Kerk en financiën *)
3
Teruggang
Wanneer wij ons van de bijbelse noties over onze houding ten aanzien van het stoffelijke goed rekenschap geven en daarbij bovendien bedenken dat de lasten van de kerkvoogdijen op door de gestegen welvaart sterker geworden schouders drukken, dan is er inderdaad geen reden waarom de kerk in financiële moeilijkheden zou moeten komen. We stuiten hier echter op een ander verschijnsel namelijk dat van de achteruitgang van de kerk. Terwijl de lasten van de kerkvoogdijen stijgen zien we bovendien naast migratie een snelle secularisatie, een voortgaande ontkerkelijking, gemeenten waar steeds minder jongeren als lidmaat tot de gemeente toetreden, met als gevolg, zoals we al eerder stelden, inkrimping van gemeenten, vorming van streekgemeenten en opheffing van predikantsplaatsen. Hier ligt de kern van het vraagstuk. Het probleem van de kerkelijke financiën is ten diepste een geestelijk probleem. In de financiële moeilijkheden hebben we te maken met de gevolgen van veel dieper liggende oorzaken dan prijsstijgingen. De financiële nood van de kerk is de nood van de prediking. Hiermee wil niet gezegd zijn dat ieder probleem van financiële aard op plaatselijk niveau tot de prediking ter plaatse is terug te voeren. Zo rechtlijnig ligt het niet. Er zijn ook andere omstandigheden die een gemeente in geldelijke problemen kunnen brengen. Maar nog altijd geldt: Een gemeente die leeft, geeft.
We hebben zoeven gememoreerd dat de actie kerkbalans naar schatting 160 miljoen gulden zal opbrengen. Een fors bedrag en een stijging t.o.v. 1975 van ruim 12%. Maar is het bedrag werkelijk zo indrukwekkend ? Omgerekend naar 3 miljoen hervormden inclusief doopleden is dit slechts ƒ 53, — per persoon per jaar of wel, één gulden per week. Aangezien dit een gemiddeld bedrag is, en velen hier ver bovenuit gaan, kan 'de conclusie slechts zijn dat er ook velen zijn die minder of helemaal niet aan de kerk geven: het verschijnsel van de geboorteleden en randkerkelijken komt ook hier tot uitdrukking. Wanneer de kerk een randverschijnsel is, zal de bereidheid om aan de kerk financieel bij te dragen dienovereenkomstig gering zijn.
Er is dus een rechtstreekse relatie tussen het peil waarop het leven van de kerk zich beweegt en de financiën. De financiële nood is een graadmeter voor de geestelijke nood. Maar omgekeerd geldt ook, zoals we in het voorafgaande hebben aangetoond, dat de financiële nood op het plaatselijk vlak kan nopen tot maatregelen van inkrimping en opheffing, die het proces van teruggang en ontkerkelijking verder bevorderen.
Wat te doen ?
Wat staat de kerk in deze situatie te doen ? Moet het kerkelijk leven van de gemeenten zich aanpassen aan de toenemende lasten, desnoods hier en daar ten koste van een goede behartiging van de geestelijke belangen van de gemeente ? Of moeten de lasten worden aangepast aan wat de gemeenten, zonder schade kunnen dragen en daarbij zonodig ook een aantal algemeen noodzakelijk geachte verbeteringen worden stopgezet ? Me dunkt dat uit dit dilemma nog niet gekozen hoeft te worden. De eerste eis die aan de financiële huishouding van de kerk gesteld mag worden is dat de kerk erdoor gediend wordt in de vervulling van haar wezenlijke opdracht, naar Mattheüs 28 : 19: Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles wat ik u geboden heb.' Het gaat allereerst om de wijze waarop de gelden besteed worden. Toen we in het voorafgaande een opsomming gaven van de besternmingen die aan de gelden voor het Algemeen kerkelijk werk en de Generale Kas worden gegeven, hebben we onze bedenkingen al geuit ten aanzien van het werk van de vele vrijgestelden in de kerk, de studentenpredikanten en bepaalde vormen van jeugdwerk. Wanneer deze bezwaren uitsluitend zouden zijn ingegeven vanwege de financiële moeilijkheden in de kerk, zouden ze al ernstig genoeg zijn. Een grondige bezinning op de structuur van de kerk en de daaraan verbonden kosten is dringend geboden. Maar dan zou het alleen nog gaan om een verantwoord financieel beheer. Om de op zichzelf zeer belangrijke vraag welke activiteiten binnen een te krap budget voorrang moeten krijgen. De zaak ligt echter veel dieper. Een aantal voorbeelden daarvan zijn eerder al genoemd. Is het te veel beweerd wanneer we zeggen dat in naam van de kerk en met geld van de kerk studies worden gemaakt en rapporten worden uitgebracht die het proces van verwereldlijking en ontkerkelijking alleen maar bevorderen. Wat mogen we verwachten van de ontwikkeling van het kerkelijk leven wanneer de verkondiging van het Evangelie plaats moet maken voor het uitdragen van politieke ideologieën ? Heeft het zin om over financiële problemen van de kerk te praten, wanneer het fundament van de financiën, het leven van de gemeente wordt ondermijnd. Het probleem van de kerkelijke financiën is dan ook niet in de eerste plaats een kwestie van waar de gelden vandaan moeten komen, maar waaraan ze moeten worden besteed.
