Uit de pers
Israel in de Openbaring van Johannes
Hebben de Joden een aparte plaats in de Openbaring van Johannes ? Dat is de vraag die dr. W. S. Duvekoi aan de orde stelt in een artikel in Ter Herdenking, van juli 1976. De schrijver begiiit met erop te wijzen dat de pericoop over het duizendjarig rijk. Openbaring 20, over de toekomst van het joodse volk zwijgt. We dienen dus voorzichtig te zijn, zegt hij terecht, om Romeinen 9-11 in te lezen in Openbaring 20. Wel blijkt uit het geheel van dit bijbelboek de verworteling in het Oude Testament: Christus is de aan Israel beloofde Messias. En de namen van de twaalf stammen in Openb. 21 laten ons zien dat Gods Verbond met Israel wezenlijk is voor het komen van Zijn Koninkrijk.
In de brieven aan de zeven gemeenten wordt over het verzet van de Joden tegen Christus gesproken (Openb. 2:9), maar dat mag ons toch niet verleiden tot al te snelle conclusies als zouden de Joden definitief verworpen zijn. Ook over ongehoorzame christenen gaat een scherp oordeel.
Maar ter beantwoording van de vraag wijst dr. Duvekot vooral op de 144.000 in Openbaring 7. Dar worden twee groepen onderscheiden: De 144.000 verzegelden uit de stammen der kinderen Israels en een grote schare die niemand tellen kan. Dr. Duvekot schrijft dan:
Er is inderdaad duidelijk sprake van twee verschillende groepen. De eerste groep is in zekere zin begrensd: en getal wordt genoemd; maar de afbakening is vooral gelegen in het toebehoren tot de twaalf stammen van Israel. De tweede groep is ontelbaar. Alleen bij hen wordt met name genoemd dat zij staan voor het Lam (Op. 7 : 9) en dat zij hun gewaden wit gemaakt hebben in het bloed van het Lam (Openb. 7:14). Om misverstanden te voorkomen, zij met nadruk gezegd dat volgens de Openbaring van Johannes, Christus duidelijk de middelaar is tussen God en de mensen. Zie b, v. Openbaring 5 : 5 en 21 : 22.
In de Tenach is het getal twaalf op directe wijze verbonden met Israël. De twaalf zonen van Jakob worden de aartsvaders van dit volk (Hand. 7:8). Bij de uittocht uit Egypte is er . sprake van de twaalf stammen. Na de scheuring van het rijk in 931 v. Chr. gaan deze gescheiden wegen. De tien stammen verdwijnen in de geschiedenis na de verovering door de Assyriërs in 722 v. Chr. Toch blijft het getal twaalf de uitdrukking voor geheel Israel. Ezechiël brengt het herstel van Israel ook onder het beeld van de twaalf stammen. Het land zal weer onder hen verdeeld worden (Ez. 47 en 48). Zouden er daarom niet ook twaalf 'kleine' profeten in de Tenach zijn opgenomen ? In het Nieuwe Testament roept Jezus twaalf discipelen. Hij maakt diverse malen duidelijk, dat Hij allereerst gezonden is tot de verloren schapen van het huis Israels (Mat. 15:24). Daarnaast spreekt Jezus over het richten van de twaalf stammen (Mat. 19:28). Dit getal twaalf blijkt ook na de opstanding voor de apostelen belangrijk. Daarom wordt Mattias gekozen als plaatsvervanger , voor Judas Iskariot (Hand. 1:16-26). Dit twaalftal staat symbolisch voor het hele volk Israël. In deze zelfde lijn kan nu eveneens Openbaring 7 geplaatst worden. Er is sprake van twaalf stammen. Elk van hen telt 12.000 verzegelden. Dit veelvoud is een versterking , van het enkelvoudige getal. Mijns inziens wordt ermee uitgedrukt, dat het steeds om de gehele stam gaat. In de 144.000 is het gehele volk Israel begrepen. Dit houdt niet in, dat letterlijk iedereen bij de verzegelden zou behoren. Er kunnen verlorenen zijn. Maar de tekst bedoelt duidelijk naar voren te brengen dat het gaat om, in wezen, het totale volk Israel. Het zal niet toevallig zijn, dat Juda het eerst genoemd wordt. Uit deze stam is de Messias voortgekomen. Jozef wordt genoemd in plaats van Efra'im, terwijl de stam Dan in deze lijst niet voor komt. Volgens een oude traditie zou uit Dan de Antichrist voort komen. Als we de tekst lezen zoals die voor ons ligt, kan er mijns inziens geen andere uitleg zijn, dan deze: et gaat in Openbaring 7:1-8 om de uiteindelijke redding van Israel.
