De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De contouren van Minister Van Kemenade

Bekijk het origineel

De contouren van Minister Van Kemenade

2

7 minuten leestijd

Vorige maal hebben we getracht een overzicht te geven van de plannen van onze Minister. Deze keer wilde ik de problematiek wat toe spitsen op enkele kerngedachten uit deze Contourennota (C.N.).

Ik meen daardoor dan zoveel stof te kunnen aandragen, dat óok binnen onze christelijke scholen de discussie goed op gang kan komen.

Graag wil ik enkele kernpunten uit de C.N. naar voren halen, die vanwege haar principiële karakter zo fundamenteel zijn, dat ze de moeite waard zijn besproken te worden. We willen bekijken:

a. Ontwikkeling en vernieuwing in ons onderwijs;

b. Eigen onderwijs — politieke — visie;

c. Relatie onderwijs — arbeidsmarkt;

d. Verlengde leerplicht;

e. Experimenten in het onderwijs;

f. Vrijheid van onderwijs;

g. Enkele conclusies.

Ik ben mij ervan bewust lang niet alles uitvoerig aan de orde te kunnen stellen. Voorbij wordt bijvoorbeeld gegaan aan de doelmatigheid en de efficiëntie, alsmede de kosten van de realisatie van de nieuwe schoolsoorten. Voorbij gegaan wordt aan de democratiseringsgedachte achter de C.N., aan de uitspraak 'gelijke kansen voor iedereen', aan de consequenties van de regionalisatie e.d.

a. Allereerst dan de ontwikkeling en vernieuwing van ons onderwijs.

Het valt niet te ontkennen, dat er waar­ dering moet zijn voor zo'n Minister van Onderwijs, die dit stukje onderwijsvisie op tafel weet te leggen. Het is een stukje onderwijsvisie, dat er zijn mag. In voorgaande kabinetten zijn de grondslagen gelegd, maar het is toch wel te danken aan de grote ijver en voortvarendheid van deze Minister dit knap uitgedachte plan aan de Nederlandse 'onderwijswereld' te presenteren. Het heeft zelfs de aandacht getrokken tot ver over onze grenzen en dientengevolge is de C.N. in meerdere talen vertaald.

Ik sprak van onderwijsvisie. Dat is het, indien men een beleid durft en weet te presenteren voor het jaar 2000. Wel dient men daarbij enkele kanttekeningen te plaatsen. Het is namelijk best mogelijk, dat juist het uitzetten van een onderwijsbeleid voor 2000 verstarrend kan werken op de dynamische ontwikkelingsprocessen van vandaag en morgen, waarbij de effecten op dit moment niet zijn te overzien. Een goed ontwikkelingsmodel moet ruimte laten voor de maatschappelijke impulsen van alledag. Ons wordt hier een onderwijsstructuur aangeboden voor, het jaar 2000, zonder dat wij kunnen vermoeden in welke situatie de maatschappij en de deelnemers aan het onderwijs in 2000 verkeren. Het is daarom voorbarig in 1976 een zo'n gedetailleerd plan aan te bieden voor een lange reeks van jaren.

Met name valt dan te denken aan de vérgaande uitwerking van de eisen voor het schoolwerkplan. Visie in deze zin kan namelijk door haar bepalend karakter uitlo­pen ook op een te nauw keurslijf waarin 'het zwaar is om te gaan'. Vandaar dat het wenselijk kan zijn onze aandacht meer te richten op een planning op kortere termijn dan op langere. Zeker als dit een gedetailleerde uitwerking betreft als de C.N. Graag gaan we met de opstellers van de C.N. accoord, als zij constateren, dat het onderwijs voortdurend verandert, omdat inzichten, kennis en vaardigheden, die binnen en buiten de school worden verkregen de moeite waard zijn doorvertaald te worden aan onze kinderen. Om een concreet voorbeeld te gebruiken: Onze Staatssecretaris De Jong heeft bij de opening van het Streeklyceum te Ede gewezen op de herwaardering van de expressie vakken. Voor een bepaalde vorm van voortgezet onderwijs geen overbodige luxe, zou ik zeggen. Maar ondanks dit pleidooi voor de expressievakken, is het gevaar niet denkbeeldig, dat het aanleren van kennis zó niet geheel, dan toch sterk op de achtergrond wordt gedrongen.

Nu is het zo, dat ook wij zoeken naar een evenwichtige verhouding tussen de kennisvakken en de expressievakken, tussen het cognitieve en het affectieve aspect van ons onderwijs. In hoeverre de huidige scholen op dit punt nog onvoldoende zijn ingespeeld en daardoor de beschuldiging van de Minister op, hun hals halen, laat ik voor zijn verantwoording. Ik geloof, zeker, dat er scholen zijn die deze harmonisatie in het schoolwerkplan hebben opgenomen en zelfs ernstig streven naar een realisatie van deze gedachte. Kortom: de school was en is, ook nu nog, volgens de Minister, allereerst het instituut waar geleerd wordt in de traditionele zin van het woord en is minder een tehuis voor vorming en opvoeding.

