Een herdenking
Gljsbertus Voetlus
Op 1 november 1676, dus nu 300 jaar geleden, overleed te zijnen huize te Utrecht, op de leeftijd van ruim 88 jaar Gijsbertus Voetius, nog steeds actief hoogleraar aan de Utrechtse Academie, een man vermaard in Israël.
Hij was maar een paar weken ziek geweest. Tot zolang had hij nog steeds, ondanks zijn hoge leeftijd theologische colleges gegeven.
In memoriam
Aan een vriend die hem aan zijn sterfbed bezocht beleed hij dat hij reeds sinds lang met de dood vertrouwd was geworden. Hij voegde er aan toe: Ik weet in Wie ik geloofd heb, en ben verzekerd dat God machtig is mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag. De Heere zal het voor mij voleinden.
Maar even later waren er toch ook de aanvechtingen; en toen verzuchtte hij: Heeft dan God vergeten genadig te zijn ? Heeft Hij Zijn barmhartigheden met toom toegesloten ?
Aan het eind klaarde de hemel weer op, de oude vertroostingen keerden terug. Hij sprak nu over de aanstaande ontbinding van zijn aardse huis, en zei: Als ik zwak ben dan ben ik machtig. En hij sprak over de Heere Jezus, naar Wie hij nu zou gaan om voor altijd met Hem verenigd te zijn.
Tenslotte is hij in de slaap, terwijl juist op dat ogenblik in de kerk een dienst werd gehouden, in vrede ontslapen.
Ook de grote Voetius was een sterfelijk mens. Alle naam eer, roem en wat het ook is vergaat in het uur van de dood. En Voetius heeft dat ook geweten.
Hij was wel groot maar toch ook klein, klein voor God en klein voor de mensen. Dat zijn naam nog steeds voortleeft heeft hij niet alleen te danken aan zijn grootheid maar ook aan zijn kleinheid, zijn waarachtige nederige vroomheid.
Er kan geen denken aan zijn in een enkel artikel te schetsen de betekenis die deze man gehad heeft voor de kerk van zijn dagen en, zo voegen wij er aan toe, de betekenis die hij nog altijd heeft. Reeds zijn er ettelijke proefschriften aan hem gewijd. Geen kerkhistorisch boek dat over personen of gebeurtenissen uit de 17e eeuw gaat kan men opslaan of men komt er de naam van Voetius in tegen.
Wat wij beogen in dit artikel is niet meer dan slechts enkele data uit zijn leven te vermelden en een paar karakterschetsen van de man te geven.
Levensloop
Op 3 maart 1589 werd Gijsbertus Voetius geboren, te Heusden in Noord-Brabant als telg uit een oud, aanzienlijk riddergeslacht, dat uit Westfalen naar Brabant verhuisd was. Meerderen uit de familie hadden reeds een belangrijke positie ingenomen in het stedelijke leven van Heusden, maar de tijdsomstandigheden hadden ertoe geleid dat Voetius' vader, Paul Voetius, als een eenvoudig particulier binnen Heusden woonde.
Kort na Voetius' geboorte werd Heusden, dat de zijde van de Prins gekozen had, door de Spanjaarden belegerd. Het was een spannende tijd.
De kleine Gijsbertus was 8 jaar oud toen zijn vader in dienst van de Prins bij de belegering van Bredevoort sneuvelde. De weduwe bleef in kommervolle omstandigheden achter. Toch kon de knaap, dank zij de hulp van anderen, studeren.
Al vroeg bezocht hij de Latijnse school in zijn vaderstad. In 1604, dus 15 jaar oud, vertrok hij naar Leiden om daar theologie te gaan studeren. Bij het toelatingsexamen werd van hem vermeld dat hij wel 'cleyn van stature' was, maar 'int examen clouck'.
Aan de eigenlijke theologiestudie ging die der voorbereidende studiën vooraf. Hiermee kwam hij in 1607 klaar.
Toegelaten tot de eigenlijke theologiestudie volgde hij de lessen van Arminius en van Gomarus, twee hoogleraren die zich naam hebben verworven in onze vaderlandse kerkgeschiedenis, de eerste als de vader der latere remonstranten en de tweede als de verdediger van de orthodoxe leer tegen de afwijkingen van Arminius. Niemand heeft op de theologische vorming van de jonge Voetius zoveel invloed uitgeoefend als Gomarus. In 1611, 22 jaar oud, kon Voetius met een loffelijk getuigschrift de academie verlaten en zich laten beroepen in een der gemeenten van de vaderlandse kerk.
