Christiaan Salomon Duytsch
1
Mogen wij hemzelf het woord geven, wij bedoelen Christiaan Salomon Duytsch ? Hij vertelt het volgende: 'In de Kerk en in het Doophek komende, moest ik een weinig wagten tot dat er plaatze voor my in het bankje wierd klaar gemaakt; dog met hoedanige gemoedsgestalte ik daar stond, ziende en hoorende 'het geruisch van een groote toevloed van Menschen, is my, waarde Leezer! onmogelyk u meede te deelen; maar de groote ontfermende God liet zig aan my niet onbetuygt.....’
Een verrukkelijke doopdienst
Het was de 25ste juni van het jaar 1767. In een der kerken van Amsterdam zou de plechtigheid plaatsvinden. De jood Salomon Duytsch, sinds enkele maanden leerling van ds. Van Essen, zou gedoopt worden. Als teken van de grote verandering die in hem had plaatsgevonden zou hij voortaan niet alleen meer Salomon maar Christiaan Salomon Duytsch heten.
Hoewel het geen zondag maar een donderdag was, was er toch veel volk naar de kerk gekomen; vele vrienden en nieuwsgierigen.
Reeds was binnen de Amsterdamse gemeente algemeen bekend dat een Jood, en nog wel een rabbijn, christen was geworden.
Christiaan Salomon Duytsch zelf heeft de dienst hekefd als een hoogtijdag in zijn leven. Na schier eindeloze omzwervingen, na ontelbare aanvechtingen, na zwarte dagen en nachten van innerlijke twijfel was nu voor hem het ogenblik aangebroken dat hij in het openbaar zou laten blijken Wie hij wilde toebehoren en dienen in zijn leven, Jezus, de Gekruisigde.
Zittend binnen het doophek en wachtend op de dingen die gebeuren zouden werd hij in het bijzonder bepaald bij een tekst uit het Hooglied (3 : 11). Het was, schrijft hij, alsof er een gordijn van voor mijn ogen werd weggeschoven en ik geraakte in diepe verwondering ziende door de ogen des geloofs de geestelijke Koning Salomo, met zulk een eer en heerlijkheid gekroond dat mijn ziel in de glans Zijner heerlijkheid zich niet genoeg verzadigen kon; mijn ziel werd er gans verrukt door.
Na de preek en het lezen van het Formulier 'ging ik naar de trappen van de Predikstoel om gedoopt te worden' en weldra hoorde ik uit de mond van 's Heeren dienstknecht ds. Van Essen: Christiaan Salomon, ik doop u in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. Mijn ziel antwoordde hierop: Amen, het zij zo, het is zo ! de drieënige God is nu mijn verbondsgod.
Zozeer greep de gebeurtenis de pasgedoopte aan dat hij dreigde van zichzelf te geraken; hij wist later niet hoe hij zijn stoel bereikt had, daar kwam hij weer een beetje bij. Nadat ds. Van Essen de dienst besloten had met het uitspreken van de zegen en van de preekstoel was afgekomen 'nam hy, als een vader, my onder zyne armen, my leidende door de stroom van volk naar de kosterskamer, om aldaar te bedaaren’.
Niet zo vaak gebeurt het dat een Jood christen wordt en zich laat dopen. Wij kennen de namen van Izaak da Costa en van Abraham Capadose en van nog een enkele maar daar blijft het dan ook bij. De weg van het jodendom naar het christendom is lang en moeilijk. Christiaan Salomon Duytsch heeft er een heel boek over geschreven, getiteld: 'De wonderlyke' leidinge Gods, omtrent eenen blinden leidsman der blinden op wegen en paden die hy niet kende. Behelzende zyne roepinge uit het duistere Jodendom; getrokken en tot het licht, dat in de volheid des tyds, in de waereld verschenen is, overgebracht; na een ses-jaarige omzwervinge, door de woestyne deezer waereld'. In 1768 verscheen van dit boek de eerste druk, reeds een jaar later een tweede druk.
