Woord en Geest in het Nieuwe Testament
De verhouding van Woord en Geest
5
1
Wie zich gaat bezinnen op de verhouding van Woord en Geest in het Nieuwe Testament, ontdekt al spoedig dat hij niet te maken heeft met een paragraaf die men uit het geheel kan lichten, zonder dit aan te tasten. In een opstel in de bundel 'De Spiritus Sancto' wijst prof. dr. W. C. van Unnik erop dat van Matth. 1, de geboorte van Jezus (vs. 20) tot Openb. 22 : 17, waar de Geest en de bruid roepen om de komst van de Heere, alles van de Geest getuigt. 'De Heilige Geest is de verborgen samenhang, de levensadem van de N.T.ische getuigen en gemeente' (blz. 65).
Een centraal gegeven.
Dat betekent voor ons onderwerp dat we — om een grondige behandeling — niet kunnen volstaan met een uitlegkundig onderzoek naar de beide begrippen 'Woord' en 'Geest', om die vervolgens in relatie tot elkaar te zetten. We zullen dan verder moeten gaan, om te ontdekken hoe de Geest des Heren in de Schrift, het 'Boek der ontmoetingen' overal aan het werk is. En tevens, hoe het Woord Gods als een zaad wordt uitgezaaid op de akker van de wereld, en doet wat de Heere behaagt. We zouden b.v. uitvoerig aandacht kunnen geven aan de gelijkenis van de zaaier die het zaad uitstrooit met brede gebaren. En als we nadenken over wat er gezegd wordt over de gesteldheid van de akker, over onkruid dat gezaaid wordt tussen de tarwe en anderzijds over de vrucht en de oogst, en over de komst van Gods Koninkrijk in dit gebeuren, dan zitten we daarmee midden in ons onderwerp: De Geest en het Woord. Wat betekent b.v. Marc. 4 : 28: de grond die vanzelf vrucht voortbrengt en de mens die zaait en zelf niet weet, hoe het zaad groeit ? In het Grieks staat dan het woord 'automate' dat we dan vertalen met 'vanzelf'. Het roept associaties op aan automatisch en automatisering. Maar we zouden de boodschap van de Schrift inzake de betrokkenheid van de Geest en het Woord op elkaar, verminken als we bij deze werking van het Woord zouden denken aan een automatisch effect. Want dit automatisme wordt juist in Marcus 4 ontkend.
We zouden ook uitvoerig kunnen luiste ren naar de ontmoetingen van Jezus met mensen, zoals Nicodemus, de Samaritaanse vrouw, Zaccheus; om van daaruit te ontdekken wat hier gezegd wordt over ons onderwerp. Of Lucas 24 kunnen gaan lezen, waar de Schriften opengaan in het onderwijs van Christus en waar tegelijk sprake is van ogen, die geopend worden. Genoeg om u te laten zien hoezeer ons onderwerp het geheel van het N.T.isch getuigenis raakt, en we in 2 artikelen slechts enkele facetten kunnen laten zien.
Gods orde
Nu is dat niet verwonderlijk. Immers we komen bij dit onderwerp in aanraking met wat we in de dogmatische bezirming plegen te noemen: de heilsmiddelen. Velen van onze lezers zullen bekend zijn met wat de Heidelbergse Catechismus zegt in zondag 25: de Heilige Geest werkt het geloof door de verkondiging van het Woord en sterkt het door het gebruik van de sacramenten, die wel genoemd zijn het 'zichtbare Woord'. Men kan zich afvragen of woorden als 'middelen' of 'instrumenten' toch niet te zakelijk klinken en voldoende ruimte laten voor het geheimenis van het werk van de Geest, maar de bedoeling is toch duidelijk. Onze belijdenis vertolkt hier toch dit cejitrale gegeven van de Schrift, dat de Heere God in zijn heilsmededeling aan de mens een heilige orde in acht neemt en dat, Hij ons aan die orde bindt. We mogen de souvereiniteit en de vrijmacht van de Geest, Die met de Vader en de Zoon waarachtig en eeuwig God is niet aantasten — en het N.T. is vol van deze souvereiniteit— maar we hebben ons te voegen in de orde die de Heere ons op 't hart bindt. En dan blijken Woord en Geest door een onlosmakelijke band verbonden te zijn. De koningsheerschappij des Heeren komt openbaar in de weg van het Woord. Dat Woord roept op tot geloof en bekering, want alleen in deze weg delen we in het heil van dit Koninkrijk (zie Matth. 3 : 2; 7 : 21; 18 : Ivv; 28 : 19; Joh. 3:3; 3 : 36; 4 : 42; 6 : 35 vv; Hand. 16:3; Rom. 1 : 16; 10:8vv).
Terecht schrijft Ridderbos 'Deze middellijke weg van het Woord bepaalt heel de heilsbedeling van Pinksteren tot aan de wederkomst van Christus' (in: Het dogma der kerk, Groningen 1949, blz. 520). Tegelijk mogen we zeggen: Heel de toepassing van het heil van Christus is het werk van de Geest.