Zijn eerste gemeente werd Vlijmen. Hier deed hij op zondag 25 september intrede.
Er wachtte hem hier als jonge man een hele taak. Toen hij er kwam was er nog niet eens een kerkeraad. Het was immers de tijd waarin heel het kerkelijke leven in Brabant nog van de grond moest komen. Eerst kwamen er maar weinig mensen onder zijn gehoor, maar van lieverlede groeide het, en vormde zich een gemeente.
In zijn Vlijmense periode is Voetius in het huwelijk getreden. De naam van zijn vrouw is Deliana van Diest. In 1613 bedankte hij voor een beroep naar Sprang. Voetius werkte hard. Winter en zomer stond hij om 4 uur in de morgen op, om te studeren.
Op 24 mei 1617 ontving hij een beroep uit Heusden. Hij kwam daar te staan haast de remonstrantse ds. Grevius, wat betekende dat hij midden in een strijdsitutie kwam.
Intussen kwam de Dordtse Synode in zicht, waar de kwestie van de remonstranten zou worden opgelost. Hoewel hij nog maar 29 jaar oud was werd toch Voetius naar deze synode afgevaardigd. Als een der jongsten heeft hij deze befaamde synode bijgewoond die van zulk een grote betekenis is geworden voor het hele leven der kerk.
Na afloop van de synode is hij ook nog enise tijd veldprediker geweest, n.l. in 1629 tijdens de belegering van Den Bosch door Frederik Hendrik.
In al de zorgen en spanningen van het kerkelijke leven in die tijd heeft Voetius volop gedeeld. Hij heeft niet geschroomd verantwoordelijkheden op zich te nemen en tegen zware arbeid heeft hij niet opgezien. En onder dit alles door volhardde hij in zijn studie, met als gevolg dat hij een der geleerdste theologen van zijn dagen werd. In 1627 verscheen zijn eerste geschrift. Het was een boekie waarin hij het opnam voor Willem Teellinck en diens opvattingen aangaande de heiliging van de zondag. Even later verscheen van zijn hand het boek Proeve van de cracht der godtsalicheyt.
In 1634 werd Voetius benoemd aan de pas gestichte illustre school te Utrecht als theologisch hoogleraar. Op 21 augustus van dat jaar aanvaardde hij aldaar zijn ambt. Nog meer dan 40 jaren zouden hem gegeven worden om als theologisch hoogleraar werkzaam te zijn. Beroemd is de rede waarmee hij zijn ambt aanvaardde: Over de godzaligheid met de wetenschap te verbinden. Deze rede bevat de twee thema's, die Voetius' leven hebben bepaald: enerzijds was hij een man van wetenschap, anderzijds was hij een man van de praktijk der godzaligheid. Waar hij zijn leven lang om geworsteld heeft is het verbinden van deze twee. In hemzelf waren zij verbonden, maar hij wilde het ook verantwoorden.
Hij begon met 8 uren per week colleges te geven. Dogmatiek, ethiek, exegese, kennis van de belijdenisgeschriften, kerkrecht waren de vakken die hij doceerde. De theologie was in die tijd nog niet zo versnipperd als heden.
In 1636 werd Utrechts illustre school verheven tot universiteit, een heugelijke gebeurtenis. De oudere lezers herinneren zich wellicht nog hoe dit feit in 1936 op zeer plechtige wijze in ons land is herdacht.
Voetius was al twee jaar hoogleraar toen hij promoveerde, dat was n.l. op 13 augustus te Groningen, bij zijn oude leermeester Gomarus.
Spoedig daarop ondernam hij een reis naar Engeland, om de puriteinen persoonlijk te leren kennen.
Behalve hoogleraar was hij ook predikant in de gemeente te Utrecht, n.l. vanaf 1637, tot kort voor zijn dood is hij blijven preken. Onvoorstelbaar is het zoveel werk door hem en meerderen uit zijn tijd die in soortgelijke positie verkeerden verzet is ! Voetius werkte per dag gemiddeld 16 uren. Wij hebben soms nauwelijks tijd om te eten, schreef hij eens. Maar hij leefde dan ook sober.