De schrijver gaat, ook in op de gangbare uitleg volgens welke Israel hier symbolisch'zou moeten worden verstaan als de christenheid, zodat vs. 1-8 zou handelen over de strijdende en van 9-17 over de triumferende kerk.
Beide delen van Openbaring 7 zouden dus handelen over de christelijke gemeente. Anderen denken bij de 144.000 aan de christenen uit de Joden, en bij de grote schare aan de heidenchristenen. Dr. Duvekot wijst de traditionele uitleg af. Te concreet wordt in Openbaring 7, in overeenstemming met de profetie, gesproken over de twaalfstammen Israel. En uit het geheel van het boek blijkt keer op keer dat de christelijke kerk gebouwd is op het fundament van Israel. Zie b.v. Openbaring 14 : 1 : De Messias (het Lam) staat op Sion, d.w.z. is verbonden met Israel. De lijn van Israels uitverkiezing komt duidelijk naar voren.
Niettemin wijst Duvekot de gedachte van een dubbele heilsweg af. Er is geen redding buiten Christus om (Openb. 7 : 14). Toch spreekt Openb. 7 : 1-8 niet expliciet over het werk van Christus. Duvekot erkent dat hier een probleem ligt.
Wordt het niet duidelijker wanneer we nog een keer de vraag waarmee Openbaring 6 eindigt, horen: Wie kan bestaan? Niemand kan voor God bestaan!! Maar door zijn goedheid redt Hij, omdat . Hij trouw is aan Zijn verbond met Israel, zijn knechten. In dit laatste komt wel naar voren, dat het niet gaat om het jood-zijn alleen, maar om het joodzijn in directe verbondenheid, met God. Niemand kan voor God bestaan. Door zijn genade echter wil Hij hen aannemen — en dat zijn er ontelbaar velen ! — die hun vertrouwen stellen op Jezus Christus. Het is een goddelijk wonder dat er mensen gered zullen worden. Mogen we zeggen: is het dan aan ons de toegang tot het Rijk Gods af te sluiten, voor hen; aan wie God het wil geven ?
Dr. Duvekot dient zijn artikel aan, als een kleine stimulans voor verdere bezinning. Dat is een goede zaak. Wat men van de door hem voorgestelde exegese kan zeggen, in elk geval heeft hij ons wel overtuigend duidelijk gemaakt, dat de christelijke kerk geënt is op Israel. Rom. 9-11 en het boek Openbaring bevatten ten diepste één en dezelfde prediking.
De kerk in vakantietijd
De vacanties behoren bijna weer tot het verleden als dit nummer u bereikt. In Waarheid en Eenheid van 14 augustus schrijft drs. D. de Bruijn over kerkgang in vacantietijd. Naar aanleiding van richtlijnen van de deputaten van kerk en recreatie, waarin onder meer gezegd wordt: Stem het karakter van de eredienst mede af op de belevingswereld van de vacantiegasten, schrijft hij het volgende:
Op zichzelf kun je je hier honing en ook gal uithalen. De aandacht voor vakantiegangers kan weldadig zijn (bijv. de voorganger bidt voor hen en voor de familie thuis) maar ook overdreven (alsof de vakantieganger ineens een ander mens is geworden, die je met veel eerbewijzen omringt). Wel vraag je: geef eens duidelijk aan, waarin de belevingswereld van de vakantieganger verschilt van z'n gewone leven, als ze getrouwd zijn, ze blijven in de belevingswereld van man-vrouw de opvoeding van de kinderen blijft, wordt soms intenser; er wordt zonde gedaan (in gedachten, woorden en werken) wellicht naar aanleiding van andere omstandigheden, maar 't blijft zonde, heeft de genade van Christus' zoenoffer onmisbaar nodig ter verzoening. Zit in deze suggestie iets van wat ik in 't begin schreef: val de vakantieganger (een bedevaartganger naar het Rustoord: vakantie) niet lastig ? M.i. komt deze geest — wellicht onbedoeld — naar voren in de nadere omschrijving van punt 6; hoe moet je het karakter van de eredienst nu op hen afstemmen ?
