Prins Bernhard
Wie had kunnen denken, toen door het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond, in navolging van de Edese en Puttense kerkeraad, gevraagd werd om zondag 29 augustus een dag van gebed en verootmoediging te doen zijn, dat deze dag zou vallen vlak na zulk een diepingrijpende gebeurtenis als de onthulling van Prins Bernhards handelen in de Lockheed affaire.
Zondag 29 augustus is in vele gemeenten een dag van verootmoediging en gebed geweest en nergens zal daarbij verzwegen zijn de crisis, waarin we met onze monarchie kwamen te verkeren. We gingen als volk immers opnieuw door een dieptepunt en we waren als volk dan ook verbijsterd. Verbijstering was er bij de leden van de tweede Kamer toen het eerlijk gestelde rapport van 'de commissie van drie' werd onthuld. Waardigheid en ingehouden bewogenheid — we zullen dat eerlijk moeten erkennen — waren er in de verklaring van de regering en in de wijze waarop de premier deze den volke verkondigde.
Wat Prins Bernhard deed stelt hem intussen schuldig en stelt in hem ons volk schuldig omdat we middels onze regering grote verantwoordelijkheden aan hem delegeerden. Daarom past hier verootmoediging méér dan verontwaardiging, besef van schuld, die dieper reikt dan dit erie geval, méér dan (selectieve) beschuldiging.
Dat de regering niet wilde komen tot strafrechterlijke vervolging siert haar als we bedenken, dat het voortbestaan van onze monarchie hiermee in het geding kan komen.
We mogen intussen beseffen in welk een grote crisis desondanks onze monarchie gekomen is. Respect past tegenover onze koningin, die, in dit dieptepunt van de geschiedenis van de troon, besloot aan te blijven. Welk een persoonlijk drama voltrekt zich hier immers ook voor de leden van ons koninklijk huis in het algemeen en voor onze koningin in het bijzonder, alhoewel voor Prins Bernhard bepaald óók in het bijzonder. In zulke dagen blijkt ook hoe wreed de barmhartigheden van de goddelozen zijn. De wereldpers roert zich en de boulevardpers leeft van zulke situaties. Mensen die nooit over zonde en kwaad spreken nemen het nu in de mond. Vanuit de kerk past een andere houding: ootmoed, schuldbesef, christelijke bewogenheid. Zonde moet zonde genoemd worden en schuld is schuld, maar de kerk mag ook weten dat er vergeving is en mogelijk is in de weg van belijdenis van schuld voor Gods aangezicht, en derhalve weet de kerk ook als het goed is van het in liefde begeleiden van hen die voor verzoekingen bezwijkt.
We beseffen zéér wel dat, wanneer mensen falen of vallen aan wie veel is toevertrouwd en die zulk een vooraanstaande plaats bekleden als Prins Bernhard, deze er dieper doorgaan, want publiekelijk doorgehaald worden, dan een 'vergeten burger' die zich in het kleinere vergrijpt en daarin dan niet minder schuldig is. Het heeft hen dan ook zéker voorzichtig te maken, want zij staan voor meerderen, in het geval van Prins Bernhard voor een volk. Vooraanstaanden zondigen altijd voor het forum van een groot publiek. Dat is het drama dat zich momenteel rondom de prins en zijn gezin voltrekt.' Maar ook hier realiseren we ons, dat het Woord van God niet zegt: zo de priester, zo het volk. Maar zo het volk, zo de priester. Zou het ook niet gelden voor de koning, zeg in dit geval de prins ? Komt in wat hij deed niet openbaar wat in allerlei variaties in het volk leeft vanwege zeer reële verzoekingen, in de handel maar ook op andere terreinen ?
In deze diepe wegen waarin we met onze monarchie, met ons vorstenhuis gaan, mag er wel temeer het meeleven zijn. Hoe vaak wordt niet met het signaleren van de zonde, zeker als het geruchtmakende dingen betreft, ook de zondaar afgeschreven. Bij bepaalde gelegenheden wil de belijdenis: 'Allen zijn wij afgeweken, samen zijn wij onnut geworden' maar moeilijk van de lippen komen. Dan kan er in de gemeente ook zijn de alléén-maar-uitgestoken-vinger. God heeft ons in het huis van Oranje veel geschonken in de geschiedenis. Het is met ons vorstenhuis ook door diepten gegaan. Zulk een diepte is er ook nu. Is het dan niet de roeping om ook in de schuld en de nood naast koningin en gemaal te staan ook al blijkt of juist nu blijkt, dat niets menselijks vreemd is aan de meest hooggeplaatsten ?
Nederland is een rechtsstaat, dat is gebleken en dat is veelvuldig ver over onze grenzen met respect vermeld. Zelfs ons koninklijk huis is gesteld onder de rechtsregels van een rechtsstaat. De eerlijke wijze, waarmee de commissie Donner met een rapport kwam en kón komen, is er het bewijs van hoe het recht in deze functioneerde. Dat is een groot goed. Daar waar de rechtsstaat in de fundamenten wordt aangetast komt de chaos, zoals we die in menig land ter wereld zien, waarin corruptie troef is en de bedrijvers ervan zich aan elke controle of wettelijke bepaling onttrekken. Temeer is dit - echter een reden om in de meest brede zin zuinig te zijn op het intact houden van de rechtsstaat. Is op andere terreinen immers niet gebleken hoe hier aan de fundamenten wordt geschud ? Het verbreken van een justitieel zegel in Heemstede zonder ingrijpen, zonder mogelijkheid van ingrijpen in feite door de minister van justitie is een voorbeeld en zijn er zo niet meerdere, die er op wijzen hoe ook bij ons de rechtsstaat aan slijtage lijdt ?
Nogmaals, dankbaar dat de rechtsstaat in de kwestie van de prins functioneerde. Daaruit is temeer en opnieuw gebleken, dat de staat en het recht van de staat nodig zijn, ook terwille van de zonde, vanwege 'de verdorvenheid van het menselijk geslacht' en de 'ongebondenheid der mensen' (art. 36 N.G.B.). Maar dat die rechtsstaat en die rechtsorde dan ook in den brede functioneren! Want verlies van recht en orde stelt een volk schuldig omdat het leven naar Gods geboden dan zeker niet functioneren zullen.
God zegene ook in deze dagen ons vorstenhuis en ons volk. Het moge ons iets te zeggen hebben, dat we in deze tijden van crisis naar crisis leven. Uitgerekend deze regering, waarom wij vroegen en die naar God niet meer wilde vragen, krijgt crisis op crisis te doorstaan en met de regering uiteraard ons volk: de oliecrisis, de Heemstede crisis, de gevolgen van de grote droogte, de treinkaping, nu het verbijsterende van de Lockheed affaire. Bij dit alles heeft de kerk voor te gaan in de oproep tot verootmoediging en bede. Volk en vorstenhuis waren ooit verbonden in de belijdenis: Mijn schild ende betrouwen, zijt Gij, o God Mijn Heer, op U zo wil ik bouwen, verlaat mij nimmer meer !
Dat moge, vooral met de laatste bede, ook nu de belijdenis van vorstenhuis en volk zijn. Dan kan er ook zelfs bij het diepste falen zijn het elkaar vasthouden ook in de diepte.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's