Een voorwaardelijk genadeverbond
Pastorale overwegingen
4
In dit slotartikel over een voorwaardelijk genadeverbond willen we proberen, die dingen, die we naar voren brachten in de vorige uiteenzettingen, voor de lezer op een rij te zetten. We trekken enkele conclusies. In de eerste plaats hebben we ontdekt, dat de uitdrukkingen uitwendig verbond en voorwaardelijk verbond zoveel misverstanden oproepen, dat we beter doen deze termen niet meer te gebruiken. Ook al verstaan we, wat ermee bedoeld is, ze zijn te vatbaar voor misbruik. In de tweede plaats hebben we gezien, dat er in het éne genaderverbond een algemeen aanbod van genade is, dat komt tot bekeerden en onbekeerden, verkorenen en verworpenen en dat in deze 'onvoorwaardelijke' aanbieding des heils de grond ligt om te geloven en niet in onze bekering of in ons geloof. Jn de derde plaats moesten we vaststellen, dat er in Gods genadeverbond niet alleen beloften zijn, maar ook eisen en dat die twee altijd samengaan en allen, die tot het verbond behoren, aangaan. Als God de zaligheid belooft, dan zegt Hij er onmiddellijk bij, dat deze alleen ons deel wordt in de weg van geloof en bekering. In de vierde plaats werd het ons duidelijk, dat ook dat laatste (geloof en bekering) een genadegeschenk is van de God des verbonds en niet een werk van de mens. God geeft, wat Hij eist en vervult daarmee Zijn eigen beloften in het hart van de mens.
Tweeërlei kinderen des verbonds
Nu komt echter nog de vraag, of we bij dit alles niet het gevaar lopen uit het oog te verliezen, dat er tweeërlei kinderen des verbonds zijn. Dat gevaar is er inderdaad. We kunnen immers niet volstaan met de prediking van de aanbieding des heils, ook al zeggen we erbij, dat een mens heeft te geloven en roepen we hem op tot bekering. Maar als wij ons werkelijk zorgen maken over de uitwerking van deze prediking in het hart en leven van de hoorders (en dat mag waarlijk wel), dan zullen wij toch ook moeten zeggen, dat niet ieder verbondskind op dezelfde wijze in het verbond is. Er zijn uitwendige kinderen des verbonds, die vreemdelingen blijven in hun eigen hart en die niet met een verbroken hart op Christus leerden hopen, ook al roemen zij in hun voorrechten en aanvaarden in een verstandelijke redenering wat de Bijbel zegt. Een oud-oosters huis was vaak gebouwd om een binnenplaats heen. Was men nu op die binnenplaats, dan was men in zekere zin in huis, althans binnen de bescherming van de muren van dat huis en 's avonds, als het donker was, ook in de stralenbundel van het licht, dat op die binnenplaats viel vanuit de kamers daar omheen. De eigenaar van het huis en zijn huisgenoten waren echter nog op een andere manier in huis dan b.v. een vreemdeling, die op die binnenplaats overnachtte. Zij woonden, aten, sliepen in de kamers rondom die binnenplaats.
Een vreemdeling of een huisgenoot
Welnu, op deze tweevoudige wijze kan men pok in het verbond zijn. Zij, die binnen de lichtkring van het verbond zijn, onder de prediking komen, de sacramenten gebruiken, een net leven leiden, enz. zijn nog niet altijd ranken, die voor God vruchten dragen. Voor dat laatste is ons nodig, dat wij innerlijk omgezet worden door Gods Geest, dat wij door een waarachtig geloof ingaan in het verbond. Dan worden we van een mens, die slechts uitwendig is ingelaten in het verbond (W. a Brakel), van een vreemdeling op de binnenplaats, een mens, die helemaal thuis mag zijn in het hart van het verbond, een huisgenoot van God en Zijn volk.
