Woord en Geest in het Oude Testament
De verhouding van Woord en Geest
3
Ketterijen en vragen
Er is met, name over de Heilige Geest in de wereld van de oudtestamentici heel wat te berde gebracht, dat de toets van de belijdenis en de rechtzinnigheid niet kan doorstaan. Ik denk aan een artikel in het Bijbels-historisch woordenboek dat in het Nederlands vertaald in de Aula-serie is verschenen, en waarin L. Rost beweert, dat de geest in het O.T. oorspronkelijk niets meer of minder betekende dan levendmakende adem of levensadem. Pas laat zou volgens hem het begrip geest de betekenis van een hemels of demonisch wezen hebben verkregen. Volgens dezelfde geleerde komt de benaming van Geest voor de God van Israël niet voor, laat staan dat de Geest een Persoon van God zou zijn in het O.T. De benaming Heilige Geest komt volgens hem pas voor in de geschriften van Qumran, de zgn. Dodezee-teksten en andere vondsten.
Het is niet moeilijk in te zien, waar deze 'exegetische' gedachten wat de geloofsleer betreft toe geleid hebben. De Geest wordt verstaan als een kracht van God, een bezieling die van Hem uitgaat, een werkzame faktor in de schepping en de leidende kracht voor ambtsdragers in Israël van hoog tot laag, maar niet als de Persoon van God.
Iemand die gelukkigerwijze zich veel voorzichtiger uitliet over het bestaan van de Geest van God en Zijn werking, is de Utrechtse oudtestamenticus Th. C. Vriezen, die erop wees in zijn boek Hoofdlijnen der theologie van het Oude Testament dat althans op één plaats minstens God als de Geest wordt voorgesteld, namelijk in Jesaja 31:3 — de Egyptenaren zijn mensen en geen God, en hun paarden zijn vlees en geen Geest. Ook de Erlanger oudtestamenticus F. Baumgartel heeft zich in Kittels Theologisch woordenboek op het Nieuwe Testament zeer bescheiden over deze problematiek uitgelaten. In zijn artikel over de Geest in het Oude Testament stelt hij duidelijk dat de Geest van God niet alleen een aktieve kracht van God uit is, die onder andere mensen in extase brengt, en ook niet alleen de kracht van God bij de schepping, maar dat wel degelijk de Geest duidt op het innerlijk Wezen van God, al is het dan dat in veel teksten dat Wezen van God wordt aangeduid met termen die vooral de eigenschappen van God bevatten en die dus ook weer heel gemakkelijk in het vlak van Gods werken worden uitgelegd, terwijl Zijn eigen wezen wordt vergeten. Baumgartel gaat zelfs nog verder en noemt een aantal teksten (bijvoorbeeld 1 Kon. 22 : 21, Ez. 37 : 9) waarin de roeach, de Geest van God, de betekenis heeft van een persoonlijk wezen.
Geest en Woord: verband of breuk ?
Ook Vriezen ontkomt er niet aan te stellen dat de Geest van God in het Oude Testament weinig voorkomt als middel bij het schenken van openbaringen, en dat in plaats daarvan de Openbaring van God, met name vóór de ballingschap, praktisch steeds geschiedde door het spreken van God, door Zijn Woord. Soms is daar wel een bepaalde extase bij verondersteld, die het noemen van de Geest van God wettigt, maar dit is toch niet een algemeen verschijnsel. Visioenen vormen volgens hem in het O.T. niet de eigenlijke manier van Openbaring van God. Integendeel, die openbaring is in het O.T. hoofdzakelijk Woordopenbaring. Het Woord als middel tot Openbaring van God is immers het meest in overeenstemming met de geest van Israels religie.
Vriezens opmerkingen kunnen ons in elk geval één ding leren. De band tussen Woord en Geest is geen vanzelfsprekende. Hij heeft betrekkelijk gelijk, wanneer hij ons onder de aandacht brengt dat niet overal en altijd het visionaire de bedding is van Gods Openbaring. Zelfs in het het overwegen waard, of niet daarom de duidelijke woorden over de relatie tussen Woord en Geest in de Openbaring van God bij een Jeremia ontbreken, omdat de profeet zich in de Naam des HEEREN verzet tegen de overgeestelijkheid, de geestdrijverij, het spiritualisme van de valse profeten. De overaccentuering van de Geest als Persoon van de Openbaring van God is immers de hele geschiedenis door vaak ten koste van het Woord en de objektiviteit van de Openbaring van God gegaan !