Op alle terreinen gold hij als een leidsman. Theologisch aan de universiteit, maar ook in de Utrechtse kerkeraad. En ook ver buiten eigen stad. Herhaaldelijk werden hem adviezen gevraagd in alle mogelijke en moeilijke kwesties die ergens gerezen waren. Hij was een leidsman in wat men noemt de beweging der Nadere Reformatie. Hij schreef ettelijke geschriften, strijdschriften, dogmatische werken, kerkrechtelijke en stichtelijke werken. Behalve dat stond hij steeds midden in de kerkelijke strijd van die dagen. Want strijd was er bijna altijd ! Naar buiten en helaas ook in de kerk. Op de duur kreeg hij heel wat medestanders, vrienden en volgelingen.
In 1672 maakte hij mee de droeve periode van de inval van Fransen en andere vijanden in ons land. Als 84-jarige grijsaard mocht hij na het verdwijnen van de vijanden in de Domkerk te Utrecht de dankpredikatie houden, zij ging over Psalm 126.
Maar toen begon dan ook het einde te naderen. Ook aan dit arbeidzame leven kwam een einde. Wij hebben het al vermeld. Op 1 november 1676 ging hij de eeuwige rust in, verzekerd van zijn heil in Christus.
Karakterschets
Drie aspecten van Voetius' persoon, leven en werk willen wij noemen.
1. Hij was een kampioen voor de gereformeerde leer. Een van zijn eerste geschriften was een tijdschrift tegen Daniël Tilenus, een man die de Dordtse Leer afvallig was geworden, en zich aan de kant van de remonstranten had geschaard. Socinianen, roomsen, remonstranten en al wie zich keerde tegen de waarheid gelijk die in de Gereform. kerk beleden werd vonden Voetius tegenover zich. Daarnaast was hij ook een kampioen voor het eigen recht der kerk, tegenover alle aanmatiging van overheidswege. Een waarachtige zorg voor het uiterlijk en innerlijk welzijn van de kerk dreef hem daarin.
Wie Voetius tegenover zich vond kon rekenen op een geduchte tegenstander. Hij beschikte over een vlijmscherpe geest die alle argumenten van de tegenstander kon ontrafelen en hun afwijkend karakter of ook innerlijke tegenstrijdigheid kon aantonen. Er was in hem een diepgewortelde overtuiging dat de leer die door de Gereformeerde kerk beleden werd conform de Schrift was. Hij duldde geen afwijkingen van de belijdenis der kerk. Hij zag daarmee dan tersond het heil der zielen, het welzijn van de kerk en de eer van God bedreigd.
De gereformeerde leer was hem de leer die naar de godzaligheid is. De remonstranten namen het, naar hun zeggen, op voor het christelijk leven, en laakten in hun tegenstanders dat het hen te doen zou zijn enkel om de rechtzinnige leer. Gelijk men heden tendage zegt: niet de orthodoxie (de rechte leer) maar de orthopraxie (het rechte leven) is hetgeen waar het op aankomt, zo zeiden dat ruim 3 eeuwen geleden ook al de remonstranten. Maar Voetius toonde aan dat het rechte leven alleen veilig is bij het handhaven van de rechte leer. Hij zag daarin de 'uitnemendheid' van de gereformeerde leer dat zij gericht is op het leven der godzaligheid, en hij verweet de remonstranten dat zij ondanks al hun grote woorden over een christelijk leven, en over de 'godzaligheid' daar in hun leer toch geen grond aan gaven.
Het strijdbare in Voetius heeft natuurlijk ook zijn schaduwkanten gehad. Of hij tegenover geestverwanten die van hem versthilden wel altijd voldoende maat heeft gehouden in zijn polemiek (zijn bestrijding) is een vraag die terecht gesteld mag worden. Als wij b.v. denken aan zijn strijd tegen Maresius, die toch ook werkelijk een goed gereformeerd theoloog was, dan moeten wij zeggen: het had wel wat minder en wat milder gekund !
