Geloofsmoeilijkheden
Pastofale overwegingen
2
De dwaas
We kwamen bij de vraag: 'bestaat God wel ?' Misschien denkt iemand van onze lezers (-essen) wel meteen aan die tekst uit Psalm 14: 'de dwaas zegt in zijn hart: daar is geen God'. En, zegt Hellenbroek in zijn bekende vragenboekje, dat is meer een dadelijk wensen dan geloven. Ook al verwereldlijkt ook ons volk en de kerk schrikbarend, er zijn nog altijd heel wat mensen, die het wel fijn zouden vinden, als God er niet was, maar diep in hun hart is er het besef, dat Hij er wel is, en zij zijn er ook wellicht nog bij groot gebracht. Ja, er komt geen mens ter wereld of daar is in het hart de wetenschap dat God er is, hoe Hij ook benoemd wordt. De moderne mens kan dan wel zeggen: 'dat hoort thuis in de primitieve samenleving van de angst, in de denkwereld van domme, bijgelovige, voorbijgegane geslachten, hij is dan nog verder weg dan de heiden. Maar er zijn er ook onder ons, die, ontdekt door de Heilige Geest aan hun verdorven hart, belijden: 'mijn vijandig hart wenst het ook, wil van God af'. Wij worden, als God ons wijs maakt tot zaligheid, dwaas bij onszelf. Die dwaas ontdekken we ook in onszelf. Maar dwazen maakt Hij wijs.
Er zijn wel eens 'bewijzen voor het Gods bestaan' geleverd, maar geloof is geen rekenkunde of wiskunde met een gegeven en een te bewijzen. Hij openbaart Zichzelf. Die tot God komt, moet geloven dat Hij is, en dat Hij een beloner is dergenen, die Hem zoeken.
In het geloof is vertrouwen
In een opstel van prof. De Vrijer over 'moeilijkheden bij het gebed' merkt de hooggeleerde schrijver op, 'dat de worstelende twijfelaar hem liever is dan de vadsige schijnvroomheid van degene, die zegt: ja, natuurlijk is God er, maar die ondertussen bij het doen van allerlei kwaad denkt: de Heere ziet het (toch) niet, Hij doet noch goed, noch kwaad.
Maar al is het geloof nog zo zwak in het begin, zo pover en arm, is het waarachtig, dan is er een element van vertrouwen in. Men kan het niet beredeneren, men kan het niet uitdrukken, en toch is er iets van het 'nochtans des geloofs' in de ziel. Al kan ik het niet bewijzen, al kan het logisch geredeneerd grote dwaasheid lijken, ik geloof in God. Niet ook maar dat Hij er is, gewoon, zonder meer, maar dat er een betrekking tot Hem in mijn hart is.
Ouderwetse christenen spraken in dit verband wel eens over 'een betrekking in het hart op een onbekende God, Die men liefkreeg'. En juist dezulken gaan vragen, dat God Zich aan hen zou willen openbaren. Hoe zalig is het te mogen buigen voor de waarheid van Zijn Woord. Hoe groot de zegen in de benauwdheid en door schuldbesef getroffen de toevlucht te zoeken buiten zichzelf bij de Heere, 'o Heere, ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg'. Hoe onbeschrijfelijk heerlijk te mogen delen in het wonder van de vrijspraak van schuld en straf en overgenomen te worden voor eeuwig door de Heere Jezus.
Daar is wel eens onderscheid gemaakt tussen een toevluchtnemend en een verzekerd geloof, maar in beide is een vast vertrouwen. De vluchteling naar de vrijstad weet zeker: 'daar moet ik zijn, om veilig te zijn voor de bloedwreker'. En hij of zij, die mocht ingaan door de poort wist behouden te zijn.
Het geloof is zeker, al is er in de gelovige nog zoveel schommeling en twijfel. Het geloof nu is een vaste grond der dingen die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet.
Op Wie is het geloof gericht ?
In een opstel over: 'De onbekende God' schrijft wijlen prof. dr, J. H. Bavinck: 'er zijn drie wegen waarlangs een mens in zijn leven met God van doen krijgt. De eerste weg is de wereld, de natuur, die ons omringt. In haar overweldigende „grootheid dwingt zij ons als het ware tot de erkentenis van God. Direct en spontaan gebeurt dat. De tweede weg is de weg van de levensleiding. Er zijn goede en kwade dagen, allerlei schikkingen en lotgevallen, en in die alle spreekt tot ons de grote Regeerder van het leven. De derde weg is die van Zijn Openbaring, voluit en het heerlijkst in Jezus Christus. Na eeuwenlange voorbereiding door de profetie is Hij in de wereld verschenen, in Wien wij God Zelf in de ogen zien. De gordijnen zijn opzij geschoven en God heeft Zijn volk bezocht'.
Willen wij God kennen, dan is nodig dat Hij Zic|i bekend maakt. Hij is God, wij zijn mensen. Hij is de Volkomene, wij gevallen schepselen. Daar is een onoverbrugbare kloof, die ons scheidt van Hem. Maar Hij is neergedaald in ons bestaan. Hij komt door Zijn Woord en Geest en werkt in ons hart ware Godskennis, ware zelfkennis, ware kennis van Jezus Christus.
We kunnen vanuit de natuur en door de leiding van ons léven zien dat er een God is. Maar wie Hij is, wie wij zijn voor Hem, wat Hij zijn wil voor ons in Christus door de Geest, ziet dat is alleen door Zijn bijzondere openbaring te verstaan. Openbaring is onthulling. Hij treedt uit de verborgenheid op ons toe en ontdekt ons de ogen. Hij werkt, om zo te zeggen, ook hier van twee kanten.
Het geloof richt zich op God en op Zijn getuigenis. Zeker is dat geloof te noemen, wanneer we voor de waarheid van Zijn boodschap onderdoen. Spreken we van zaligmakend geloof, dan is dat bijzonder gericht op de Zaligmaker, de Heere Jezus en de beloften van Zijn genade in het Evangelie geopenbaard. In zoverre kan een zeker onderscheid terecht worden gemaakt, naar aanleiding van wat de Heidelberger ons in zondag zeven onderwijst.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's