De zedelijke draagkracht van het volk
Naar aanleiding van het artikeltje, dat ik twee weken geleden schreef onder het opschrift 'Barre tijden.', waarin ik gispte het blijven gedogen van het huidige kabinet ook door confessionele politici, is er een korte radiodiscussie geweest tussen mr. Aantjes en ondergetekende, waarvan we de tekst hopelijk spoedig kunnen plaatsen ter kennisname van de lezers. Desgevraagd zei mr. Aantjes dat één van de motieven om dit kabinet te blijven gedogen is het feit, dat er na dit kabinet geen beter zal komen, met andere woorden: er is geen heter alternatief! Ik zou niet graag zeggen dat dit geen zwaarwegend argument is bij de beoordeling of men een kabinet handhaaft of niet. Maar mijns inziens is er een moment, waarop gehoorzaamheid aan het gebod Gods nopen moet tot het breken met een beleid, waarin hoge normen met voeten worden getreden. Het steunen van het dan zittend kabinet of van een nóg 'slechter' is dan namelijk slechts een gradueel, geen principieel verschil.
Ik zou dit hier niet hebben opgehaald, ware het niet dat mr. Aantjes tijdens de discussie prof. dr. J. Severijn sprekende had ingevoerd. Prof. Severijn had eens gezegd, dat christelijke politiek is het aanbrengen van eela relatie (verband) tussen het absolute criterium (norm) van het gezag van Gods Woord en het relatieve (betrekkelijke) criterium van de zedelijke draagkracht van het volk. Politiek is dus ook rekening houden met wat het volk dragen kan. De conclusie van mr. Aantjes, aansluitend bij het geciteerde van prof. Severijn, was: de zedelijke draagkracht van het volk wordt minder en dus zal er politiek ook minder haalbaar zijn.
We beseffen zeer wel, dat ieder die aan politiek doet met de zedelijke draagkracht van het volk te maken heeft. Daarvoor geen besef te hebben betekent het oproepen van de revolutie. Het geloof is niet op te leggen. Geloofsovertuigingen en normen zijn niet af te dwingen. Maar christelijke politiek te beoefenen betekent dan toch wel dat absolute criterium van het gezag van het Woord ernstig nemen. En het is voor mij zéér de vraag — of eigenlijk is het geen vraag — of prof. Severijn nret zijn uitspraak heeft kunnen bedoelen een kabinet als het nu zittende te gedogen, waar het om zulke ingrijpende ethische zaken gaat. Wanneer de waarde van menselijk leven in het geding is is het geen vraag meer of nog een relatie te vinden is tussen het gezag van het Woord en de zedelijke draagkracht van het volk. Bovendien gaat het thans niet om een regeringspolitiek die (in vredesnaam dan maar) aansluit bij de zedelijke draagkracht van het volk, rnaar om een politiek die er zelf mede oorzaak van is dat deze zedelijke draagkracht zwakker wordt. En dan kan er mijns inziens niet anders dan néén gezegd worden. Gedogen is dan alleen mogelijk op straffe van medeverantwoordelijk te zijn voor het schenden van normen, die het schenden van het absolute criterium van het gezag van het Woord betekent.
In 1957 schreef prof. Severijn een opstel in een bundel ter hulde aan dr. J. Schouten onder de titel 'Reformatorische politiek in de lijn der historie'. Daarin besteedt prof. Severijn aandacht aan de vraag of een anti-revolutionair samen met een socialist in één kabinet kan zitten. Hij beantwoordt die vraag met een aarzelend ja, 'doch op voorwaarde dat de anti-revolutionair de leiding heeft, aangenomen ook, dat hij een goed anti-revolutionair is'. En dan zegt prof. Severijn:
'Maar andersom ? De socialist de leiding ? Dan wordt het toch bedenkelijk. Ook in het doorbraak-socialisme ? Stellig, want de eerste en voornaamste stelling van het doorbraak-socialisme is een miskenning en verwerping van de antithese tussen geloof en ongeloof, tussen christelijke en natuurrechtelijke of humanistische staatkunde, of hoe men deze wil kwalificeren.'
Hij ziet het socialisrhe in het verlengde van de Franse revolutie. Men leze:
'Zij heeft dan ook niet nagelaten haar stempel te drukken op het maatschappelijke en staatkundige leven der negentiende eeuw en de volken te bevruchten met haar denkbeelden en meningen, aanvankelijk onder de heerschappij van een libertijns individualisme, hetwelk de weg zou bereiden voor een alles nivellerend, onpersoonlijk socialisme, dat aan geen ding zo arm is als aan waarachtig sociaal gevoel, in wezen tyranniek en van niets zo afkerig als van een staatkunde naar anti-rèvolutionair patroon.'
Bij dit alles lijkt het me dan ook bepaald de vraag of prof. Severijn in het gedogen van dit kabinet een verwezenlijking, van zijn aan het begin van dit artikel genoemde uitspraak zou hebben gezien. We beseffen zeer wel dat er geregeerd moet worden, we beseffen ook dat de politieke constellatie in ons land zodanig is, dat regeringen met socialisten voorkomen. Maar de vraag is wel wat dan een christelijke opstelling is: mede (met de socialisten) verantwoordelijkheid dragen, of naar eer en geweten opponeren.
Men houde zich ervan verzekerd dat bij het stellen van deze dingen wat mij betreft de crisis van deze tijd meer aanleiding is dan overwegingen van partij-politieke aard. Laatstgenoemde overwegingen heb ik namelijk niet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's