Een voorwaardelijk genadeverbond
Pastorale overwegingen
3
Na alles, wat we de vorige keer in de Pastorale Rubriek schreven over de onderscheiding inwendig-uitwendig verbond aan de hand van wat W. a Brakel hier over zegt in zijn Redelijke Godsdienst, - proberen we nu een antwoord te vinden op de vraag, of het juist is te spreken over een volstrekt en een voorwaardelijk genadeverbond. Zoals de lezer inmiddels weet, gebruikt wijlen ds. I. Kievit deze woorden in zijn boekje 'Tweeërlei kinderen des verbonds'. Hij zegt: 'Aangemerkt als volstrekt is de bediening (van het verbond) zaligmakend: het verbond geeft, wat het vraagt (geloof en bekering); als voorwaardelijk wordt van de bondeling geloof en bekering gevorderd en de zaligheid aangeboden, de voorwaarden worden echter niet vervuld door de verbondsgenade, maar het aangeboden heil wordt niet verkregen door ongeloof'.
Onvoorwaardelijk ganadeaanbod
De bedoeling is duidelijk. In het genadeverbond komt de Heere tot ieder kind des verbonds met de aanbieding van Zijn genade. Dat aanbod der genade komt ook tot de onbekeerden. De meest weerbarstige en ongehoorzame mens mag het vernemen, dat Christus te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven is en dat er in dat sterven van Christus zoveel mogelijkheden liggen, dat de ganse wereld er door behouden zou kunnen worden. Aan Gods wil om mensen zalig te maken kan niemand met goed recht twijfelen. Hij wil niet, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen. Het is dus niet zo, dat deze genadige gezindheid van God alleen gepredikt zou mogen worden aan de uitverkorenen of aan hen, die de kentekenen der genade in beginsel bij zichzélf waarnemen. Want in dat geval zou de mens de vrijmoedigheid om te geloven, dat God hem wil zaligmaken, moeten ontlenen aan deze kentekenen der genade in zijn hart en leven. 'Maar het recht en de grond om te geloven', zegt één van de Erskines in een preek over Luk. 2 : 28, 'liggen niet in iemands inwendige roeping. Alleen de uitwendige roeping is het fundament, op hetwelk de belofte moet worden aangenomen'. En elders lezen we: Het is waar, de eeuwige voorverordinering, de verwerving en toepassing van de verlossing, is de uitverkorenen alleen eigen; maar de openbaring, de gift en aanbieding is allen, die het Evangelie horen, gemeen; in zoverre, dat, gelijk de grote Rutherford het uitdrukt, de verworpenen even zulk een klaar geopenbaard recht hebben om te geloven als de uitverkorenen. Aan elke mens, die binnen de omtrek van het geklank des Evangelies leeft, wordt de aanbieding van Christus als tot zijn deur gebracht en die wordt zo sterk op hem aandrongen, alsof hij met name genoemd werd, zodat niemand reden zal hebben om te zeggen: de roeping en aanbieding is niet voor mij; ik heb geen recht om Christus te omhelzen'.
Dat alles sta voorop. Maar nu betekent deze algemene aanbieding des heils uiteraard niet, dat de Heere daarmee tegen ieder, die onder het Evangelie komt, zegt, dat Hij hem zal zaligmaken, wat die mens er ook van zou denken, en of die mens ooit tot geloof komt, ja dan nee. Als we dat zouden beweren, zouden we een algemene verzoening leren. En dan zijn we wel duidelijk in strijd met wat de Bijbel ons verkondigt. Nee, de genade van God moet de mens niet alleen worden aangeboden. Zij moet ook worden toegeëigend en aanvaard. En dat toeeigenen en aanvaarden van het genadige beloftewoord van God vindt plaats in een weg van geloof en bekering. Daarom gaat de aanbieding des heils ook altijd gepaard met de eis van geloof en bekering. 'De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot de Heere, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen' (Jes. 53 : 7). Deze eis zouden we met ds. I. Kievit het voorwaardelijke in het genadeverbond kunnen noemen. We verstaan ook, wat daar mee bedoeld wordt. Er is een onderwerpelijke orde des heils. En daarin zijn het de onderwerping aan het Woord van God, het buigen onder Gods recht, de dadelijke omhelzing van Christus, die leiden tot het ontvangen van de zaligheid. De algemene aan Ijieding des heils gaat in elk geval onmiddellijk en altijd gepaard met de eis van geloof en bekering. En alleen in deze weg van geloof en bekering wordt het aangeboden heil ook persoonlijk ons deel.