2. Hij was een doctor ecclesia (leraar der kerk). Als zodanig heeft hij terecht naam gemaakt. Al worden zijn werken weinig meer gelezen en bestudeerd (zij verschenen meest in latijn) zij bevatten nog steeds veel wat de moeite waard is. Er liggen in de oude gereformeerde theologie schatten die men in onze vluchtige eeuw al te zeer vergeten is. Er liggen daarin antwoorden op slechts schijnbaar totaal nieuwe vragen.
Meer dan 40 jaren lang heeft Voetius bijgedragen tot het vormen van enkele geslachten van predikanten. Zijn theologische inzichten zijn in duizenden preken vertolkt in schier heel het land. Hij was de man die studenten van heinde en ver trok. Wie in die tijd naar Utrecht ging om theologie te studeren ging daar voorkl heen om Voetius. En vele studenten kwamen hier diep onder de indruk niet alleen van de geleerdheid van Voetius maar ook van de ernst waarmee door hem op de praktijk van de godzaligheid werd gewezen. Tientallen van deze leerlingen hebben in hun later leven blijk gegeven van de bewondering die zij voor de meester hadden, maar ook van de zegen die zij van zijn onderwijs ondervonden.
Ook in kerkrechtelijk opzicht heeft Voetius zijn verdienste gehad. Hij was de eerste grote canonicus, leraar in het kerkrecht binnen de Gereformeerde kerk van die dagen. Trouwens, er is geen onderdeel van de theologie te noemen waarin hij zich niet bekwaamd heeft. Zijn belezenheid moet fabelachtig geweest zijn. Als er ook maar ergens op de toenmalige wereldmarkt een boek verscheen, ongeacht van wie. Voetius bestudeerde het. Tot op hoge leeftijd schijnt hij nog zo vitaal te zijn geweest dat men hem de nieuwste boeken bestuderende op de studeerkamer kan aantreffen.
3. Hij was een piëtist. Dit woord bedoelen wij niet als scheldnaam. De naam piëtist is ook niet de naam die geheel passend is, maar ik weet geen beter. Man van de godzaligheid, zeker ! maar dat ziet op, een bepaalde levenstijl, op de heiliging, en het drukt niet uit dat Voetius ook een man van de innerlijkheid was, en toch: ook dat was hij. Hij kende persoonlijk het bevindelijke leven. Sprak er ook over met vrienden als Lodenstein, Hoornbeek, Essenius en Anna Maria van Schuurman. Al jong las hij De Navolging van Christus van Thomas a Kempis. Als jongeman hoorde hij Willem Teellinck preken en dat maakte diepe indruk op hem. Hij voelde zich verwant met de Engelse en Schotse , Puriteinen. Hij las ook de geschriften der roomse mystieken, en, al had hij bezwaren tegen hun roomse gevoelens, hij kon ze toch tot op zekere hoogte waarderen.
In zijn theologie vindt men er de sporen van. Enerzijds stond hij geheel op de bodem van de calvijnse reformatie, anderzijds was er in zijn theologie toch ook een zekere afbuiging daarvan, of, misschien beter gezegd: een wijziging daarin.
Terwijl in de Reformatie alle nadruk valt op het: buiten ons, het heil dat in Christus, buiten ons is, om dan van daaruit te komen tot geloof en wedergeboorte, vindt men bij Voetius wel niet een ontkenning daarvan, maar toch een zekere accentsverschuiving, door de genade niet alleen maar te waarderen als de gunst van God maar ook als een ingestorte kwaliteit, innerlijk, in het hart van de mens. Zo verschuift de aandacht in theologie, prediking en pastoraat van het objectieve naar het subjectieve, van het geloof naar de wedergeboorte, van de rechtvaardiging naar de heiliging. Bij Voetius zelf is dat nog maar ten dele zo, maar dat hier gevaren liggen die later binnen de gereformeerde gezindte zich gewroken hebben staat voor ons vast. Niettemin blijven wij deze grote man eren. Groot was hij, maar, zoals wij al opmerkten, ook klein. Als hoogleraar achtte hij het niet beneden zijn waardigheid om ook als gewoon predikant werkzaam te zijn, om iedere zondag temidden van de gemeente het Woord Gods te bedienen, en zelfs kon men hem soms aantreffen te midden van de kinderen om hen de eerste beginselen van de kennis van de Schrift in te prenten. Veel heeft hij mogen betekenen voor kerk en volk; door zijn geleerdheid maar niet minder door zijn waarachtige godsvrucht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's