De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wanneer de tijd nabij is

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wanneer de tijd nabij is

8 minuten leestijd

Want de tijd is nabij. Wie onrecht doet, dat hij nog onrecht doe; en wie vuil is, dat hij nog vuil worde; en wie rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde; en wie heilig is, dat hij nog geheiligd worde. Openbaring 22 : 10, 11.

Wie het boek Openbaring leest merkt hoe daarin zich alles toespitst op het einde. Johannes werd in visioenen dat einde getoond. In dikwijls verschrikkelijke, maar somtijds ook vertroostende beelden, trekt dat wat spoedig komen zal aan zijn oog voorbij. Johannes moet het opschrijven. Het is niet voor hem alleen bedoeld. Zij die na hem komen moeten de woorden van deze profetie ook horen. Hetzij ze er door gewaarschuwd worden, hetzij ze er door getroost mogen worden. Gewaarschuwd, omdat ze in hun zonden blijven volharden en zich tot God niet bekeren. Getroost, omdat ze weten en horen mogen: God bewaart Zijn kerk door de eeuwen heen tot op de dag van Christus. Het boek dat met zeven zegels versloten was (Openb. 5), ligt in de hand van Christus. Het Lam, dat geslacht is, zal Gods werk tot een gezegend einde voeren.

Met het oog op dat einde moet Johannes alles wat hem geopenbaard is nu bekend maken. Nadrukkelijk wordt hem gezegd: verzegel de woorden der profetie van dit boek niet. Sluit dat boek dus niet toe. Houdt het niet voor u, maar roep het uit. Want de tijd is nabij. Alles haast zich naar het einde. De laatste dingen beginnen zich te voltrekken. En dan, wanneer alles zich voltrokken heeft, dan komt Christus om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn. Johannes heeft daarvan reeds iets gezien als hij schrijft: 'En ik zag een grote witte troon en Degene Die daarop zat, voor Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden, en geen plaats is voor die gevonden. En ik zag de doden, klein en groot staande voor God. En de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is. En de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken'.

En nu roept onze tekst hierboven ons op daarmee ernstig rekening te houden. Om hetgeen geopenbaard werd niet voor kennisgeving aan te nemen, maar het ter harte te nemen. Om ons bij onszelf de vraag te doen stellen: Als dan de tijd nabij is en die dag van Christus komt, hoe zal het dan voor mij zijn ? Hoe leef ik nu eigenlijk met het oog op de dag ? Heb ik daar reeds in de door God gewilde wijze op gereageerd ? En weet mijn buurman het ook ? Heb ik het hem ook gezegd ? Want de tijd is nabij.

Daar zijn er telkens weer, die zich niet haasten. Het heeft immers al zo lang geduurd. Er zijn reeds bijna twintig eeuwen voorbij en nog is er het einde niet. Het zal nog wel een tijd duren. De apostel Petrus wijst er al op dat er spotters zullen komen, die zeggen: 'Waar is de belofte Zijner toekomst ? Want van die dag dat de vaders ontslapen zijn blijven alle dingen alzo gelijk van het begin der schepping'. Zelfmisleiding met het oog op die dag is een groot gevaar. Deze boodschap wegduwen uit onze gedachten en ons leven zal ertoe leiden, dat ons deze dag zal overvallen als een dief in de nacht. En ons brengen in de positie van de dwaze maagden die geen olie in haar vaten en geen brandende lamp hadden. De boodschap, dat de tijd nabij is, mogen wij dan ook niet overlaten aan allerlei kringen en groepen buiten de kerk, maar zal met nadruk telkens weer ook in de prediking van de kerk moeten doorklinken. En dat vanwege haar beslissende karakter. Petrus zegt als hij de spotter terecht heeft gewezen: 'hoedanigen behoort gij te zijn in heilige wandel en godzaligheid, verwachtende en haastende, tot de toekomst van de dag Gods’.

Ook Johannes wijst op dat beslissende karakter. Zie de tekstwoorden hierboven. Goddeloosheid en vreze des Heeren gaan beide hun hoogtepunt tegemoet. De tegenstelling tussen die twee zal zich hoe langer hoe meer toespitsen. Het is de tegenstelling die in Genesis 3 al wordt genoemd. Het slangenzaad en het vrouwenzaad zal zich al duidelijker vertonen. Het rijk van Christus en dat van de anti-christ. De strijd tussen de Geest en het beest. Dat is de grote tegenstelling die al meer openbaar zal worden. Deze zal tenslotte de wereld beheersen. Niet de tegenstelling tussen Oost en West, of tussen rijk en arm, tussen democratie en dictatuur. Maar dit: ongerechtigheid of gerechtigheid; vuilheid of heiligheid. Om dat laatste gaat het. Daar heeft het altijd om gegaan sinds Genesis 3. En met dat de tijd nabij komt zal dat steeds meer zichtbaar worden. We hoeven niet al te veel moeite te doen, om dat ook in onze tijd steeds duidelijker te zien.

