Weten
Want ik weet: mijn Verlosser leeft. Job 19 vs. 25a.
De vrienden zitten strak voor zich uit te kijken. Telkens neemt een van hen het woord en breidt het uit tot een woordenstroom die Job's verweer zal meesleuren en wegspoelen. Jobs verweer: dat hij onschuldig is, dat hij in zijn recht staat, dat niets van wat de vrienden vermoeden en wat ze hem met zoveel woorden aanwrijven, door hem misdreven werd. Zo nu en dan werpt een van hen een onderzoekende blik op hem; en denkt: Job, achter dat vrome masker gaat een wereld van ongerechtigheid schuil, laat dat masker toch vallen ! Maar Job draagt helemaal geen masker; zijn doorploegd gelaat is de spiegel van zijn verscheurde ziel:
Toegeven ? Met de vrienden uitrekenen, narekenen ? Dat in geen geval. Wel belijden, voor God belijden. Want hoe zou een mens rechtvaardig zijn voor God ? God die hem gadeslaat en doorgrondt. Voor Wie hij geen partij is, hij is immers maar een mens; tegenover Wie hij zich niet kan vrijpleiten, rechtvaardig is er niemand. Daarmee uit! Nee, al wordt Job er zo moe door, hij kan de zaak van zijn leven niet laten rusten. Hij kan niet zeggen: Vrienden, bedankt , en wel thuis. We komen er kennelijk niet uit. Laten we ons tevreden geven met wat algemeenheden, uw spreuken lenen zich daar wel voor. Laten we God er buiten houden. Dat maakt alles nodeloos ingewikkeld: Vóór God. Satan let goed op. Zal Job aan God vertwijfelen en afscheid, — zij het een vertraagd afscheid — van Hem nemen, voorgoed ?
Integendeel. Als er iemand geweest is die de 42e psalm doorleden en doorstreden heeft, dan zou het, naast de dichters Job geweest zijn. Hij zingt, nee, het zingt in hem: en mijn hart, wat mij moog' treffen, tot de God mijns levens heffen. Dat is uit God en daarom tot God. Tussen God en hem is een zaak aanhangig gemaakt, een rechtzaak. Verwacht Job wat van God ? Hij verwacht Hém, hij hijgt naar Hem, met heel zijn hart. Hoe dan, vraagt iemand. Wel, hij gaat bij God in hoger beroep. Hoe waagt hij dat en wat baat het hem ? Wij hoorden uit zijn eigen mond, dat hij zijn zaak niet kan waarnemen, dat hij haar voor Gods aangezicht gewonnen moet geven. De vrienden bezweren hem: Onschuld is een hechte grond, wie die ter verdediging aan kan voeren is gerechtvaardigd. Onschuld ? Job weet zich schuldig voor God. Dus moet hij zijn zaak uit handen geven, het is een verloren zaak. Tenzij. U moet het eens nalezen, u moet het u een inleven. Dreigende luchten, donkere wolken. Opklaringen ! Soms plotseling, als in een flits, soms na rijp beraad. Een scheidsman, stamelt hij — Job 9 vs. 33. Een tussenman, een middelaar. Waar moet hij die zoeken ? Dat kunt u nooit raden: In de hemel is mijn getuige — Job 16 vs. 19. Die het voor mij opneemt is... God. Stel mij een borg bij U — 17 vs 3. Die de zaak in orde maakt voor mij. En dan waait er een heldere blauwe plek open, de wolken, nemen de wijk: Want ik weet, mijn Verlosser leeft. Waar hij naar heeft getast in de duisternis die hem overviel, daaraan heeft hij nu houvast. En weer druipt Satan af, daar heeft hij niet van terug. Ik zal God, mijn God nog loven. Of klinkt de tekst niet als een lied, dat uit de vele overtollige woorden, omhoog wiekt als een vogel.
Laat mijn woorden opgeschreven worden in een boek, gebeiteld in een rots, de letters volgegoten met gloeiend lood, onuitwisbaar: want ik weet. Moet ik er straks het zwijgen toe doen, zonder stem en hart het begeven, dan nog zullen ze niet vergeten worden. En ze zijn niet vergeten; God tekende ze aan. Wie zal ze tellen, de aangevochtenen, die deze woorden mochten nazeggen, toen er niets meer te zeggen was. Dit machtige woord, waarin een mens zich aan God vastklampt op hoop tegen hoop. Zijn vertrouwen uitspreekt in de Heere, onvoorwaardelijk en dwars tegen de werkelijkheid in. Hier is het geloof aan het woord.
