De nood des tijds
Prof. dr. W. J. Aalders
Leven met onzekerheid ?
De Middeleeuwse Magister Martinus heeft de bekende regels geschreven:
Ik leef en weet niet hoe lang;
ik sterf en weet niet wanneer;
ik reis en weet niet waarheen;
't verbaast mij, dat ik vrolijk ben.
Dit vers wordt aangehaald in een boek van Frank Matzke: 'de jeugd getuigt: zo zijn wij'. Matzke wil tegenover deze onzekerheid niet de moedeloosheid stellen. Hij wil de opgaven van het leven met een soort heroïsche zakelijkheid aanpakken en uitvoeren, ook al is de vraag naar de zin van het leven net te beantwoorden. Ook zonder te weten, wie ons tot deze plicht roept en waarom.
Maar kan men zich inderdaad zo gemakkelijk afmaken van de vraag naar de waarde van het leven ? Kan men zich met allerlei kunstmiddelen (o.a. eubiotiek en euthanasie) losmaken van de vraag wat het leven is wat het sterven zal zijn ? Zijn deze vragen liefhebberijen van leeglopers, kluizenaars en bespiegelende aanbidders (Matzke) ? Of zijn ze juist zeer ter zake. We denken aan Paulus' woord: het leven is mij Christus en het sterven gewin. Dit woord ademt dezelfde zekerheid als die waarmede onze Heidelbergse Catechismus inzet over de enige troost in leven en in sterven. En dat temidden van de heftige bewogenheid van die tijd. De levende God is daar de scheppende oorzaak en de dragende kracht van ons doen.
Daar is de rust van het kind, dat zijn Vader kent en vertrouwt, zonder dat een ontijdige nieuwsgierigheid dat kind er toe dringt in diens archief binnen te sluipen en de vader zijn geheimen te ontfutselen. Het geloof geeft God crediet.
Er is een hoger steunpunt, dan dat van de natuurlijke gegevenheid. Als dat laatste z'n zekerheid gaat kwijtraken en men heeft geen ander houvast, dan wordt de mens een ontwortelde avonturier. Alleen wie zijn steunpunt, boven menselijke ideeën en wereldbeschouwingen uit, in God vindt, vindt in Hem de vaste grond van zijn geloof en hoop; en ook de bron van de waarachtige liefde. Die gelovige is niet zelfvoldaan. Ook niet wanhopig. Zelfs als arme van geest, treurende, hon gerende en dorstende, vervolgde, wordt hij door Jezus zalig gesproken, niet omdat, wat hij bezit, maar om wat hij mag verwachten.
Het Evangelie is een zaak van bloedige ernst, omdat het vraagt, dat wij ons eigen leven zullen verliezen. Maar daardoor past het ook bij de bloedige ernst van de nood des tijds.
Het gaat hierbij niet om een methode of een schema, maar om het leven zelf Hij, die als de Man van smarten door lijden tot heerlijkheid is gegaan, openbaart de goddelijke solidariteit, de heilige liefde, die verzoenend en verlossend in deze wereld zich baanbreekt.
Hierdoor verandert alles van karakter. Ook het lijden. De Christen verheft er zich niet boven in heldhaftige gelijkmoedigheid (de oudheid). De Man van smarten riep Zelf Zijn lijden uit aan het kruis. Maar onder alle bewogenheid legt God een diepe rust in Hem en in het werk Zijner genade. Luther was zeer bedroefd, toen zijn dochtertje Magdalena stierf. Maar tegelijk was er de troost om de vrede, waarin het kind was ingegaan. Hier wordt het leven aanvaard met de bede: niet mijn wil, maar Uw wil geschiede. De antieke mens zag achter de vrolijke voorgrondswereld alleen noodlot en toeval. De christen ziet achter de donkerheid van de wereld, die voor ogen is, de barmhartigheid en de kracht Gods in Christus. Het lijden wordt voor hem niet het laatste, maar het vóór-laatste, een weg, die door het kruis tot het licht voert.
