De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verderfelijke diplomatie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verderfelijke diplomatie

7 minuten leestijd

En nu zeg ik U: Houdt af van deze mensen en laat hen gaan; want indien deze raad of dit werk uit mensen is, zo zal het gebroken worden; maar indien het uit God is, zo kunt gij dat niet breken, opdat gij niet misschien bevonden wordt ook tegen God te strijden. Handelingen 5: 38 en 39.

Gamaliel, bekend Joods raadsheer, was een slim diplomaat. Maar direkt daarbij gevoegd: niet van de beste soort. Toen er een groot tumult in het sanhedrin ontstond, en de anderen zich te buiten dreigden te gaan, wist Gamaliel olie te werpen op de woede-golven van zijn collega's. Allen waren namelijk van mening, dat het maar eens afgelopen moest zijn met de prediking over die gehate Nazarener. Ze vonden het hoog tijd, dat er krasse maatregelen genomen werden tegen Zijn nog altijd actieve volgelingen. Vooral nu Petrus en Johannes al voor de tweede keer sinds kort voor hun raad verschenen. Ditmaal samen met de andere apostelen, alle twaalf. Eigenlijk zouden ze hen 't liefst hetzelfde gedaan hebben als ze hun Meester deden. Doden. Kennelijk dacht echter niemand van hen aan de mogelijke consequenties. Zoals trouwens zo vaak bij mensen, die buiten zichzelf zijn van woede. Uitgezonderd dan de slimme en handige Gamaliel. Het volk zou immers in opstand kunnen komen. Dat zou de positie van de Joodse raadslieden kunnen schaden. Natuurlijk mocht dat onder geen beding gebeuren. En dan is het Gamaliel, die in een crisis-situatie bovenstaande woorden spreekt.

Ogenschijnlijk lijkt deze raad van Gamaliel nog niet zo. slecht te zijn. Op zich is het zelfs een waarheid, waaraan niet te tornen valt. Welke ook opgaat in het Koninkrijk van God en in het leven der genade. Nietwaar, het is alleen maar juist, tot op vandaag toe: godsdienstig werk, dat uit de mens zelf opkomt, dat wij zelf bouwen, kan niet bestaan voor de Heere! En hoeveel eigen gebouwd, zelfgewerkt godsdienstig werk, wordt er helaas nog aangetroffen ? Ook onder ons. Misschien wel in ons eigen hart en leven. Schuldbelijdenis, geloof, genade, bekering, welke niet waarachtig zijn.

Meer van buiten geleerde lesjes uit boekjes dan vruchten van het ware werken van Gods Geest. In wezen ten onrechte toegeëigend, gestolen heilsgoed, in plaats van door de Heere zelf, in ondoorgrondelijke ontferming in Christus, toegepast en geschonken genadeleven en gemeenschap met Hem. Inderdaad, zo gezien kan ook dit Bijbelwoord een dringend appèl bevatten om onszelf in deze toch maar ernstig en nauw te onderzoeken voor God de Heere. Mensenwerk zal immers nooit in Gods grote gericht kunnen bestaan !

Het is echter duidelijk, dat Gamaliel deze woorden beslist niet zo heeft bedoeld. Dan zou hij veel meer een pleitrede voor de jongeren van Jezus gehouden hebben en zich als een advocaat voor hen hebben opgeworpen dan zich diplomatiek op de vlakte houden, zoals hij nu deed. Nee, eerder dan te pleiten voor de twaalf apostelen pleit Gamaliël hier voor de sanhedristen zelf. Tussen de regels van zijn hele toespraak klinkt de indringende waarschuwing: 'Denk toch om uw aanzien, uw positie, bij alles wat u gaat doen'. En dat is precies het verderfelijke, het gevaarlijke in de woorden van deze raadsheer. Zijn, — oppervlakkig beschouwd, — alleszins vrome en ware uitspraak is een vlag, die een vreselijke lading dekken moet. De woorden, die Gamaliel spreekt, vormen een afschuwelijke tegenstelling met datgene, wat hij in zijn hart gevoelt. Hij laat doorschemeren alsof hij een waarachtige leer metterdaad zou voorstaan, terwijl hij in zijn binnenste niets van de zaak des Heeren, de waarachtige vreze Gods, hebben moest. En het is al ontzettend, wanneer wij van de Heere en Zijn genade niets willen weten in onze schuld en verlorenheid van nature. Maar nog veel ontzettender is het, wanneer we dat zouden verdoezelen door een schijnbaar vrome toespraak, zoals hier gebeurt. Met name ook het tweede deel van de raad van Gamaliel toont ons dit verderfelijke van zijn diplomatie. 'Maar indien het uit God is, zo kunt gij dat niet breken, opdat gij niet misschien bevonden wordt ook tegen God te strijden'.

