Toegegeven
Maar Job antwoordde en zei: Waarlijk, ik weet dat het zo is. Job 9 vs. 1 en 2a.
Job zit in zak en as. Letterlijk in zak en as: het rouwgewaad hangt slordig onr zijn heupen, de as maakt het haar nog eens zo grauw. Hij zit op de grond. Alles in hem ontnomen; boze zweren bedekken heel zijn lichaam, hij wordt geschuwd als een melaatse. Ondertussen wordt hij door satan in de tang genomen zonder dat hij het weet. En God ? God had gezegd: zie, hij is in uw hand, doch verschoon zijn leven. U herinnert het zich: Job was een godvruchtig man, maar de satan trok dat in twijfel, hij gelooft er eenvoudig niet in. Godsdienst, zo stelt satan het, is loondienst. Als de dienst niet meer loont, dan... Dan dient Job Mij nog, zei de Heere. En satan grimde: dit moet ik eerst zien !
Er vallen harde woorden, er wordt met stenen gegooid. Vloek God; breek met God. Wat baat nu de vroomheid, die je leven kenmerkte ? Z'n eigen vrouw kan het niet meer verwerken, ze barst in boze woorden uit, goddeloze woorden. Zal Job er de brui aan geven, zal hij in, die springvloed van ellende en nood. God loslaten ? Dat doet hij nu net niet en dat is hoogst opmerkelijk. Job wendt zich tot God, hij worstelt met God, om God. Om Hem te vinden en vast te houden.
Daarover gaat het in dit boek. Er worden geen ingewikkelde vraagstukken aan de orde gesteld, zoals: de zin van het lijden of de godsregering, of de leer der vergelding. Er worden wel verhandelingen gehouden, maar Job doet daar niet aan mee. Hij onderbreekt die telkens, hïj maant tot stilte. In de stilte schreeuwt zijn ziel naar God. Daarin is Job godvruchtig. Niet omdat hij allerlei van God weet, maar omdat het hem vóór alles om God gaat. Zeker, soms schiet zijn stem uit in fel verwijt en verweer. Wie zou zich daarboven verheffen ? Wie God verwacht, vecht wel eens met Hem. De ware vrome is geen man, die nergens naar vraagt en nergens om maalt o nee. Zijn hart en zijn vlees roepen uit tot de levende God. Op en neer, en niet zonder tweespalt; levensecht.
Nu nemen zijn vrienden hem onder het mes. Zeven dagen duurde hun zwijgen, ze waren verstomd over zo veel leed. Dan praten ze en hun praten is pijnlijker dan hun zwijgen. Woorden zijn het tot spreuken aaneengeregen. Rimpelloze spreuken, woorden die alles gladstrijken. Die vrienden hebben immers verstand van God en godsdienst. Zij zijn de deskundigen, die het Job wel even duidelijk zullen maken. In de grond van de zaak, is ook voor hen godsdienst loondienst. Een zaak van deugd en ondeugd, van het verdiende loon. Ze kunnen het bekijken; een rechtvaardige gaat het goed. Keert God zich tegen iemand, dan zijn er overtredingen. Elifaz is aan het woord geweest en Bildad. Beide houden ze zedepreken, die op hetzelfde neerkomen. Keurmeesters zijn altijd rekenmeesters. De rampen, die u, waarde vriend, troffen zijn even zo veel straffen voor persoonlijke overtredingen. Dat is hun uitgangspunt. En zodoende maken ze het Job moeilijk. Biecht eens op. Job, je bent niet zo 'rechtvaardig' als je je voordeed, en als wij voetstoots aannamen. Dat blijkt nu ! Wat een troost, als gal zo bitter.
Wat moet Job daarop antwoorden ? Hij wordt altijd verkeerd begrepen. Wij zouden vandaag zeggen: zijn woorden passen niet in het denkpatroon van zijn vrienden. Zegt hij: ja, dan menen zij: hij geeft het toe; hij geeft ons gelijk. Zegt hij: nee, dan menen ze: hij handhaaft zich, hij wil ons in het ongelijk stellen. Noch het een, noch het ander is het geval. Job en zijn vrienden verstaan elkaar niet, daarom praten ze langs elkaar heen. Dat is meer dan een menselijk misverstand. Ze staan er anders tegenover en ook als zij hetzelfde zeggen bedoelen ze allerminst hetzelfde. De vrienden worden met de feiten geconfronteerd en trekken daaruit hun conclusie. Job wordt met God geconfronteerd. Hij doet confessie. Dat is heel wat anders.
