Variant op een oud thema
Overpeinzingen bij een (nieuw) boek
Overpeinzingen bij een (nieuw) boek
Ongeveer tien jaar geleden schreef dr. Anne van der Meiden zijn aandacht-trekkend boek 'De zwarte-kousen kerken', een boek dat één en ander wilde laten zien over het kerkelijk leven in bevindelijke kringen, in de rechterflank van de Gereformeerde Gezindte, een boek dat hem in deze flank overigens niet in dank werd afgenomen.
Thans verscheen de vierde druk: 'een bijgewerkt en aangevuld portret van De zwarte-kousen kerken', naar de ondertitel luidt. De aanduiding zwarte-kousen kerken is bewust naar de ondertitel verhuisd. De schrijver zegt: 'De oorspronkelijke titel (...) lokte toch teveel protest uit. Hoewel we te maken hebben fnet een gebruikelijke term in de reeks Etiketten die wij Nederlanders elkaar opdrukken, willen we zelfs de schijn van kwetsen vermijden'. Dat is te prijzen. Het verschijnsel van de zwarte kous zelf is trouwens — en dat is ook de conclusie wel van de auteur — naar de marge van de rechterflank geschoven.
Nu de schrijver intussen een aannemelijker titel heeft willen bedenken is hij in een onbegrijpelijke fout gevallen. Met Psalm 89 (berijmd) wilde hij zeggen Hoe zalig is het volk. Mijn oude berijming zegt het inderdaad zó. Maar de auter heeft ervan gemaakt Welzalig is het volk, een uitdrukking die in de berijming slechts in Psalm 14, 4 : 7 voor komt, maar dan niet in de - combinatie 'Welzalig is het volk, dat naar uw klanken hoort', zoals Van der Meiden op pag. 20 citeert. Zo'n misser in een titel is ernstig. Te vlot heeft de auteur kennelijk gemeend de oude berijming nog uit het hoofd te kunnen citeren.
Over zorgvuldigheid intussen gesproken: één maal meenden we dat de auteur opnieuw verkeerd citeerde, nl. toen hij van Jodocus van Lodensteyn de bekende regels citeerde:
Hoog, omhoog, mijn ziel naar hoven hier beneden is het niet 't Regte leven, lieven loven is maar waar men Jezus ziet.
De eerste regel, waarvan ik dacht, dat hij fout was, bleek tóch goed te zijn, hoewel dan wel zelden in de vele preken, waarin dit vers aangehaald wordt, de juiste woorden zullen worden gebruikt. Meestal heet het — en zó zégt het dan ook het gezangboek (1938) — 't Oog omhoog, het hart naar boven. Welnu, vele citeerders mogen zich dus laten corrigeren. Maar deze correctie, aangereikt door de auteur, weegt niet op tegen de misser in de titel.
Afstand
Het boek van Van der Meiden is in zijn kern gelijk gebleven maar blijkens de aanvullingen en de correcties (hij liet door dr. C. van de Ketterij, schrijver van De Weg in Woorden, zélf behorend tot de Afscheiding, een kritisch oog over de tekst gaan) wilde de auteur een eerlijk beeld geven en om begrip vragen voor een 'onvervreemdbaar volksdeel (...), medemensen die recht hebben op ons respect'.
Kennelijk heeft de auteur thans méér afstand genomen, waardoor hij een wat eerlijker kijk heeft. Intussen windt hij er overigens geen doekjes om, dat hij zélf, afkomstig uit de Afscheiding, thans voorganger voor de vrijzinnig Hervormden in Meerkerk, inderdaad afstand nam van eigen verleden. Zijn visie op voorzienigheid en predestinatie, op de Godsleer en de hele belijdenis der kerk, markeren deze afstand. Van der Meiden schrijft zijn boek over wie hij 'de zwaren' noemt vanuit bekendheid-van-binnen-uit, maar met welwillendheid-van-buiten-af. Met Bonhoeffer belijdt hij 'het lijden Gods om de gerechtigheid'; vanuit het moderne vooruitgangsgeloof weet hij geen weg meer met God, die ook over het rijk der natuur gaat en met God, die toornt over de zonden. We kunnen er niet aan denken de auteur telkens in de rede te vallen inzake zijn visie. Hij geeft in ieder geval bij zijn eigen commentaar - hoe correct ook gegeven - wel zijn visie prijs: Afscheid van het verleden!
(Ver) tekening
Ik beperk me nu tot de vraag of het por tret juist is. Ik ben namelijk ervan overtuigd, dat het onmogelijk is een portret te geven van de rechterflank van de Gereformeerde Gezindte. De auteur wil er Oud Gereformeerden, Chr. Gereformeerden, Gereformeerde Gemeenten (al of niet met toevoeging in Ned.) en Gereformeerde, Bonders onder laten vallen. Maar zodra er citaten uit preken etc. worden gegeven zullen niet alle genoemden ze representatief achten voor eigen kring. Sterker gezegd: de auteur gaarde zijn materiaal vaak aan de uiterste randen van de Gereformeerde Gezindte en gebruikte desalniettemin tóch op een bepaald moment alle benamingen weer dóór elkaar. Onjuist acht ik daarbij bovendien, dat geciteerd wordt uit romans. Waarin altijd sprake is van woord-overdrijving en verkleuring, zo niet van bewuste vertekening (ik denk aan Rudolf van Reest die alle bevindelijkheid in zijn romans bestrijdt). Maar óók, waar werkelijk preken worden geciteerd zullen velen het niet herkennen. Eén voorbeeld (een preek over Petrus):
'Nou, hij heeft het geweten. Dat is geen gemakkelijke weg geweest voor die opvliegerige Petrus. Het was bij hem alles of niks. Zo heet, zo koud, net een blikken pannetje.