Ook hiervan geldt, dat er op zichzelf niets tegen in te brengen valt. Immers deze woorden zou elke waar-gelovige direkt tot de zijne kunnen maken, in zijn strijd op aarde tegen de zonde, wereld en duivel.

Ze zouden de welgemeende belijdenis kunnen zijn van God volk in alle aanvechtingen en benauwdheden. Vooral waar zovele vijanden het op haar vernietiging hebben gemunt. De rechtvaardigen weten door genade, dat het werk des Heeren nooit te breken valt. Dat wie dat probeert, bezig is tegen de Heere God zelf te strijden. Temidden van al het woeden is deze geloofszekerheid juist een krachtige troost voor hen. Des te erger is het dan, dat Gamaliel zo'n waarheid Op een dergelijke wijze misbruikt. Zoeven had Petrus nog getuigd van Christus, die op aarde gekomen was om zondaars te behouden. Hoe ook deze Zaligmaker, na Zijn opstanding en hemelvaart, de Heilige Geest gezonden had om Zijn gemeente te bouwen en te beschermen. Maar Gamaliel kwam ook hierna niet verder dan een waar woord te spreken, waar echter zijn hart niet achter stond. Dus huichelarij, veinzerij, verderfelijke diplomatie.

Zoals wij allen van nature wilde ook deze raadsheer niet buigen voor Gods werk en Zijn genade. Anders zou hij beter gesproken hebben. Anders zou hij getuigd hebben dat Jezus inderdaad de ware Messias was, welke ook het sanhedrin moest vrezen. Maar daarvan horen we niets. Dat betekent, dat Gamaliel, ondanks dit ware woord, zich verzet tegen Gods werk in de wereld, in Jeruzalem, en in zijn eigen hart. Dat hij helaas daardoor strijdt tegen de Heere God. Ja, inderdaad, deze raadsheer heeft het ogenschijnlijk op dit moment ver gebracht. We zouden van hem kunnen zeggen, wat Christus van die andere schriftgeleerde heeft gesproken: 'Gij zijt niet ver van het Koninkrijk van God'. Zover kan de verstandelijke kennis het brengen. Dat men nabij het rijk van Gods genade komt. En er toch niet kan ingaan. Nee, zoals een Gamaliel, er helemaal buiten moeten blijven staan.

Wij zouden er al heel wat op bouwen als iemand spreken zou als deze raadsheer.

Zelfs is het in ons eigen leven vaak zo, dat we al met minder tevreden zijn. Met minder reeds denken Gods genade te kunnen ontvangen. Met minder ook al verwachten straks de hemel te mogen binnengaan en in Christus de eeuwige zaligheid te kunnen beërven. Echter, weet dit: goede woorden, ware belijdenissen, verstandelijke kennis, ja zelfs vergoten tranen op zich, kunnen nooit de grond zijn voor ons behoud in Christus, voor de verzoening niet de Vader, voor de toegang tot de eeuwige heerlijkheid.

Verstandelijke kennis, veel weten van de Bijbel, de geloofsgangen haarfijn kunnen vertellen is mooi, maar voor de Heere onvoldoende. We zouden nog als een Gamaliel bevonden kunnen worden. Wat nodig is voor u en voor mij, dat is, dat Gods Geest alle kennis heiligt aan ons hart. Voorwerpelijke kennis moet onderwerpelijke kennis worden. De praktijk van deze raadsheer, zijn opvatting, dat het doel kennelijk alle middelen heiligt, moeten wij radicaal afwijzen. Maar daarentegen mag onze bede tot God wel zijn, dat Hij ons, door Zijn Pinkstergeest, van de waarheid op zich van dit woord overtuigen zal. Mensen werk kan niet bestaan, Gods werk kan nooit gebroken ! Vraagt u eens af voor de Heere: wat is Uw godsdienst. Uw geloof. Uw bekering ?

Mensenwerk ? Bidt de Heere u daaraan te ontdekken. Dat bekend te maken. Worstel Hem om Zijn werk. Zijn werk in Christus, Zijn werk van behoud en verzoening. Want wie dat smeken mag, in Gods gave, — of hij nu jong is of oud, — die mag weten: En toch is het waar. Anders. Maar waar. En dat mij tot troost in alle strijd en benauwdheid. 's Heeren werk ook in mij, valt nooit, door niets en door niemand, te breken. Het is aangelegd om te bestaan, om straks eeuwig te bestaan, in de zaligheid. Tot de eer van de Drieënige God. 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Verderfelijke diplomatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's