgingen. Kan dit proces blijven doorgaan of zal hierdoor het verschijnsel van overbelasting van plaatselijke gemeenten waarvan nu reeds de symptomen waarneembaar zijn verder toenemen met mogelijk een verdere bedreiging voor het voortbestaan van predikantsplaatsen ?
Om te beginnen moeten we met dankbaarheid vaststellen dat in veel gemeenten de financiën gezond zijn. En op veel plaatsen en bij veel gelegenheden blijkt dat men voor de kerk wil geven en ook daadwerkelijk geeft.
De kosten mogen gestegen zijn, de inkomsten zijn dat ook. Een duidelijke illustratie daarvan is de ontwikkeling die zichtbaar is in de totale inkomsten aan levend geld van alle hervormde kerkvoogdijen (dat is dus exclusief de gelden voor de zending, het collecteplan, de diakonale inkomsten en dergelijke). In 1969 vertegenwoordigden deze een bedrag van 80 miljoen gulden; voor 1976 worden deze in de actie kerkbalans geschat op ƒ 160 miljoen. In zeven jaar tijds dus een verdubbeling en gerekend naar de laatste jaren een toeneming van ruim 12% per jaar. Nogmaals er is veel dat bemoedigt en tot dankbaarheid stemt.
Het blijkt echter dat de lastenstijgingen minstens hetzelfde beeld vertonen en wanneer we dan tevens letten op de praktijksituatie van veel gemeenten dan blijkt dat de toestand van de kerkelijke financiën er in de zes jaar die inmiddels zijn verstreken sinds prof. Van Beusekom zijn alarmerende woorden sprak op verschillende plaatsen nog klemmender is geworden. Want we moeten niet in de eerste plaats letten op de landelijke cijfers en op de kerk en de financiën, de problemen doen zich primair plaatselijk voelen en dan leert de praktijk, dat terwijl veel gemeenten geen moeilijkheden kennen, in andere plaatsen de zorgen de kerkvoogdijen boven het hoofd groeien. In het bijzonder valt hier te denken aan een aantal plattelandsgemeenten waaruit de jongere bevolking wegtrekt om elders werk te vinden en aan de grote stadsgemeenten waar het opheffen van predikantsplaatsen voor een groot deel ook door migratie, een veel voorkomend verschijnsel is.
Wanneer we zo de financiële positie van de kerkelijke gemeenten als een geïsoleerd, op zichzelf staand probleem analyseren en iets over de toekomst trachten te zeggen, kunnen we zeker niet optimistisch zijn. Immers de lasten zijn veelal sterker gestegen dan de inkomsten en de moeilijkheden zullen onontkoombaar groter worden.
Welvaart
Er moet echter nog iets worden gezegd. We hebben een periode van vele jaren welvaartsstijging achter de rug. De kosten en prijzen zijn gestegen, maar de reële inkomens stegen meer.
Om enkele cijfers te geven: olgens het Centraal Bureau voor de Statistiek bedroeg de inflatie tussen 1969 en 1976:63%. De welvaart steeg over dezelfde periode met 128%. In dit laatste cijfer zitten weliswaar de openbare en sociale voorzieningen die met sprongen zijn verbeterd, maar het lijdt geen twijfel dat de afgelopen periode voor alle Nederlanders gekenmerkt is geweest door een aanzienlijke verbetering van hun welvaartsniveau. Met andere woorden, de welvaart steeg sneller dan de inflatie. De vraag dringt zich daarom op of het dan wel zo vanzelfsprekend is dat de kerk in zo'n periode in financiële problemen moet komen.
Waren we onder de omstandigheden van de vette jaren die we hebben gehad niet in staat met elkander de lasten van de kerk te dragen ? Moeten in een tijd van toenemende welvaart de zorgen van de kerkvoogdijen groter worden in plaats van kleiner ? Deze vragen klemmen te meer wanneer we te rade gaan met wat Gods Woord zegt over de aanwending en het gebruik van onze stoffelijke goederen. In het O.T. vinden we daaromtrent belangrijke aanwijzingen. In Lev. 25 : 23 lezen we dat de Heere zegt dat het land van Hem is en dat het volk als vreemdelingen en bijwoners bij Hem zal zijn. Als een teken van Zijn eigendomsrecht moesten de Israëlieten de tienden van de oogst aan de Heere brengen. Daarmee beleden zij als het ware dat al hun opbrengsten van God waren.
Het N.T. spreekt niet over tienden, maar het is opvallend hoe Christus het bezit van geld en goed relativeert. In Matth. 6 : 33 zegt Hij Zijn discipelen dat zij eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid zullen zoeken en dat al deze dingen (voedsel, kleding e.a.) hun toegeworpen zullen, worden.
In dit woord van Christus gaat het niet om de verdeling van de aandacht over enerzijds het Koninkrijk Gods en anderzijds het stoffelijk goed en de rangorde die daarbij in acht genomen moet worden, maar Christus zegt nadrukkelijk dat er maar één ding is dat wij zullen zoeken, namelijk Zijn Rijk en Zijn gerechtigheid. En voor alles wat met het oog daarop nodig is, zal God zorgen. Het bezit van geld en goed op zichzelf wordt niet zondig verklaard, maar het verkeerd bezitten en gebruiken ervan. In de Bijbel gaat het in de eerste plaats om wie we zijn, niet om wat wij hebben.
Strikt genomen kunnen we dan ook eigenlijk niet iets voor de dienst van God 'gegeven' hebben. Wat we ooit zo meenden 'gegeven' te hebben was reeds van Hem. We waren er maar rentmeester over. David heeft dat treffend onder woorden gebracht toen hij de Heere dankte voor het grote offer van het volk voor de bouw van de tempel toen hij zei: Want het is alles van U en wij geven het U uit Uw hand' (1 Kron. 29 : 14). Hieruit blijkt tevens dat bij het dienstbetoon dat God van ons vraagt geen scheiding gemaakt mag en kan worden tussen een dienen met stoffelijke gaven om te voorzien in de materiële behoeften en een ander dienen dat betrekking heeft op de geestelijke noden en behoeften. Het gaat steeds om een alles omvattend dienstbetoon. Woord en daad gaan samen.
In dit verband mag terloops wel gewezen worden op de brochure 'Financieel beheer van de gemeente', die dezer dagen door het hoofdbestuur van de Geref. Bond is uitgegeven. Deze publikatie is geschreven met de bedoeling een bijdrage te leveren aan de bezinning op de verhouding van kerkeraad en kerkvoogdij. Bovendien vanuit het besef dat het financieel beheer van de gemeente geen doel op zichzelf is, maar naast een stoffelijke aangelegenheid, tevens een voluit geestelijke zaak.
* Referaat gehouden op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond op woensdag 19 mei te Nijkerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's