De contourennota van Minister Van Kemenade
3
Vorige week zagen we dat het onderwijs rekening dient te houden met de maatschappelijke ontwikkelingen.
Anderzijds mag de maatschappij de school niet overvragen, door de school (en dus het kind) in dienst te stellen, m.a.w. tot objekt maken, van deze maatschappij. Opvoeden moet niet, zoals bijvoorbeeld in de Oostbloklanden, ontaarden in toegepaste politiek. Politieke en sociale indoctrinatie is een wezens vreemd element in onze christelijke school. Staat men wel op dat standpunt, dan meen ik dat men de invloed van de school overschat en die van de ouders onderschat. Het kind wordt dan opgeofferd aan de staat. Verbetering van de maatschappij is geen opdracht aan de school, maar kan er via de opvoeding van het kind wel toe bijdragen. De primaire taak van het onderwijs is: Opvoeden tot volwassenheid, door het kind het instrumentarium te verschaffen, om in al die samenlevingsverbanden te functioneren, zoals God dat van hem of haar eist. En daarvan is het maatschappelijk en politiek functioneren een bepaald facet of onderdeel.
Zo staan we een 'verantwoordelijke maatschappij' voor, waarin ieder persoon mede verantwoordelijk gesteld wordt voor het inrichten en functioneren van deze samenleving. Dat houdt concreet in, dat wij zeker ook onze kinderen hebben op te voeden voor deze samenleving.
Bijvoorbeeld dat we rekening hebben te houden met de verschillende rollen die de jongeren later in de maatschappij hebben te vervullen. Ik denk nu aan: Opvoeden tot deelname aan overleg en besluitvorming, aan het beleven en beoefenen van verantwoordelijkheid, aan het beschikken over sociale en verbale vaardigheden. Deze aspekten dienen zeker opgenomen te worden in de onderwijsdoelstellingen. Verruiming van deze doelen leidt tot bredere en betere spreiding van 'kennis'. In deze zin beschouw ik kennis, ook in onze moderne samenleving niet als een vloek, maar als een zeer aanvaardbaar begrip. Maar dan zullen deze onderwijsdoelen geformuleerd dienen te worden vanuit de kring van de ouders en niet vanuit de politiek.
De gedachte 'de school aan de ouders' gaat zo een nieuwe inhoud krijgen. Ouders zijn de eerste verantwoordelijke personen voor de opvoeding, daarnaast de onderwijsgevenden. De onderwijsleersituaties dienen derhalve aan te sluiten bij de eerste levenscirkel: het gezin. Maatschappelijke wensen die in de opvoeding en het onderwijs dienen te worden gerealiseerd, moeten geformuleerd worden vanuit de basis, dat wil zeggen ouders in samenwerking met onderwijsgevenden.
En hier komt een minister niet aan te pas. Bovendien, stel dat de minister de macht heeft onderwijsdoelen vast te stellen, hoe zou dat dan moeten, indien we nu een socialistische bewindsman bezitten die vanuit zijn visie ons de wet voorschrijft en over enkele maanden een liberale minister die het weer op zijn wijze doet. We zouden steeds overgeleverd zijn aan de grillen van het ministerie en daar hebben we het christelijk onderwijs niet voor over. Veranderingen in het onderwijs dienen aan te sluiten bij de wensen en behoeften van de ouders en de onderwijsgevenden zelf. Een nieuwe onderwijsstructuur zal getoetst moeten worden aan de mogelijkheid die de ouders gelaten wordt op grond van eigen opvoedingsdoelen. Vanuit dit principe, dienen we open te staan voor de gedachte van ouderparticipatie.
En wat is dan de rol van de overheid in dit alles ? De overheid dient zich in haar 'voortdurende zorg' bescheiden op te stellen. De complexiteit van de samenleving en het afstemmen van het onderwijs daarop, vraagt controlering en regulering van onderwij saktiviteiten. De overheid heeft dan tot taak:
a. Voorwaarden-scheppend bezig te zijn, dat wil zeggen reagerend op de roep vande samenleving. Wel kan zij een initiërend (initiatiefnemend) beleid voeren, bijvoorbeeld wanneer het onderwijs dreigt achter te lopen bij de maatschappijke ontwikkelingen.
Bovendien heeft de overheid tot taak:
b. Een ruimtescheppend beleid te voeren, bijvoorbeeld ten aanzien van leerplanontwikkeling, vormend onderwijs aan werkende jongeren, schoolbegeleidingsdiensten, participatie-onderwijs. Het beleid van de Minister mag er echter niet op gericht zijn zelf de inhoud van het onderwijs te bepalen. Vandaar dat de stichting leerplanontwikkeling (S.L.O.) gevaarlijke tendentie in zich bergt, door de grote invloed van de Minister vanwege zijn 'voorkeur en veto-recht’.
c. Relatie Onderwijs en Arbeidsmarkt.
De wisselwerking tussen onderwijs en maatschappij komt wel zeer duidelijk naar voren in de relatie onderwijs-arbeidsmarkt.
Zo heeft de verlenging van leerplicht tot direct gevolg een vermindering van arbeidsaanbod en omgekeerd. Een uitgebreid stelsel van herscholings-en herkansingsmogelijkheden na en naast het volledig dagonderwijs kan bijvoorbeeld weer bijdragen tot vermindering van fricties tuisen onderwijs en arbeidsmarkt. Ook de studie-en beroepskeuze heeft consequenties voor de arbeidsmarkt. Een te eenzijdig gerichte opleiding leidt bij te groot aanbod tot spanningen, bijvoorbeeld bij huidige academici. Toch achten wij het onjuist, indien het onderwijs zich zondermeer zou aanpassen aan de vraag op de arbeidsmarkt. Momentopnamen — ook de C.N. wijst erop — kunnen geen basis zijn voor planning en onderwijs. Vooruitlopen op toekomstige ontwikkelingen blijft een uiterst hachelijke zaak. De vraag is, in hoeverre het bedrijfsleven in staat zal zijn aan te geven, hoe groot de behoefte zal zijn op de middellange, laat staan langere termijn. Verkeerde prognose zet de jongeren op verkeerd spoor, hetgeen kan leiden tot spanningen, zowel bij onderwijsvragenden als onderwijsgevenden. Bovendien leidt een dergelijke beleidsvoering tot grove geldverspilling. Voor ons blijft vrijheid van onderwijs, alsmede vrijheid van studie- en beroepskeuze belangrijk, hoewel ik me direct haast het toch belangrijk te vinden een goede objektieve prognose van de arbeidsmarkt, in zekere zin, bij de toelating reëel onder ogen te zien.
Maar, dan is een vrijwillige regulering te verkiezen boven een opgelegde beperking. Door goede informatie over de arbeidssituatie moet de leerling of student zelf kunnen beslissen over zijn studiekeuze.
Een dergelijk toelatingsbeleid sluit beter aan bij het individuele recht op vrije keuze en eigen verantwoordelijkheid.
Met andere woorden elke student die zich aanmeldt aan de pedagogische en of sociale akademie moet met de mogelijkheid rekening houden, dat hij of zij, na zijn of haar scholing zo de W.W. kan induiken. Maar het behoort tot zijn verantwoordelijkheid toch deze opleiding te kiezen met alle consequenties van dien. Door beperking van toelating tot een bepaald schooltype beknot men de mogelijkheden van de studenten of leerlingen, ja worden zelfs hele opleidingsmogelijkheden afgesneden. En wij dachten dat dit niet juist was.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 augustus 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 augustus 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's