Toch is deze de bewindsman niet consequent. Enerzijds neemt hij duidelijk stelling voor meer vorming en minder onderwijs, maar anderzijds treffen we uitspraken in de C.N. aan, waarbij grondige kennis op velerlei terrein als onmisbaar wordt onderkend. Meer licht in deze zaak zou wenselijk zijn. Of is het zó, dat de Minister slechts die kennis waardeert, welke past in zijn politiek straatje ?

b. Een eigen onderwijs — politieke — visie.

Het zal u, bij aandachtig doorlezen van de C.N., niet ontgaan zijn, dat de bewindslieden nogal sterk de aandacht vestigen op de verhouding: school — maatschappij. Om u daarvan een indruk te geven: Onderwijs kan weliswaar niet op eigen kracht nieuwe maatschappelijke verhoudingen en meer gelijkwaardigheid in de samenleving bewerkstelligen, maar het kan er wel een belangrijke bijdrage toe leveren. En het is stellig een wezenlijke voorwaarde voor het welslagen van een beleid dat daarop is gericht (bladzijde 8).

’Onderwijs moet zich meer richten op de maatschappelijke achtergestelden' (bladzijde 10).

’De school houdt te weinig rekening met de verschillen in de opvoeding en de sociale achtergrond van de leerlingen. Kinderen uit de lagere sociale bevolkingsgroepen worden vanaf de allereerste dag op school met een cultuurpatroon geconfronteerd dat hun niet of maar voor een deel vertrouwd is' (bladzijde 10).

Doelstelling van het onderwijs: 'Bevorderen van maatschappelijke weerbaarheid'. 'Dat geldt ons inziens allereerst voor de ontwikkeling van wat men maatschappelijke weerbaarheid of sociale bewustwording zou kunnen noemen. Ons onderwijs; geeft de leerlingen te weinig inzicht in de maatschappelijke verhoudingen waarin ze leven en in de achtergronden daarvan en stelt ze onvoldoende in staat om daarover opvattingen te ontwikkelen en die in hun gedrag tot uitdrukking te brengen. De school bereidt de leerlingen te weinig voor op de samenleving waarmee ze te maken krijgen en waarin van hen in toenemende mate een eigen bijdrage, betrokkenheid en medezeggenschap wordt verwacht.

In het onderwijs komen maatschappelijke verschijnselen en sociale problemen, als welvaart, werkgelegenheid, sociale ze­kerheid, veranderende rolpatronen voor mannen en vrouwen, milieuvraagstukken, de derde wereld, criminaliteit, stadsvernieuwing, openbaar vervoer, weinig of te weinig systematisch aan bod' (bladzijde 12).

Kortom: genoeg citaten om aan te geven de relevantie school' en maatschappij, school en samenleving. Voor de Minister geeft het voldoende aanleiding dit aspect hoog op de prioriteitenlijst té plaatsen. Maar dat geeft dan tevens óns de gelegenheid daarop in te haken. Het is mogelijk, waarschijnlijk aanwijsbaar, dat de Minister hier zijn politieke voorkeur niet onder stoelen en banken steekt. Vanuit zijn socialistische achtergrond is een overaccentuering van de gerichtheid op de maatschappij best te verklaren. Hoewel de Minister het niet met zoveel woorden zegt, bedoelt hij: 'De school is er om de maatschappij te verbeteren'. Maar vanuit een christelijke mensvisie dienen de onderwijsdoelstellingen niet alléén op de eisen van de maatschappij afgestemd te zijn, maar vooral óók op de ontplooiingskansen van elk mens of individu. Het onderwijs zal echter wel, als integrerend deel van de samenleving, moeten inspelen op de veranderingen van die samenleving. Dagelijks wordt ervaren dat het huidig onderwijs onvoldoende aansluit óp de maatschappelijke behoeften. Die behoeften hebben betrekking op het functioneren als mens in allerlei samenlevingsverbanden. Wat de beroepsuitoefening aangaat, constateren we steeds, dat er een frictie' bestaat tussen de wensen van de maatschappij en de mogelijkheden die de school kan bieden. Ik denk nu aan het wisselvallige karakter van de arbeidsmarkt. Bestaande functies (beroepen) verdwijnen, andere worden gecreëerd.

Duidelijk is ook, dat juist daarop ons onderwijs niet geheel adequaat kan inspelen. Wel mag van het onderwijs worden verwacht, dat ze met deze ontwikkeling rekening houdt in die zin, dat de leerling een bredere algemenere basis-opleiding ontvangt, waardoor het mogelijk wordt je later gemakkelijker aan te passen bij de sterk wisselende maatschappelijke veranderingen. Dit is inderdaad een opdracht die van de samenleving aan de school gesteld kan en mag worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De contouren van Minister Van Kemenade

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's