De Heere rondom zijn volk
Die op de Heere vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid. Rondom Jeruzalem, zijn bergen; alzo is de Heere rondom Zijn volk, van nu aan tot in der eeuwigheid. Psalm 125 : 1 en 2.
Het is alsof we met deze psalm midden in onze dagen staan. Want de dichter heeft het over de scepter der goddeloosheid, dus de goddeloosheid is aan het bewind. Of dat nu betekent dati de vijand de macht in handen heeft in Israël, of dat eigen regering met Gods Woord geen rekening houdt, weten we niet. Maar de gevolgen zijn dezelfde. En hij spreekt van mensen die zich neigen tot kromme wegen. Die niet rechtuit zijn, maar halfslachtig. Van dat alles weten we genoeg, want we zitten er midden in.
Niet de Heilige Geest Die zich bindt aan het Woord beheerst het leven, maar de geest van de 'los van God beweging'. En deze zet een enorme druk op jongeren en ouderen in de kerk, om zich ook de scepter der goddeloosheid. te voegen en zich te neigen tot kromme wegen.
Dat is een gevaar, dat we niet moeten onderschatten, ook al voegen we ons nog naar de orde der kerk, want 't is zo waar, dat we zwak van moed zijn en klein van krachten en licht geneigd om te drijven op het getij van de tijd.
Wie dat heeft mogen erkennen zal het niet zoeken in eigen kracht om staande te blijven, maar het gebed omhoog zenden: och schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest, Dat Die mij op mijn paden ten leidsman zou mogen zijn. Dat is de goede richting ook in onze dagen. De richting van het Woord, die de Heilige Geest wijst aan al Gods kinderen.
En dan is daar die tijd, met z'n verleidingen en gevaren, met z'n wassende water als een rivier. Maar dan ligt daar deze kostelijke psalm, waaruit het ware Israël toen en het ware Israël nu zijn troost put: die op de Heere vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt.
U weet dat Psalm 125 een reislied is. Een reis naar Jeruzalem met vele gevaren onderweg van ravijnen, wilde dieren, de onbarmhartige hitte des daags.
De kerk is nog steeds onderweg naar het Jeruzalem, dat boven is.
En onderweg kent het haar klachten uit (ie diepte, maar mag het ook wel eens de psalmdichter na zingen, en de reisgenoten voorzingen, dit lied. Met dit lied als het ware gewapend trekt het door de ont reddering en de verwarring; het klimaat van de scepter der goddeloosheid.
De dichter heeft het over de berg Sion. Vergeleken met andere bergen is Sion niet de grootste, de geweldigste. Maar toch gaat hij andere bergen verre te boven. Want Sion is de berg, die God verkozen heeft tot Zijn woning, daar staat de tempel, de ark die van Gods gunst getuigt. En dat maakt de heerlijkheid uit van Sion. Daar ligt het hart van alle Sionieten. Daar gaat de psalmdichter de pelgrims van onze tijd mee troosten, allen onder ons die Sion niet gram zijn. Met de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid.
En zij nu die op de Heere vertrouwen zijn als de berg Sion. Dat vertrouwen op de Heere is geen oppervlakkige zaak. Dat is het dieptewerk van de Heilige Geest.
Deze diepte: zo de Heere in het recht gaat treden en gadeslaan onze ongerechtigheden, wij kunnen voor Hem niet bestaan. Dan komt er plaats om de genade en trouw des Heeren te gaan zien, te gaan berninnen en er voor ingewonnen te worden. Dan wordt de Heere ons alles. Dan komt er het toevlucht nemen tot Hem, zich geheel aan Hem zich toevertrouwen. Een vastgeworteld vertrouwen, niet met de wortels in Gods volk zelf, maar buiten hen in de Heere, Die niet zal verlaten wat Zijn hand begon.
En Die telkens voor Zijn onvaste volk, hun vaste deel, hun vaste rots zal zijn. Want dat vertrouwen komt in veel verdrukking, van binnen en van buiten. Dat kan van alles inhouden, maar telkens weer doet het Woord en Gods Geest hun alleen de Heere overhouden.
Hij is de grond van dat niet wankelen. Rondom Jeruzalem zijn bergen, alzo is de Heere rondom Zijn volk, van nu aan tot in eeuwigheid. Van alle kanten is Jeruzalem omringd door bergen. Die vormen met elkaar een veilige bescherming. Tussen de vijand en de stad staat de berg. Zo nu is de Heere rondom Zijn volk. Als zij, omringd door tegenspoed, van alle kanten, zouden moeten bezwijken, omringt de Heere hen van alle zijden. Tussen de vijand en Gods kerk, staat de Heere zelf. En dat betekent nog al wat: bergen mogen wijken, en dan stormt de vijand toe, maar Zijn goedertierenheid staat tot in eeuwigheid.
De Heere wilde heel Zijn volk beschermen in Zijn genade in vele tijden, maar Zijn bijzondere genade, voor tijd en eeuwigheid beide geldt hun, die op de Heere vertrouwen, zoals we lazen.
Die niet slechts uiterlijk aan Hem verbon den zijn, maar innerlijk en hartelijk, door Geesteswerk.
Voor hen geldt de bemoediging van deze psalm, die met Christus reeds gevuld is; dat ligt opgesloten in het woord Heere.
Straks trekt de Heere Jezus dit woord door, de poorten der hel zullen mijn gemeente niet overweldigen.
Wat een rust voor de ware kerk. Als alles te hoop loopt, de vijand verschijnt om de kerk te belagen en Gods kind, dan keert de Heere het stormgetij.
Hoe hoog het zal gaan, zij raakt hem zelfs niet aan.
Dat de kerk blijft, dat er een volharding is der heiligen is niet iets aan de zijde van de mens.
Maar dat is de Heere alleen. Door Hem is het, de verkiezende liefde des Vaders, het borgtochtelijke werk des Zoons, het innerlijke werk des Geestes, dat de rokende vlaswiek niet wordt uitgeblust.
Men kan menen aan het einde te zijn van de krachten, maar dan is daar die levensbron die bijstand zendt. Echter niet aan hen die zich neigen tot kromme wegen.
Wat een kromheid nu en toen. Wat een geveinsdheid en tweeslachtigheid. Met Hiskia naar de tempel, met Manasse naar de afgoden, in Josia's tijd meeroepen in het koor; des Heeren tempel. De Heere zal hen weg doen. Wat een zuigkracht, die kromme wegen, de heersende stromen. Maar boven het gebruis van deze stromen klinkt nog: wendt u naar Mij toe en wordt behouden. Zijn doorboorde handen van Christus in het woord naar ons uitgestrekt: al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw.
Vrede over Israël. Dat is rust in de tijd en voor de eeuwigheid voor het Israël dat God vreest, dat weet van wedergeboorte, waar geloof en waarachtige bekering. Zij moet door de tijd heen, met veel onvrede van alle kanten.
Maar: de Heere is rondom hen, laten we onderweg nog eens daarvan zingen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's