We leven in een situatie waarin de kerkvoogdijen het moeilijker krijgen en het kerkelijk leven teruggaat. Is dat zichtbaar in het beleid van de kerk. Het financiële beheer geeft de koers van het geestelijk beleid aan. Mogen we vragen of we daarin de nood van de kerk terugvinden ? De zorg voor de rechte prediking, het vanuit de Schrift ingaan op de geestelijke problemen van deze tijd, aandacht voor het werk van de evangelisatie, de zending en het werelddiakonaat ? Wanneer deze roeping wordt verstaan kan er geen discussie zijn over de vraag of er geld moet worden afgedragen voor Algemeen kerkelijk en landelijk werk. Dat zal in een presbyteriale kerkstructuur nodig zijn. Evenmin zal het een vraag zijn of we met elkander de lasten van de kerk moeten dragen.
Het is alleszins denkbaar dat hierbij in de toekomst gedacht moet worden aan vormen waarbij een sterkere gemeente een zwakkere financieel adopteert. Het 'draagt elkanders, lasten is in de kerk zeker onverkort van kracht.
Intussen pleiten we er in de bestaande situatie niet voor om onze gelden in te houden uit protest tegen de, bestedingen die in het voorafgaande zijn genoemd en die onze instemming niet hebben. Dit is niet de weg die we elkaar hebben te wijzen. Trouwens, op het niet-betalen van de Quota en de bijdragen aan de Generale Kas staat de sanctie van blokkering van het beroepingswerk. Met de speciale collecten ligt dat anders. Een aantal van deze hebben binnen de Geref. Bond een eigen bestemming gekregen. En ten aanzien van andere, specifieke gevallen waarin gelden worden gevraagd voor doelstellingen waarin we de weg van de kerk niet herkennen, zullen we duidelijk 'neen' moeten zeggen (Antiracisme-fonds, 2% ontwikkelingshulp, interkerkelijk vredesberaad e.a.).
Belangrijk is dat we voortdurend blijven vragen naar sanering van de kerkelijke organisatie en naar de juiste besteding van de gelden overeenkomstig de roeping van de kerk. Niet alleen met de bedoeling om de financiële knelpunten van de kerk weg te nemen, maar vooral om de werkelijke oorzaken hiervan te bestrijden: de ontstellende uitholling van het geestelijk leven en de infiltratie van de tijdgeest.
Tenslotte, we behoeven de kerk niet te redden middels de financiën, hoe belangrijk die ook zijn, - want de kerk is voor ons geloofsobject. Wij belijden van haar met art. 27, van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: 'Deze kerk is geweest van den beginne der wereld af, en zal zijn tot het einde toe; gelijk daaruit blijkt, dat Christus een eeuwig Koning is, dewelke zonder onderdanen niet zijn kan. En deze heilige kerk wordt van God bewaard, of staande gehouden, tegen het woeden der gehele wereld; hoewel zij somwijlen een tijdlang zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de ogen der mensen; gelijk zich de Heere, gedurende de gevaarlijke tijd onder Achab zevenduizend mensen behouden heeft, die hun knieën voor Baal niet gebogen hebben.'
Aan een kerk die in dit geloof staat, uit dit geloof leeft zullen de financiën daarbij geschonken worden.
* Referaat gehouden op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond op woensdag 19 mei te Nijkerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's