Zo wordt het lijden zelfs een daad. Niet alleen een lot. Wie zijn Doop verstaat, leert 'zijn kruis. Hem dagelijks navolgende vrolijk te dragen'. Zo raakt een mens er niet 'onder'. Ook niet onder zijn werk, dat slechts deel uitmaakt van een groter geheel, waartoe God Zelf telkens weer roept. De christen leert de betrekkelijkheid en voorlopigheid zien van de wereld en van zichzelf. Maar het feit 'dat God het van belang acht mij tot iets te roepen, zegt genoeg', het maakt Van het alledaagse bestaan een goddelijke opdracht; van de, mens van de dag een eeuwigheidskind. Zijn werk wordt ook een voorbereidende oefening voor de eeuwige dienst Gods. Zoals een kind in z'n straks weggespoelde strandvesting, voorbereiding ontvangt voor het bouwen, waartoe het leven straks roept. In Christus, de geïncarneerde liefde Gods, krijgt alles betekenis, wat in verband met God gebracht wordt.
Daarbij behoort ook de betrekking tot de naaste ('alle godsdienst is driehoekig'). Ook onze lichamelijkheid komt in dit licht tot haar recht. God heeft in het paradijs mensen geschapen, geen geesten. De verhoudingen van lichaam en ziel, verstand en gemoed worden in de geloofsgemeenschap met God recht getrokken. Ook de beschaving krijgt, onafhankelijk gemaakt van weelde en geluk, zelfs bij zeer eenvoudigen, een karakter van hoger orde.
De mens wordt in Gods licht ook onafhankelijker van de mensen. Jezus weet, als ieder Hem verlaat: de Vader is met Mij. En Paulus beroept zich van. het oordeel der mensen op den Heere, Die hem oordeelt.
Belang van de naaste
Die onafhankelijkheid betekent niet, dat wij de naaste wel kunnen missen. God plaatste de naaste naast ons. Liefde voor verre naasten alleen, zonder die voor de naaste nabij ons, is van twijfelachtige waarde. God plaatst allerlei naasten door natuurlijke of geestelijke verwantschap, of ook door levensleiding op onze weg. De natuurlijke motieven voor de naastenliefde zijn vanwege onze zelfzucht en heerszucht, grilligheid en onbetrouwbaarheid, op de duur ontoereikend. Wie echter met God rekent ziet Gods beschikking in onze ontmoeting met de medemens, die met mij Gods schepsel is, met mij voorwerp van Zijn zorg, met mij zondaar en schuldenaar, misschien met mij iemand voor wie Christus gestorven is (1 Cor. 8:11).
In de driehoek gaat het om die Derde. De Züricher psycho-analyst Maeder had in zijn spreekkamer een afbeelding van Christus hangen, om zichzelf er aan te herinneren: we zijn altijd met z'n drieën. De diepste grond van alle menselijke verhoudingen komt daardoor te liggen in de wet der liefde.
De maatschappij
Een van de kringen, waaruit onze naasten ons tegemoetkomen, is, naast het gezin, de maatschappij, al is deze minder centraal dan het gezin. Men verachte de maatschappij niet. Wie dat doet wordt daarvan een negatieve parasiet. Het grote gevaar van de maatschappij is echter, dat zij alles mechaniseert, dat de arbeid daardoor werktuiglijk wordt, zonder vreugde en zonder initiatief. Soms heeft de werker aan een onderdeel nauwelijks zicht op het geheel. In de regel mist hij de vreugde van de landman, die het leven der natuur begeleiden mag. Waar de vreugde ontbreekt, treden gauw vermoeidheid en verveling op. Het geloof leert ons van het maatschappelijk leven niet te veel te verwachten. Tevens onze plaats daarin uit Gods hand te aanvaarden, zonder valse geestdrift of verborgen bitterheid, maar met nuchtere trouw en geestelijke zakelijkheid.
Aalders meent, dat in 1934 de staat meer belangstelling had dan de maatschappij. Ik meen, dat dit in 1976 onder ons niet zo is. Eer wordt de maatschappij gezien als één van de voornaamste doeleinden van het politieke leven. Maar Aalders ziet de totalitaire staten van die tijd en verwondert zich er over, dat de mensheid zozeer het verband met de eeuwigheid en met den Heilige verloren heeft, dat zij er toe komt een staats-beeld te aanvaarden 'dat de kenmerken van het volstrekte en heilige draagt', een afgod, waarvoor geweten en geloof, godsdienst en kerk moeten wijken. Daartegen moeten de christenen van de 20ste eeuw zich verzetten, evenals die van de eerste eeuwen.