De apostel stelt het heel scherp. Het is alles of niets. Tweeslachtigheid met het oog op de tijd die nabij is, wordt uitgesloten. Het kan niet langer: de wereld wat en God wat. Dat kon trouwens nooit. Maar in die laatste dagen zal de levenshouding der mensen worden geradicali­seerd. De laatste dingen die geschieden, zullen dringen tot een definitieve beslissing. Tot welk rijk wij nu werkelijk behoren: dat van Christus of dat van satan.

Het kan ons bevreemden wanneer wij daarbij lezen: Wie onrecht doet, dat hij nog onrecht doe; wie vuil is dat hij nog vuil worde. Alsof Gods woord hier aanspoort tot zonde. Dit schijnt ons in strijd met het geheel van Gods Woord. Toch heeft ons dit niet te bevreemden. Het gaat hier immers niet om een aansporing tot zonde, maar om een laten zien van wat het leven in de zonde in diepste wezen betekent. Het gaat hier om zondaren die reeds genoeg gewaarschuwd zijn, maar zich niet meer laten waarschuwen. Iemand die zich niet meer laat waarschuwen en de zonde blijft liefhebben, die is als een steen die van een berg rolt. Een steen die steeds harder gaat rollen tot hij in de diepte neerstort. Zo is het leven dergenen die de zonde blijven liefhebben, die in ongerechtigheid en vuilheid begeren voort te leven. Zo'n leven wordt steeds sneller meegesleurd in het verderf.

Wij moeten ons bedenken dat wij het zondigen niet in eigen hand hebben. We kunnen niet met de zonde spelen en denken: ik stop ermee zodra het te gevaarlijk gaat worden. Een mens die leeft met de gedachte: eerst nog leven en van de zonde genieten in de veronderstelling zich later nog te kunnen bekeren, die vergist zich.

Die komt zover dat de vaart die hij in de zonde gekregen heeft niet meer te stoppen is. Hij wordt steeds rijper voor het oordeel. Wie blijft kiezen voor de weg der zonde, die zal tenslotte die weg ten einde toe moeten aflopen. Wie vuil wenst te blijven zal steeds vuiler worden. Dat is de bange consequentie. Laten wij die ook voor onszelf mogen zien. Als de, huiveringwekkende werkelijkheid van het volharden in de zonde.

Daar staat nu tegenover dat ook wie gerechtvaardigd is, dat hij nog gerechtvaardigd worde en wie heilig is, dat hij nog geheiligd worde. Naast de radicalisering in het leven in de zonde is er ook een radicalisering in het leven in het geloof. In een leven bij en uit het Woord. Ook dat moet steeds duidelijk worden en tot openbaring komen met het oog op de tijd die nabij is. Met het oog op die tijd is alle gezapigheid bij Gods kinderen uit den boze. Hun leven zal steeds consequenter zich hebben te richten naar Gods Woord. Niet in een verdienstelijk ijveren, die niet naar het Woord is, maar in een volhardend en gehoorzaam voortgaan op de eenmaal ingeslagen weg. Levend in heilige wandel en godzaligheid. Elke halfheid en gedeeldheid is daarbij uit den boze. Hoe meer de zonde in die laatste dagen geopenbaard wordt onder de goddelozen, destemeer zal de gelovige geprikkeld worden tot een leven der heiligmaking in de vreze Gods. Des te meer, zo zijn leven met God oprecht is en door de Heilige Geest gewerkt, zal hij begeren Gods eer groot te doen zijn in zijn leven en overal waar hij maar kan.

Wanneer de tijd nabij is. Dan zal het zo zijn en al meer worden, zegt ons Johannes naar het woord hem geopenbaard. En we denken ook ongemerkt nu aan het woord van de profeet Maleachi: 'Dan zult gij lieden wederom zien het onderscheid tussen de rechtvaardige en de goddeloze, tussen dien die God dient en dien die Hem niet dient'. Het wezen der dingen komt steeds meer openbaar, want de tijd is nabij. Dat geldt ook voor u en mij. Wij staan ook in die tijd. Het is ook een van tweeën. Het wordt steeds dringender. Het heeft haast ook in ons leven dat duidelijk wordt hoe het er bij staat. Is er al antwoord ? Moge er een opmerken zijn, van God ons geschonken, zodat we het beslissende karakter van onze tijd onderscheiden. Dat dan de overdenking van deze dingen mag eindigen in Davids gebed: 'Doorgrond mij o God, en ken mijn hart. Beproef mij en ken mijn gedachten. En zie of bij mij een schadelijke weg is en leid mij op de eeuwige weg’.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Wanneer de tijd nabij is

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's