Antwoord: Gedoeld wordt op een speelse, ontspannen sfeer — met ruimte voor improvisatie, veel samenzang e.d. Ik vraag opnieuw: wat wordt bedoeld met speels en met ontspannen; gaat 't in de kerk dan om sfeer ? Is elke improvisatie naar Gods 5 bedoeling met Zijn eredienst ?
Als je de vakantie-ganger daarin geen strootje in de weg legt krijg je dan niet rijp en groen (waarheid en vrijdenkerij) op de preekstoel (of podium). De deur ging toch eigenlijk dicht bij wat ons tenslotte — met het oog op de lieve vakantiegangers wordt geadviseerd voor de verkondiging. Hier moet de aanpassing volkomen zijn; ik lees 'vanzelfspreked zal ook de verkondiging net zwaar (tillend), dogmatisch, moilijk of somber moeten zijn'. Hier komt de aap uit de mouw; hier is gegeven een soort canon, norm voor de tekstkeuze van de predikant; een canon boven de CANON. Veel gedeelten uit de Heilige Schrift zullen niet passen in de belevingswereld van de moderne bedevaart-ganger; dus: uitgesloten. Jammer dat deze zelfgemaakte aanpas; singscanon niet nader wordt toegelicht; zou onder 't oordeel van deze canon te licht bevonden worden bijv. Niemand kan twee heren dienen; gij kunt niet God dienen én mammon ?
Is dit te zwaar ? Immers je staat voor de keuze ! Als de brief aan de Hebr. ons Jezus Christus uit ; voerig schildert als onze Hogepriester, die Z'n offer voor onze zonden heeft gebracht, ons tot verzoening met God; is een tekst uit deze brief dan dogmatisch ? omdat 't gaat over 'Christus in onze plaats' of over: de verzoening met God van een arme zondaar? Kan de vakantie-ganger 'dogmatisch' ineens niet meer aan niet verwerken ? Thuis wel ? En wanneer is de preek somber ? als de predikant de gemeente waarschuwt dat er in de laatste dagen zware tijden zullen komen (II Tim. 3 : Iw) ? U merkt wel het subjectieve (bij de predikant met z'n gedachte over de vakantie-ganger) gaat de boventoon voeren. De ontwerper van deze suggestie no. 6 vindt 't vanzelfsprekend zo in te spelen op ' de vakantie-ganger bij de tekstkeuze en preek. Ik heb in 't kort aangegeven dat deze benadering de toets van de kritiek niet kan doorstaan. Ik hoop dat ze in de wind geslagen is; dat de vakantie-ganger wel 'een strootje in de weg gelegd is'; dat hij in de preek een krachtige aansporing kreeg tot trouw en volharding; wellicht bevatte deze aansporing voor hem een duidelijke vermaning; dat hij ook kracht heeft geput uit de verkondiging om met vreugde na de vakantie het gewone leven (met o.m. z'n sleur) weer in te gaan.
Mijns inziens worden hier behartigenswaardige dingen gezegd. Ik meen dat vakantiegangers die deelnemen aan de kerkdiensten van een plaatselijke gemeente het best gediend zijn met een bijbelse verkondiging ook trouwens elke kerkganger! Waarbij het logisch is dat de gast zich gedraagt naar de regels van het huis. Omgekeerd kan de gastheer zijn best doen dat gasten zich thuis voelen. Dat zou b.v. kunnen betekenen dat in gemeente waar de tweede dienst een leerdienst is, en waar regelmatig vacantiegangers de dienst bijwonen, te hunner gerieve het verband van zo'n reeks leerdiensten kort wordt duidelijk gemaakt. En mogelijk kan een stencil met wat gegevens over plaatselijke gemeente, gang van zaken enz. verhelderend werken. Betreft het een campingdienst of een reeks diensten op camping of vacantiecentra dan is m.i. aan te bevelen dat men van te voren zich bezint op een reeks diensten waar het hart van de bijbelse boodschap doorklinkt.
Zo’n campingdienst waar mensen van heel verschillende kom-af een plaats vinden, en waar toch veel rand-kerkelijken onder kunnen zitten, zal bij uitstek een evangelisatorisch karakter kunnen en moeten dragen. En inderdaad: a.u.b. geen aanpassing aan allerlei belevingswerelden. Wel een aanwezig zijn van hen die de dienst leiden opdat er voor de vacantieganger gelegenheid is tot reactie en gesprek met de voorganger in een voor hem vreemde gemeente.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's