Uit de duisternis van het Jodendom
Salomon Duytsch is geboren in 1734 te Temiswaar, een plaats in Hongarije. Nauwelijks 4 jaren oud overleed zijn vader.
In 1747 legde hij zijn Joodse geloofsbelijdenis af. Hij bezocht te Praag de Joodse Academie, waar hij 7 jaren doorbracht; toen keerde hij als rabbijn in zijn vaderland terug.
Hij huwde met een meisje van 15 jaar, Jentil Kohèn, de dochter van een rijk man. In die jaren, zo schreef Duytsch later, studeerde ik veel in de Talmud; ik deed dat om er de hemel mee te verdienen. Hij verhaalt hoe de Talmud zelf leert dat de hemel verdiend kan worden met studie. Het Nieuwe Testament kende hij uit de aard der zaak in het geheel niet, maar zelfs het Oude Testament was hem geheel onbekend. Toen hij in zijn later leven Joden aansprak over het lezen en kennen van het Oude Testament was hun reactie dat zij aan de Talmud toch genoeg hadden, Op deze zandgrond, zo zegt Salomon Duytsch, bouwde ik mijn zaligheid. De Heilige Schrift was voor mij een onbekend en verzegeld boek. Hij voegt er aan toe: Ach, mijn broeders naar het vlees zijn nog zo verblind! Zes jaren lang leefde Duytsch op deze wijze. Uiterlijk maakte hij het goed; hij woonde in een ruim huis, had geld en goed, was gelukkig getrouwd en zeer geacht onder de Joden in wier midden hij verkeerde. En in eigen ogen was hij een vroom en heilig man.
Maar op 5 april 1760 gebeurde er iets vreselijks. Jentil, zijn vrouw, stond 's morgens gezond op, werd in de loop van de dag ziek, en was reeds 's avonds om 11 uur overleden. Nu zag Salomon Duytsch hoe vergankelijk alles van deze wereld, hoe ijdel al het aardse is.
Jentil werd begraven naar de ceremonieën der Joden. Haar vader, moeder, broeder en zuster en Duytsch zelf zaten, naar oud Joods gebruik, zeven dagen op de aarde en beweenden de overledene. Op aandrang van de ouders van Jentil nam Salomon haar jongere zuster Sarel, nog 14 jaar oud, tot vrouw. Uit zijn eerste huwelijk was hem een dochtertje overgebleven, van drie jaar.
’t Oude leven hervatte zich. Weer studeerde hij dagelijks in de Talmud. Ik was, schrijft hij later, een groot ijveraar, een tweede Saulus van Tarzen.
Maar in de nacht van 10 november 1761, tijdens het bestuderen van de Talmud, was het alsof een stem in hem zei: Ga toch uit de duisternis ! Het waren woorden die Duytsch niet meer kon kwijtraken. De volgende nacht was het weer zo, weer die stem: Ga toch uit de duisternis ! Heel het gemoed van Salomon Duytsch werd er door in beroering gebracht. Hij trachtte zich er over heen te zetten maar het lukte niet. Hij wierp tegen: Maar heb ik dan niet licht genoeg ? Het antwoord was: Ge zijt een weerstevig zondaar, een onwaardige! De hel ging nu voor hem open. De duisternis begon duisternis voor hem te worden. Hij besloot zijn leven te beteren, zich te bekeren.