Het is de Heilige Geest die het gesloten zondaarshart opent (vgl. Joh. , 3:1-8; Hand. 16:14). Maar de Geest bedient zich van het Woord, dat in Efeze 6 : 17 het zwaard van de Geest wordt genoemd. Een veelbetekenende uitdrukking: waard van de Geest. En onwillekeurig denken we dan aan dat andere woord waar het levende en krachtige Woord Gods vergeleken wordt met een zwaard, en waar dan zelfs gezegd wordt, dat het scherper is dan enig tweesnijdend zwaard (Hebr. 4 : 12).
Paulus noemt het Woord een kracht van God tot zaligheid (Rom. 1 : 16; Cor. 1 : 18) en we zullen dit dan nooit mogen losmaken van Hand. 1 : 8 waar sprake is van de kracht van de Geest. Terwijl Joh. 3 : 5 zegt dat niemand het Rijk Gods kan binnengaan, tenzij hij geboren wordt uit water en Geest, leert 1 Petr. 1 : 23 ons, dat dit werk van de Geest niet los staat van het Woord: dat is immers niet een vergankelijk, maar een onvergankelijk zaad, dat levend is en blijft. En veel betekenend wordt er dan aan toegevoegd: dit nu is het woord dat u als evangelie verkondigd is.
Nog een voorbeeld uit de Galatenbrief. In Gal. 4 worden de gelovigen 'kinderen der belofte' genoemd (vs. 28), maar zij die door de kracht van het evangelie gegrepen en tot nieuw leven gebracht zijn worden aangeduid als 'zij die naar de Geest geboren zijn (vgl. 28, 29).
De Heilige Geest werkt het geloof door de verkondiging van het Woord. Met dat te zeggen geven we geen oplossing die op rationalistische wijze alles doorzichtig maakt. Er moet ruimte blijven voor het wonder van de Geest Die zijn onnaspeurlijke wegen gaat, die ons bindt aan de middelen, aan de prediking van het Woord, maar daarin ons ook zo volstrekt afhankelijk maakt van Hem. 'Niet de kerk of het ambt, noch ook enige prediker beschikt over de kracht van de Geest, noch ook 'werken' Woord en sacrament ex opere operato; het is altijd de Geest zelf dië kerk en ambt en bediening des Woords als zijn instrument gebruikt, zó dat Hij de Auteur der genade is en dat iedere uitdeling van de Goddelijke genade en iedere bediening der verzoening bediening des Geestes is' (Ridderbos) a.w. blz. 523). Paulus, die zich gezonden weet als ambassadeur van Jezus Christus met de boodschap der verzoening (2 Cor. 5 : 20) noemt zich dan ook dienaar van een nieuw verbond, niet der letter, maar des Geestes (2 Cor. 3:6). Juist de samenhang met de verkondiging laat zien dat we dit woord uit de 2e Corinthebrief grondig misverstaan als we Woord en Geest tegenover elkaar zouden plaatsen. Het blijft er bij: de Geest bindt ons aan het Woord.
De zeven brieven
We kunnen dit ook toelichten met Openb. 2 en 3. Aan het slot van ieder van de brieven aan de klein-aziatische gemeenten horen we: Wie oren heeft die hore, wat de Geest tot de gemeente zegt'. En al wat de Geest tot de gemeenten zegt, zijn woorden van de verhoogde Heere Jezus. Hij richt zich immers in vermaning en bemoediging, appellerend en waarschuwend, bestraffend en vertroostend tot de gemeenten van Klein-Azië. Christus bedient zich van de schrijf werkzaamheid van Johannes, van de lezing en verkondiging in de erediensten. In dit alles spreekt de Geest Gods tot ons. Zo sticht en richt Hij de gemeente. Zo bouwt Hij haar. De Geest bindt ons aan Christus, Zijn werk. Zijn Woord. De Geest Gods zet in die verkondiging Christus in het volle licht.
Als de Geest tot de gemeenten spreekt, moeten we dus niet denken aan 'nieuwe openbaringen' los van het getuigenis van Christus in en door Zijn apostelen. We weten uit het N.T. hoezeer de eerste christelijke gemeente te worstelen had met valse profeten die zich beriepen op nieuwe openbaringen. Men denke aan de laatste Johannesbrief. Vandaar dat de oproep weerklinkt om de Geesten te beproeven of zij uit God zijn, daar vele valse profeten zijn uitgegaan. En we onderkennen de Geest Gods hieraan, dat beleden wordt dat Jezus Christus in het vlees is gekomen (1 Joh. 4:2). Het getuigenis van Jezus is de Geest der profetie (Openb. 19 : 13). De Heilige Geest stelt door het getuigenis, door de verkondiging van het Woord Christus in het volle licht. In Openbaring 2 en 3 zien we Christus bezig in het midden van zijn gemeente. Hij wandelt tussen de kandelaren (1 : 20; 2:1). Hij verzamelt zijn gemeente rondoni Woord en Sacrament. En daar klinkt de oproep: voor, wat de Geest tot de gemeente zegt. Het hangt direct samen met een woord van Jezus uit de afscheidsgesprekken, zoals we die vinden in het Johannesevangelie.
In Johannes 16 : 13v zegt Jezus, dat de Geest der waarheid, niet uit zichzelf zal spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken, ... Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het mijne nemen en zal het u verkondigen'. In de bezinning op de verhouding van Woord en Geest hebben deze woorden over de Trooster, de Paraklètos, altijd weer de aandacht getrokken. Daarom willen we daar in een tweede artikel nader op ingaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's