De brede betekenis van het woord, hier door verlosser vertaald, heeft haar eigen spits, loopt uit op: loskopen. De Verlosser is de Goèl. Het kan de bloedwreker zijn; ook de bloedverwant, die het recht en de plicht heeft om familielid en familiebezit weer aan de familie terug te brengen. Een plaatsvervanger, een zaakwaarnemer, dat alles spreekt mee in 'Verlosser'. Die het voor de hulpelozen opneemt; die metterdaad helpt door schuld te vereffenen en recht te verschaffen. Van wie geldt het, voluit, behalve van God ? Job bedoelt God ! God, Die met hem in tegenheden wandelt; God, Die hem dreigt te verpletteren onder al de rampspoeden van zijn leven; God, Die zich niets aan hem gelegen laat liggen. En, ten overvloede: hoe zou een mens rechtvaardig zijn voor God. En daarom nu net. Job trekt zich op God terug. Niet met passen en meten, maar in een diepgaande overtuiging: ik weet. Mijn verlosser. Hij zoekt die niet onder de mensen; hoe zou het kunnen. Niet onder zijn vrome vrienden, die hem in de steek laten. Hij zoekt die in de hemel. Hoog is Hij en heilig. Hij behartigt de verloren zaak van deze man die kermt om medelijden; de hand Gods raakte hem immers aan — vs. 21. Hoe komt Job er bij deze God als zijn Verlosser te belijden ? Omdat deze God Zich zo aan hem openbaart. Licht in de rook, het licht van de naam des Heeren. Mijn verlosser leeft. Hij heeft een Verlos ser. Het kwam wel eens voor, dat iemand geen losser had — Num. 5 vs. 8. Job heeft er een en wat voor een: God Zelf, God, Die leeft. God, Die voor hem in het krijt treedt. God, Die niet sterft. Als Job sterft, leeft God nog en Hij zal de zaak van Job tot een goed einde brengen. Dat is de troost, waarvan Job getuigt. Een vérstrekkende en een verwondering wekkende troost. En onwillekeurig herhalen we de vraag: hoe komt hij er bij. God heft zijn hoofd omhoog, een ander antwoord is er niet. God. Niemand kan rechtvaardig zijn voor God, tenzij God het is, Die rechtvaardig maakt. Mijn zaak tot de Zijne verklaart.
Uit schemer en schaduw treedt Christus te voorschijn Mijn Verlosser. Hij was de bloedverwant; Hij nam ons vlees en bloed aan. Waarom ? Om te lossen, te verlossen.
Wat deed Hij met de schuld ? Het was zijn schuld niet. Nee, schreit ons hart, het is mijn schuld, mijn eigen schuld. Niemand kan, niemand wil die voldoen. Niemand ? Eén is er die de schuld op zich nam, op Zijn naam liet overschrijven. Toen haalde God er een dikke streep door: de kruisbalk. Voldaan, ook de laatste penning, die altijd ontbreekt. Vrijgekocht uit de macht van zonde en dood. Er is betaald met Christus' bloed; Gods hartebloed. Want Christus is van God.
Wat deed Hij met het recht ? Hij was de rechtvaardige. Toch nam het recht zijn loop tegen Hem. Het eiste zijn dood, en de eis werd toegewezen. Mijn Verlosser hangt aan 't kruis; mijn Verlosser werd terechtgesteld. Zou het ons niet duizelen. Mijn Verlosser leeft. Ik ben dood geweest en zie. Ik ben levend in alle eeuwigheid. Hij leeft als voorspraak. Hij leeft als vrijspraak. God spreekt vrij; voor Hem ben ik, als had ik nooit zonde gehad of gedaan. Hoe weet ik dat ? Mogen wij dan volstaan met dat allesomvattende: ik weet, mijn Verlosser leeft. Dat is mijn enige troost in leven en in sterven. Wat enig is, is genoeg.
Weet ik het, dan weet ik genoeg.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's