Het waarom en waartoe van de schepping
Artikel 12 Ned. Geloofsbelijdenis
Op het graf van Copernicus staat geschreven: 'Niet de genade, door Paulus ontvangen, begeer ik; noch de gunst, waarmee Gij Petrus vergaaft; maar die Gij aan het kruis de boetvaardige moordenaar hebt beloofd — die alleen smeek ik voor mij zelf af'.
Zicht op de schepping vanaf het kruis
Deze woorden van een man, die zijn leven lang met de schepping is bezig geweest, getuigen van een grote boetvaardigheid. En is die ootmoedige gestalte niet de enige manier om werkelijk zicht te krijgen op Gods goede 'schepping ? Want is het niet juist die gestalte, die God aangenaam is ? Wat hebben wij van Gods werk en van onze taak op aarde terechtgebracht ? Alleen wanneer wij als een boetvaardige smekeling voor het kruis van Christus hebben leren buigen, alleen dan mag het ons duidelijk worden, dat het leven op aarde niet zinloos is. Want in Christus krijgt een zondaar het leven terug. En om Christus, Die als het Lam Gods de zonde der wereld heeft willen dragen en in Wie God aan Zijn eenmaal begonnen werk vasthoudt, komt de schepping terug in het leven van Gods kind als het terrein, waarop Gods glorie verkondigd mag worden. Vanaf het kruis openen zich vergezichten tot in een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont.
Met deze enkele zinnen halen we de draad op van onze behandeling van artikel 12 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis over de schepping van alle dingen. Het geloof in de schepping aller dingen is maar niet een wereld-en levensbeschouwing, waarin een Goddelijk Opperwezen als verklaring van het ontstaan der dingen nodig geoordeeld wordt. Het geloof ziet perspectief in de schepping, juist omdat het gelpof is in de God en Vader van Jezus Christus als onze Schepper. Als God in Hem aan Zijn schepping vasthoudt, dan kan en mag om Christuswil de schepping nooit afgeschreven worden. En in dat geloof leert een mens eerlijk voor God en met een teer geweten om te gaan met de dingen van de geschapen werkelijkheid. Vandaar, dat we in de Nederlandse Geloofsbelijdenis op zo'n gelovige wijze horen spreken van 'God, de Vader, Die door Zijn Woord, dat is door Zijn Zoon de hemel, de aarde en alle schepselen uit niet heeft geschapen'. Vandaar ook, dat de Heidelbergse catechismus in Zondag 9 zegt: 'Dat de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus, die hemel en aarde, met al, wat er in is, uit niet geschapen heeft om Zijns Zoons Christus' wil mijn God en mijn Vader is . . .'
Het geloof in God de Schepper kan dus niet los worden gedacht van het geloof in God de Zoon, in Christus, de Zaligmaker. Anders is het een geloven aan God, een soort algemeen voorzienigheidsgeloof, dat met het christelijk geloof niets uitstaande heeft. Zelfs een man als Hitler kon zich zulk een algemeen voorzienigheidsgeloof aanmatigen.
Maar als dan Gods wondere trouw aan Zich Zelf en aan het werk van Zijn handen in Christus zo heerlijk voor het geloof aan het licht komt, dan is er voor dat geloof ook geen schepsel, of er blinkt de goedheid Gods. in. De twinkelende sterren in 't duizelingwekkend eindeloze, heelal duizenden lichtjaren van ons verwijderd.