De spanning bewaren
Maar hoe komt het nu, dat de één daar wél toe komt en de ander niet ? In het antwoord op deze vraag, zullen we met twee woorden spreken. Wij gaan verloren door eigen schuld, maar we worden behouden enkel en alleen door Gods genade. Die twee dingen krijgen we nooit in een sluitende redenering bij elkaar. Ieder, die het ernst is met de vraag, of hij behouden zal worden, moet maar beginnen, waar God met een mens begint, nl. met de erkentenis, dat hij met de ganse wereld voor God verdoemelijk is. Maar hij mag ook in geen enkel opzicht vergeten, dat hij binnen de lichtkring van Gods verbond is, dat wil zeggen, dat God het meende, toen Hij hem liet dopen, ook in de Naam van de heilige Geest, Die het geloof werkt (Heid. Cat. vraag en antwoord 74). Met andere woorden, het zal aan God niet liggen, als een mens verloren gaat. De tranen van Christus over Jeruzalem en het gebed van Christus aan het kruis voor Zijn vijanden kunnen daar reeds als genoegzaam bewijs voor dienen. Als wij verloren gaan, gaan we verloren, omdat wij ons nooit leerden buigen onder de eisen van Gods verbond en omdat we nooit, overtuigd van de onbekeerlijkheid van ons hart, leerden pleiten op de beloften van Gods Geest. Maar wie dat laatste wel heeft geleerd, mag geloven, dat God dat wat Hij van ons terecht kan vragen, nl. geloof en bekering. Zelf door Zijn Geest bereid was in ons te werken. En als we in de verdere uitbouw van het geestelijk leven, in de doorbraak naar Christus toe, verzekerd mogen worden van onze aanneming tot kind van God en we onze weg dan nog eens overzien, dan zal het ons een steeds groter wonder worden, dat wij mochten ingaan in het hart van het verbond. Alle roem is hier uitgesloten. Wie roeme in de Heere, Die in ons de hunkering legde naar Hem, Die ons deed bukken voor de hoge God, Die ons leerde worstelen met het Woord, aan Wie het behaagde door alle aanvechtingen en strijd heen door Zijn Geest Zijn Zoon in ons te openbaren. De diepste grond van de zaligheid van Gods kind ligt in Gods eeuwig welbehagen.
O, diepte
Maar als dan alleen diegenen zalig worden, die God van eeuwigheid besloten heeft het geloof te schenken, dan is het toch niet te rijmen, dat Hij ook die mensen tot Zich roept en aanbiedt, wat nodig is tot hun zaligheid, die Hij in Zijn eeuwige verkiezende genade heeft gepasseerd. Is er onrecht bij God ? Meent Hij het dan werkelijk, als Hij tegen een zondaar zegt: 'Ik wil ? ' Als Calvijn op dit punt komt in Zijn Institutie, zegt hij: 'Laat Augustinus voor mij antwoorden: 'Wilt gij met mij redetwisten ? Bewonder met mij en roep uit: O diepte ! Laat ons samen overeenstemmen in vrees, opdat wij niet omkomen in dwaling'. (Institutie, III, 22, 10).
Wij hebben ons te houden aan de geopenbaarde wil van God. En die is duidelijk. God zoekt niet de dood van een zondaar. Hij meent het, als Hij zegt: . 'Ik wil'. 'Ieder, die daar hartelijk van overtuigd wordt, beschuldigt de Heere niet meer van onrecht, moet zichzelf alleen maar aanklagen vanwege de onbekeerlijkheid van zijn hart, ook nadat God Hem zovaak heeft gewaarschuwd en genodigd. En die zich zo voor de levende God buigt, die zal het als een wonder aanbidden, wanneer de Heere met hem nog een stap verdergaat, de beslissende stap van ware bekering en waar geloof. Want dat is het wonder, dat God er raad op weet, juist als al onze wijsheid is vergaan. En dat wonder wordt zeker het deel van allen, die zich met de tollenaar uit de gelijkenis met de éne hand op de borst slaan: 'O, God, wees mij zondaar genadig' en die de andere hand, misschien bevend op het voorhoofd leggen: 'Heere, Gij hebt het beloofd’.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's