Elifaz heeft Job een vraag voor de voeten geworpen, waar deze niet omheen kan lopen. De vraag luidt: zou een sterveling rechtvaardig zijn tegenover God — c 4 vs. 17. De tekst, zo verklaart hij, was hem 'ingegeven' en hij knoopt er een hele preek aan vast. Een slechte preek, maar de tekst is ter zake. De vraag is raak, Job kan van die vraag niet los komen. Hij kan nu wel beweren, bij hoog en bij laag, bezweren met heel zijn ziel, dat hij rechtvaardig is maar rechtvaardig tegenover God, dat reikt verder. Rein van hart en handen. Is er iemand rechtvaardig ? Ieder kent de vraag: ben je met jezelf in het reine, anders heb je geen leven, anders worden de dingen niet gedaan, die vereist zijn. Of ook: hpe kom ik met mijn omgeving in het reine, zodat ik niet geremd wordt. Algemeen menselijke vragen zijn dat, en blijkbaar belangrijke. Want wie met ieder en alles overhoop ligt, met zichzelf het meest, die heeft geen leven. Is het mijn schuld ? Hoe maak ik dat weer goed, wat ik verkeerd deed. Verkeerd. Nu dient de vraag zich aan: Met God in het reine ? Zo'n vraag moet niemand wegwuiven, het is dé levensvraag. Zou een mens, zou u, zou ik rechtvaardig zijn tegenover God ?
Job moet daarop ontkennend antwoorden: Waarlijk ik weet dat het zo is. Toegegeven. Maar niet vlotweg en voor het gemak. Ik kan er niet onderuit. Als het daarover gaat, moet ik bakzeil halen. Waarlijk, dat klinkt als een soort amen. Ik beaam, volmondig en met een bang hart, dat het zo is. Ik geef het Elifaz niet gewonnen, o nee. Ik moet het God gewonnen geven. Want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God. Wat een tegenstelling. De mens, de kleine, de zwakke. God, de grote, de sterke. Die in een handomdraai de bergen verzet en de aarde doet beven — vs. 5. Heerlijke dingen doet Hij, geweldige wonderen. Wat is de mens, hoe zou hij gelijk hebben tegenover Hem ? De mens komt er niet eens aan te pas, zo verpletterend groot is de macht, de overmacht Gods; De vrienden verkijken zich op de zaak. Job staat in zijn recht, er is geen sprake van een heimelijke zonde en zó rekent God niet af. Daarmee is echter de vraag niet beantwoord: Sta ik in mijn recht voor Hem ? Hoe zou het kxinnen ? Denkt u nog van wel ? Bent u soms rechtvaardiger dan God ?
Waarlijk, ik weet. Dat is een doorleefd antwoord, niet te grif toegegeven, en daarom waarheid. Geen goedkope gevolgtrekking, geen redelijke, geen zedelijke overweging. Ik weet. Ik ben het aan de weet gekomen omdat ik met God te maken kreeg. Met die God, die zich verborgen houdt, o wrang verdriet. Kon ik Hem maar vinden, dan zou ik het met Hem doorspreken, uitpraten. Zijn doen is mij een raadsel. Hij brengt een gericht over mijn leven en is daarin rechtvaardig. Maar ik tast in het duister van een dwingend: waarom ? Daarom, zeiden de vrienden.
Met hun antwoord kan Job zich niet tevreden geven. Job vraagt het God: waarom. Hij schreeuwt het uit als een gewond dier. Een gevoel van machteloosheid maakt zich van hem meester; u kunt dat nalezen in hoofdstuk 7 en 14. Hij is maar een mens, een sterveling en over hem rolt de stoomwals van het oordeel, van verlies en verdriet, van och het is te veel. om op te sommen, het gaat te diep om het te peilen.
Een mens is er maar even, geboorte en dood liggen niet zo ver uit elkaar, dan is het leven óver. Even, en zoveel te verduren en te verduren krijgen! Waarom gunt de Heere hem dat leven niet, waarom laat Hij hem niet ongemoeid ? Hoor, de adem komt met horten en stoten, zo hijgt de werkman naar de avond. De mens, van een vrouw geboren is kort van dagen en zat; van onrust. Zou die mens, die nieteling het tegen God opnemen ? Wij trekken immers altijd aan het kortste eind. En dan nog rechtvaardig. De huiver overvalt hem, de wrevel woelt in z'n woorden.
Toegegeven. Waarlijk. Zijn amen is nog niet gezuiverd, zeven maal gezuiverd. Daarom vindt hij nog geen vrede en vraagt hij onverdroten verder. Het begin is er echter. Het begint met buigen. Zo alleen doen wij recht aan God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's