Nu is het geloof niet revolutionair en nog veel minder anarchistisch. Het is ook realistisch. Het Koninkrijk. Gods heerst nog niet. De wetten van de staat betekenen niet de gerechtigheid van het koninkrijk Gods. De wereld ligt nog in het boze. Daarom is de sterke arm nodig, hebben we de keizer te geven wat des keizers is en alle machten over ons gesteld onderworpen te zijn. De christen is zowel tegen staats-vergoding als tegen staats-verwerping. In de wereld is hij niet van de wereld.
De mensheid
Door haar massaliteit dreigt deze een ongrijpbare grootheid te worden. Meer een begrip dan een werkelijkheid. Ook de humaniteit, waarop toen nog zwakker, nu sterker een beroep wordt gedaan, dreigt meer constructie te worden dan werkelijkheid. Vooral wanneer een godsdienstig fundament ontbreekt. Dit laatste laat mij de mede-mens zien als mede-schepsel. Ook spreekt het Evangelie van Christus alle talen en bevat daarom de meest geestelijke uitdrukking van de mensheidsgedachte. Ondanks verscheidenheid staan alle volken onder Gods voorzienigheid, oordeel en genade.
Maar ook die mensheid is niet alles. De wijsbegeerte heeft in de regel de mens in haar denken al te zeer losgemaakt van het wonder van Gods schepping. Ondanks haar chaotische verschijning, die onze schuld is, draagt zij de sporen van de goddelijke hand. Die haar schiep. Waar dat beleefd wordt gaat men die schepping anders zien. Men heeft oog voor de tragiek van deze wereld. Maar haar barensnood is in het licht van Gods beloften vol verwachting.
Tussen heden en toekomst
De Bijbel kent de kloof tussen deze wereld en de toekomende. Toch is deze kloof niet absoluut. De kerk staat met het Evangelie op de grens van twee werelden. Dat Evangelie komt van de overzijde. Het is één. Maar het komt tot een veelheid van mensen in allerlei tijden en plaatsen. De eenheid gaat echter boven de veelvormigheid uit. Het éne doel yan het Evangelie is 'God ons nabij en óns nabij God te brengen'.
Een kwellend probleem is daarbij de gebrokenheid van de kerk. Welke kerkdeur moet ik kiezen ? 'Daar spelen allerlei secundaire factoren een rol. Maar hoofdzaak is, dat ik daar kom, waar duidelijk en onverkort de roep van God tot de mens weerklinkt.
Die kerk is onmisbaar vanwege haar ethische plaats in deze wereld. Maar ook vanwege haar (niet altijd juist vervulde) moederlijke functie. Zij blijft vaak in gebreke. Zij is niét zelf het koninkrijk Gods. Zij kondigt het aan. Dat koninkrijk is komende. Op Gods tijd zal het inbreken in deze wereld, vernietigend en verlossend. De gelovige verwacht het met huiver en verlangen. Alles wat mens en wereld ooit gedroomd en gedacht hebben kan daarmede niet vergeleken worden.
Deze beleving van het heden van uit de verwachting van deze toekomst geeft aan het leven stijl en gang. Alles komt daarbij op z'n plaats en in de juiste proportie. Jezus ziet de bloemen en de kinderen. Hij ziet de schare en de enkeling. De wil van God wordt het grote oriëntatiepunt. Want uit Hem, door Hem erf tot Hem zijn alle dingen.
De christen, die zichzelf en alles aan die God toevertrouwt, beziet het leven critisch vanwege z'n betrekkelijkheid en vol verwachting wegens de vol-einding, waarheen haar geschiedenis op weg is.
Het gaat naar de oogst. Dan worden onkruid en tarwe, hier gelijk-op groeiend, gescheiden.
Deze overtuiging geeft aan het leven een ontzaglijke spanning. Wie die uit het leven wegneemt, berooft het van zijn ernstige schoonheid. Het Christendom, is en blijft jong. Want het leeft van de hoop en van het geloof aan het eeuwige leven. Dit in tegenstelling b.v. met de Grieken, die leefden van de herinnering. Zij waren oud.
Het geloof heeft de pretentie, dat zijn weg de uitweg is. De mens kan de keuze niet ontwijken die weg te gaan of-niet te gaan. Niet kiezen is ook kiezen. Maar het geloof beroept zich op het gezag van Hem, Die gezegd 'heeft: 'Ik ben de weg en de waarheid en het leven'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's