Geen inperking van het algemeen aanbod der genade
Aan de uitdrukking 'voorwaardelijk verbond' kleven echter bezwaren, net als aan de uitdrukking 'uitwendig verbond'. In de eerste plaats kan het woord voorwaardelijk immers de indruk wekken van een inperking van het algemeen aanbod van, genade, als zou de Heere het eigenlijk niet echt menen, wanneer Hij tot de ongelovigen en onbekeerden zegt, dat Hij geen lust heeft in hun dood, maar in hun leven. Deze algemene aanbieding van Gods genade geschiedt echter onvoorwaardelijk in die zin, dat ook als de mens in ongeloof volhardt, hij zijn eeuwige ondergang niet kan wijten aan het feit, dat God het niet ernstig met hem meende. God heeft niettemin, ondanks zijn ongeloof dus, o zo vaak gezegd, dat Hij zijn zaligheid wilde. Als men echter spreekt over die beloften van Gods genadeverbond, waarin God de kinderen des verbonds belooft niet alleen te willen, maar ook te zullen zaligmaken, dan zal men moeten zeggen, dat deze beloften alleen vervuld worden onder voorwaarde, dat er ook geloof en bekering zijn. Beter kan men in het laatste geval zeggen: in de weg van geloof en bekering. Men zal dus onderscheid moeten maken in het karakter van een belofte. Er zijn algemene beloften, waarmee God tot ieder mens komt. Er zijn ook bijzondere beloften, die aan het adres van de gelovigen gericht zijn.
Altijd in de weg van geloof en bekering
In de tweede plaats zal men moeten zeggen, dat als men het woord voorwaardelijk gebruiken wil, men ook kan spreken over een voorwaardelijk verbond met betrekking tot de uitverkorenen. Ook voor hen geldt immers, dat de 'voorwaarden' van geloof en bekering nodig zijn voor de vervulling van Gods beloften in hun zaligheid. Zij, juist zij moeten hun zaligheid met vreze en beven bewerken. Wil men het verbond ten aanzien van de uitverkorenen volstrekt noemen, dan kan dat toch alleen betekenen, dat de zg. voorwaarden voor de beërving van de zaligheid door Gods genade in hen steeds worden vervuld.
Het verschil met 't werkverbond
En dan is er nog een laatste punt. Het woord voorwaarde roept onwillekeurig ge dachten op aan iets, dat de mens zelf heeft te volbrengen. Maar dat kan niet de bedoeling zijn. Dan zou immers het genadeverbond wezenlijk niét verschillen van het werkverbond, waarin van Adam gehoorzaamheid geëist werd om het eeuwige leven te kunnen be-erven. Op deze wijze maken we echter van het Evangelie een tweede wet en vervallen in Pelagiaanse en Remonstrantse dwalingen. Daarin kan een mens door het licht der natuur, door zijn verstand goed te gebruiken en door de zachte aanrading van het Evangelie zich op de genade voorbereiden. Tot op zekere hoogte heeft hij dan zelf de voorwaarden vervuld. De Bijbel spreekt echter anders. De Bijbel zegt, dat wij dood zijn in zonden en misdaden en dat wij door een Godsdaad wedergeboren moeten worden. Het geloof is een gave van God Zelf.
W. a Brakel: geen voorwaarden
Aan het slot van dit derde artikel over een voorwaardelijk genadeverbond, dan nog enkele aanhalingen uit W. a Brakels Redelijke Godsdienst. Sprekende over het verbond der genade zegt a Brakel: 'Nu is de vraag, welke de conditiën (voorwaarden) zijn, die God wederom van de mens eist en die hij wederom zou beloven ? Ik antwoord: God eist gans geen conditiën van de mens; de mens belooft ganselijk niets, waarop hij als voorwaarden het verbond zou aangaan. Hiervan dient het gemoed wel onderwezen te zijn om vrijmoediger in het verbond te treden en met minder twijfelingen te vaster in het verbond te staan. . . .
't Is een allenthalve genadeverbond, het sluit het verbond der werken ganselijk uit En zo de mens iets kon doen en alzo beloven, wat zou dat zijn ? Bekering, liefde, heiligheid, gehoorzaamheid ? Behalve dat hij niet kan, zo worden die zaken aan de zijde Gods als conditiën beloofd. God biedt aan, dat Hij de mens. die met Hem in dit verbond treedt, die zaken geven zal .. . .
Willen en geloven zijn vooraf vereiste hoedanigheden in iemand, die in het verbond ingaat. Nu, vooraf vereiste hoedanigheden zijn geen voorwaarden, maar maken alleen iemand bekwaam om een verbond te maken'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's