In een van zijn boeken (Jehova verheerlijkt, blz. 23) heeft Duytsch eens uiteengezet wat volgens rabbinistische opvatting de bekering (teschuba) is; zij bestaat in vasten, bidden, aalmoezen, geven, zonden belijden, een zak van paardenhaar op het blote lichaam dragen, zich in koud water baden, zich neerleggen op de dorpel van de synagoge om zich te laten vertreden, en ijverige bestudering van de Talmud. Verscheidene van deze handelingen werden door Duytsch verricht. Wel een half jaar lang, nl. tot 6 mei 1762. Inplaats van vrede te vinden werd hij echter steeds onrustiger; de overtuigingen van zonden en schuld namen toe. Wat tenslotte hem helemaal in de vertwijfeling bracht was de bekentenis van Rabbi Inani, in het tractaat Sabbath in de Talmud, op zijn sterfbed afgelegd, nl. dat hij niet wist of hij behouden zou zijn of verloren gaan. Volgens de Talmud kan een rabbi die ijverig gestudeerd heeft niet verloren gaan; ja is de dood van een Jood tegelijk de vergeving van zijn zonden; een reden waarom de talmudisten zeggen dat geheel Israël zalig wordt, en ziedaar, deze grote rabbi, zélf een der talmudisten moet op zijn sterfbed zeggen dat hij niet weet óf hij wel behouden is. Het bracht Salomon Duytsch in een algehele verwarring. Nu voor het eerst leerde hij bidden om genade.
Komen tot de Gekruisigde
Van Jezus had Salomon Duytsch weliswaar weleens het een en ander gelezen. Wij laten het hemzelf vertellen: 'Van den Heere Jezus by Wien, en door Wien en in Wien de zaligheid te vinden is, hebbe ik wel geweeten, dat er zo een Jezus geweest was, die zig voor den Messias hadde uitgegeven, en dat de Christenen hem voor de Messias houden, gelyk ik zulks in den Talmud en andere boeken menigmaalen geleezen hebbe, en die de Joden in hunne onweetendheid verachten en bespotten, zozeer voegt Duytsch er aan toe, dat ik niet durf het op papier te zetten, 'want zulk een Vyand van Godt ben ik ook geweest’.
Hoewel Christus hem in deze tijd nog onbekend was werkte toch de Geest in het hart van Salomon Duytsch een stil verlangen naar Hem.
’t Was alsof een stem in hem zei: Ge moet komen tot de Gekruisigde, Hij is de Weg, de énige weg tot de zaligheid.
Evenwel, hóe moest hij komen op die weg? Er waren ettelijke moeilijkheden. Bij de Joden behoefde hij natuurlijk niet aan te komen. En verder woonden er in zijn stad en in de wijde omgeving niet anders dan roomsen.
Er waren ook de innerlijke aanvechtingen. Jezus is niet de Messias ! zei de duivel; hij voegde er aan toe: Leg niet een schandvlek op je familie.
Er kwam bij, dat zijn vrouw erg moeilijk begon te doen. Ze hield hem eerst voor gek. Maar toen zij bemerkte wat er eigenlijk aan de hand was, vluchtte zij naar haar ouders. Het kind dat Duytsch had uit zijn eerste huwelijk, een meisje, nam zij mee.
Nu ging de Joodse Raad zich ermee bemoeien. Al spoedig werd besloten de naam van Salomon Duytsch 'uit te roeien'. Zij dwongen Duytsch zijn vrouw een scheldbrief te geven. Zij wisten hem namelijk met list gevangen te nemen, waarop hij voor de keus gesteld werd óf een scheldbrief aan zijn vrouw geven óf vermoord worden. Vrijgelaten, werd hij gedaan in de ergste ban die er was. Degenen die christenen willen worden, worden getroffen met de zwaarste ban; zo groot is, zegt Duytsch, hun haat tegen Christus en de Zijnen.
Sinds nu maakt Duytsch een moeilijke tijd door. Hij is zijn innerlijke twijfelingen nog niet te boven. De kwestie was voor hem of de profetieën van het Oude Testament wel, werkelijk vervuld zijn in Christus. Daar komt bij dat roomse priesters hem opzoeken en hem trachten te winnen voor hun kerk. En wat wel het zwaarst weegt, hij is geen dag zeker van zijn leven, vanwege de haat van zijn (oude) geloofsgenoten. Er zit niets anders op, hij moet vluchten. In de nacht van 19 september 1762 ontkomt hij met groot levensgevaar de stad. Een tijd van zwerven is nu aangebroken. De Gekruisigde heeft hij nog niet gevonden, maar wel is hij op weg naar de Gekruisigde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's