De atmosfeer, die voor iedere ademtocht nodig is. De beweging der atomen in de stof, waar het verstgevorderd onderzoek de geheimen nog niet van heeft kunnen doorgronden. Maar ook de bloemenpracht, uit een donkere aarde opgeschoten, in onze voorjaarstuinen. En de zeemonsters in de oceanen. En de microscopisch kleine bacil, die hartstochtelijk leeft. En het hart in het menselijk lichaam, dat soms tachtig, negentig jaren blijft kloppen. Die zijn allemaal voor de ogen van het geloof als 'het schone boek van Gods schepping, waarin alle schepselen, grote en kleine, gelijk als letters zijn..., die ons Gods eeuwige kracht en Goddelijkheid te aanschouwen geven' (Art. 2. N.G.B.). 'O, Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde' (Ps. 8). Artikel 12 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt: 'God heeft aan een iegelijk schepsel zijn wezen, gestalte en gedaante en onderscheiden ambten (taken, funkties) gegeven...' En dat alles om zijn Schepper te dienen.
Het laatste antwoord
Vragen wij dus naar het waarom van de dingen, dan is er tenslotte maar één antwoord: God heeft het zo gewild; het moet dienen tot de glorie van de Schepper. Achter dit welbehagen van God kunnen wij niet terug. Wij zouden b.v. kunnen vragen, waarom God dan de hemel en de aarde niet eerder geschapen heeft? We zouden, kunnen vragen, wat God gedaan heeft, voordat Hij 't heelal en de wereld schiep ? Maar met die vragen komen we uit in de nooit begonnen eeuwigheid. En wie kan daar goede vragen stellen, laat staan goede antwoorden geven ? Calvijn vond zulke vragen ongepast en antwoordde op de vraag, wat God deed voor de schepping: 'Hij schiep de hel voor nieuwsgierigen'. Reeds Augustinus had dat antwoord gegeven, hoewel hij deze uitspraak net zo ongepast vond als de vraag zelf.. Maar Calvijn wil daarmee de mond gestopt hebben aan een vrijpostig overtreden van de grens, die tussen de Schepper en het schepsel gesteld is. Eén ding mag duidelijk zijn: Gods bestaan hangt niet in die zin af van dat van de wereld, dat Hij geen God, algenoegzaam God zou wezen zonder de schepping. Het maakt het wonder van de schepping juist des te groter, dat God, Die er was voor de grondlegging der wereld, naar Zijn ondoorgrondelijk welbehagen en 'wanneer het Hem goed dacht' (art. 12 N.G.B.) alle schepselen uit het niet geschapen heeft en dat Hij het voor de mens mogelijk heeft gemaakt om deel te krijgen aan Hem en om in Zijn gemeenschap te kunnen binnentreden. Ik zou wel eens willen weten, op welk punt dit alles lijkt op de koude onbewogen God van Aristoteles. Daarvan wordt Calvijn al te gemakkelijk beschuldigd (men leze wat ds. C. Vonk daarover schrijft in zijn 'De voorzeide leer', deel III a, blz. 301). Een God, Die zonder innerlijke noodzaak, enkel uit eeuwig welbehagen de mens schept om die mens deel te geven aan Zich Zelf tot glorie van Zijn Naam, is dat een koude en onbewogen God ? We zullen toch moeilijk kunnen zeggen, dat God niet bestaaan kan zonder ons. Het is veeleer de hoogste barmhartigheid, dat Hij er juist zo wil zijn voor de mens. Daarmee is op zijn minst gezegd, dat Hij ons niet nodig heeft tot Zijn zelfverwerkelijking. De schepping is in één woord: Gods welbehagen. En dat is voor het schepsel een wonder, waar hij nooit uitkomt.
Alles om de mens en de mens om God
Artikel 12 van de Geloofsbelijdenis zegt dan verder, dat 'God alle dingen onderhoudt en regeert naar Zijn eeuwige voorzienigheid en door Zijn oneindige kracht om de mens te dienen, ten einde dat de mens zijn God diene'. Over de onderhouding en regering van de dingen spreken we uitvoeriger bij de behandeling van artikel 13. Nog een enkel woord alleen over de plaats van de mens in de schepping. Alles moet de mens dienen, zegt artikel 12. Het paard is er om op te rijden, de koe voor melk en vlees, de schapen voor de wol. Is dat zo ? Krijgt de mens hier als kroon der schepping niet al te veel eer ? Draait het alles werkelijk om hem alleen? Wordt de mens op die manier niet een uitbuiter van de natuur ? Is er ook niet zoiets als milieubeheer ? Juist in onze dagen zien we de gevaren van een opvatting, waarbij de mens in de schepping zo centraal wordt gesteld. Wat sneuvelt er allemaal niet ten bate van de mens met zijn comfort ? Hoeveel natuurschoon moet er niet wijken voor het beton, hoeveel vruchtbare weilanden voor het asfalt ?