Het is echter tegelijkertijd opvallend dat waar de band tussen Geest en Woord in de Openbaring van Israels God niet altijd met zoveel woorden genoemd is, het begrip dat het O.T. gebruikt voor het Woord der openbaring (dabar), geladen is met geestelijke kracht, met kracht van God. Om maar één belangrijk aspekt te noemen: Gods Geest doet onder andere Zijn kracht gevoelen door de inspiratie van Gods Woord als prediking in Israël en dus van hen die dat Woord ambtelijk en persoonlijk ontvingen, profeten en priesters, richters en koningen. Dat Woord nu heeft deel aan Gods scheppende kracht, is vervuld van Gods Geest en toont als geen ander middel de eenheid van de werken van de Geest aan van schepping af tot profetie toe. Daarom wordt ook voor de Openbaring van God het begrip dabar gebruikt, dat de kracht der verwerkelijking in zich draagt. Het is woord en daad. Hier mogen wij verwijzen naar Joh. 1 waar niet alleen de schepping 'herschreven' wordt, maar ook de verwerkelijking van het Woord van God haar hoogtepunt vindt in Hem Die het Woord is dat vlees wordt, niet door mans toedoen maar door de kracht van de Allerhoogste en door de Heilige Geest Die over Maria komt. Zeker, de Openbaring van God is in het O.T. in hoofdzaak Woordopenbaring, maar dit betekent niet dat nu het gebeuren van de openbaring een gewoon dictee is geworden. De kracht van Gods Geest is eraan eigen; men zie Jesaja 1 : 1-2. Ook de openbaring in vizioenen, gezichten, verschijningen en extase is in veel gevallen heel duidelijke Woordopenbaring. Men mag echter de stelling niet omkeren; men mag niet zeggen dat de band tussen Geest en Woord in de O.T.-ische openbaring sekundair zou zijn, omdat zij niet met zoveel woorden telkens vermeld wordt. De Geest is immers 'gegeven' in dat bijzondere woord, die rede van God waarvoor Habakuk vreest en waarvan Amos de uitwerking omschrijft met de woorden 'vrezen' en ’profeteren’.
De dragers van Gods Openbaring
Er is een grote verscheidenheid in de dragers en vertolkers der Openbaring van God. Zó groot is die verscheidenheid dat het wel een geloofsuitspraak mag heten wanneer toch gesproken wordt van één Openbaring van God. Die verscheidenheid manifesteert zich niet alleen in een duidelijke ontwikkeling en veelkleurigheid van wat we het profetisme noemen — men zie hoofdstuk 5 van J. Severijn's gelijknamige boek — maar ook in 'andere' dan profetische Woordopenbaring.
Er is immers ook Woordopenbaring geschied aan de priesters in de zin van de Tora, de Wet, door Vriezen vertaald als: de aanwijzing. Het is een bekend feit dat het op beslissende momenten in Israels geschiedenis tot botsingen is gekomen tussen koningen, priesters en/of profeten.
Het heeft er zelfs de schijn van dat in Israels ontwikkeling de priester meer en mee de kontinue ambtsdrager, de profeet de incidentele verschijning en de koning de min of meer vaste opvolger van de richter is geworden. Wij komen er straks in het kort op terug bij de vrijheid die met de profetie gegeven is.
Maar dit alles te weten wettigt nog niet de konklusie dat er binnen Israël een priesterlijke traditie in de Woordopenbaring is ontstaan, waarnaast dan dezelfde feiten op bewust andere manieren zouden zijn verteld door andere groepen, die alle hun eigen codificaties van Gods Woord hebben gehad. Afgezien van het feit dat de wording van de Schrift via mondelinge Openbaring nergens ruimte laat voor zulke verschillende en elkaar tegensprekende kanalen van Gods Openbaring, is het ook theologisch-inhoudelijk rondweg kwalijk om zulke veronderstellingen van verschillende typen religie aan de Schriften, aan Israël en dus aan de God van Israël op te dringen.
Of het nu een 'gezicht' betrof als bij Elisa en, de profetenscholen of dat sprake was van een direkte openbaring als in het geval van Nathan en zovele anderen, de profeten zijn zich zonder onderscheid bewust geworden dat zij de boodschap niet van een mens maar van God verkregen hadden. En ditzelfde geldt de priesterlijke en de richter-koningstraditie. De Openbaring van God door Zijn Woord draagt een sterk geestelijk en persoonlijk karakter; men zie Amos 3:8. En of het nu gaat om het profetische Woord of om de Tora als Openbaring van de wil van God, om de profetische, incidentele lijn of om de priesterlijke, kontinue lijn, of het nu gaat om de uitspraak des HEEREN, die dwars door een Jeremia en een Ezechiël heengaat, of om |iet vragen van Gods wil via Abjathar bij de efod: n beide gevallen is er een duidelijke relatie tussen Woord en Geest en is 'woord' meer dan een paar drukletters op een bonnetje.
Maar die twee lijnen kunnen niet buiten elkaar, zomin als het Woord buiten de Geest kan of de Geest buiten het Woord om wil. Het geestelijk karakter van de profetie maakt tegelijk haar vrijheid uit, en het schijnt dat de profeet per definitie in botsing moet komen met het 'wettig gezag' van de kroon en het altaar, waarvan kwaaddenkende theologen zo gemakkelijk kollaboratie hebben vermoed. Micha ben Jimla moet in menige preek of vertoog model staan voor deze opvatting. Zij is echter een misvatting, want Micha ben Jimla komt niet in botsing met de koning en nog minder met het altaar, maar met de valse profeten die zichzelf verkocht hebben voor brood om de koning naar de mond te spreken, kome ervan wat ervan komt. De vrijheid van de man Gods in het O.T. beneemt hem niet de ootmoed waarin hij wat zichzelf betreft, het voorbehoud maakt: 'Indien gij enigszins met vrede weerkomt, zo heeft de HEERE door mij niet gesproken!' De voor Gods Geest aangedane en daarom vrije profeet is geen individualist in een ivoren toren, die het alléén weet.
Omgekeerd kan de priester niet zonder de profeet. Vriezen maakt wat dit betreft de behartenswaardige opmerking: toen de priesterschap de Tora (Wet, wil Gods) boven de Nebiim (profeten) stelde, verkreeg Israels religie dat konservatieve en wettische karakter, waardoor het profetisme werd gesmoord en de Geest tot zwijgen werd gebracht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's