Hoelang kan in de naam van die mens de lucht-en waterverontreiniging nog doorgaan, zonder dat het bestaan van de mens zelf op het spel komt te staan ? Hoeveel energie mag het huidige geslacht aan de aarde ontlokken om het bestaan zo gelukkig mogelijk te maken, zonder dat het nageslacht met de brokken komt te zitten ? Dat zijn allemaal vragen, die we niet ontlopen kunnen, wanneer wij zeggen, dat alles er is om de mens. Die uitspraak van onze Geloofsbelijdenis moet dan ook in het nauwste verband gelezen worden met wat er volgt: 'ten einde, dat de mens zijn God diene'. Als we dat laatste vergeten, wordt de mens doel in zich zelf. Dan pleegt die mens roofbouw op aarde. Dan is hij geen rentmeester, maar misbruiker van de goede gaven van God. En rentmeester is en blijft de mens. Hij moet zich verantwoorden voor God over wat hij heeft gedaan met Gods goede schepping. Alles is er voor hem. Inderdaad, want hij is als een gast door de grote Gastheer tot de feestdis geleid, nadat Deze dis (de schepping) eerst voor hem (zijn gast) heeft bereid. Alles is er voor hem, de mens. Maar het is er slechts voor hem
In zoverre die mens er is voor God. Het eerste is het materiaal voor het tweede. Anders is er geen hoger doel voor 's mensen bestaan dan het genot. En dan graven we ons eigen graf. We zijn dan m i het beheer van ons leefmilieu grote egoïsten geworden. Maar als wij dienaren van God mogen zijn, dan behoeven we niet in de kramp te gaan zitten, dat we natuurvernielers zijn, wanneer we een snijbloemetje uit onze tuin op de tafel in onze ; woonkamer zetten of wanneer we een smakelijke maaltijd hebben met een stuk ; vlees op ons bord. Het komt er maar op aan, dat we hebben leren verstaan, dat milieuverontreiniging ten diepste een zaak is van ons hart. Eerst als ons leven om een andere as is gaan draaien en wij hebben ingeleefd, dat 'wij ons leven aan de : Schepper verschuldigd zijn' (Calvijn), eerst dan leren we het om als rentmeesters om te gaan met de goede gaven van God in de schepping. En dat brengt een sobere levensinstelling met zich mee. Dan kunnen we niet meer denken, dat wij de pot te verteren hebben. Wij hebben onze Schepper te dienen, ook in het sparend omgaan met de dieren, met bloemen, met weilanden, met rivieren, met de atmosfeer. Want wij hebben de schepping van God niet toebetrouwd gekregen om die te tyranniseren (en we hebben wat macht vandaag om dat te doen). Maar we hebben Gods schone schepping toebetrouwd gekregen om die te regeren, te beheren in Naam van God. En om de glorie van God in de schepping, te kunnen bezingen is er net iets meer nodig, dan dat de mens wat warmte opdoet bij zijn gaskachel, zijn maag vult met een kip aan 't spit, met zijn auto over de snelweg raast naar zijn kantoor. Wat blijft er van de mens als Godlover over, als hij Gods grootheid niet meer ziet in een grassprietje en als hij niet meer zingen kan ?
Zelfs vindt de mus een huis, o Heer;
De zwaluw legt haar jongkens neer,
In 't kunstig nest bij Uw altaren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1976
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1976
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's