Een geroepene, net als Judas, en als je dan naar de laatste avond van Jezus' leven kijkt, dan slaat je de schrik om het hart. Want diezelfde Petrus, die eerst bij hoog en bij laag stond te beweren dat Jezus de Christus is, gaat Jezus nou verloochenen. Ach volk, je kent dat. Naast de hoogste bergen liggen de diepste dalen. Petrus loopt verweesd rond als ze Jezus gegrepen hebben. Het is nacht. Hij heeft het koud. Wil je je warmen. Petrus ? Hier is vuur, man. Wil je even alles vergeten Petrus, hier is warmte, man. En Petrus, de uitverkorene, staat hier midden tussen de soldaten die Jezus vingen, bij het vuur. Heb je daar als eens op gelet volk, bij het vuur. Jezus staat er met de rug naar toe, want die mot z'n eigen omkeren om Petrus aan te kijken. Dat vuur deugt niet. Dat is het vuur van de wereld. Dat is de televisie. Ach, armzalig vuur om je aan te warmen. Kijk volk, de soldaten hebben Jezus gegrepen, daarom kregen ze het koud. Als Jezus jou grijpt, krijg je het warm en dan mot je naar buiten, de kou in. ( ...)’
Intussen blijft het een feit, dat een boek met bizarre feiten en citaten is samen te stellen. Het wortelt in een realiteit. De dingen naast elkaar gesteld te zien, in snelle opeenvolging, kan doen denken: dit is caricatuur. Maar dan toch caricatuur van een werkelijkheid, die noopt tot zelfonderzoek. Gevraagd mag worden of inderdaad binnen wat Gereformeerde Gezindte heet overal de belijdenis spreekregel der kerk is of dat eigen taalvelden, die óók niet wortelen in de Schrift, welhaast een bóven-confessioneel element vormden in. sommige kringen. De auteur laat soms wel de critische tegenstem horen van enkele vertegenwoordigers uit andere delen van de Gereformeerde Gezindte. Maar die stemmen zijn te zwak.
Globaal genomen dekt de tekening niet de situatie van Chr. Geref. Kerken, Geref. Bond en Geref. Gemeenten. De schrijver beseft dit kennelijk door in de aanvullingen nu verschijnselen als E.O., G.S.A., nieuwe initiatieven bij pers en onderwijs mee te nemen, maar slaagt er niet in de verbinding van deze verschijnselen met de randverschijnselen duidelijk te leggen.
Bezinning
We kunnen intussen niet om één ding uit Van der Meidens boek heen. In een toepassing aan het eind zegt hij: 'Men behoeft geen profeet te zijn, wanneer men stelt dat de zwaren op korte termijn te kampen krijgen 'met aanvallen op hun leer en leven, zoals zij die nooit hebben gekend'. Met zwaren — een benaming die we dan maar voor lief nemen — doelt hij op de hele Gereformeerde Gezindte. De nieuwe tijd zal knagen aan de identiteit van de rechterflank. De massamedia zullen ook daar geaccepteerd zijn (met wijziging in de ontspanning en de levensstijl) en de toenemende scholing zal de conflicten t.a.v. het geloof oproepen als elders. De schrijver voorspelt, dat er in alle kerken en groepen afbrokkelingen en rafelranden zullen komen, dat polarisering zal toenemen en signaleert intussen, dat bij het nu al gevoelde verlies van de oude (bevindelijke) identiteit op krampachtige wijze het onderwerpelijke element 'koel welhaast en rationalistisch (wordt) gepresenteerd. Het onderwerpelijke wordt voorwerpelijk’.
We zullen deze opmerkingen niet naast ons neer (mogen) leggen. Niet te ontkennen is dat de 'nieuwe' tijd met toegenomen communicatiemogelijkheden ook de kerken van Gereformeerde Gezindte niet onberoerd laat. Het feit dat inderdaad de benaming zwarte-kousen kerken niet meer een werkelijkheid aanduidt betekent op zich al wijziging. De kleuren zijn veranderd. Maar — ingrijpender ! — we leven. (mee) in het moderne leven, alle distantie ten spijt. En het moderne levensgevoel dringt binnen door de kieren en de reten van ons aller huis, tot en met het mondigheidsstreven, dat ook wel eens ten grondslag kan liggen aan kerkelijk gebakkelei in de rechterflank. Als we dit niet onderkennen kan het zijn, dat op een bepaald moment blijkt dat wat muren leken te zijn slechts bordpapieren wanden van traditie waren, die het niet uithouden in de stormen van de tijd. Dan zou het zo kunnen zijn dat in andere streken dan we nu voor waar houden het echt gerefor meerde leven verder bloeit. Als Van der Meiden vraagt: 'De vraag is daarom ook, hoe lang er nog sprake zal zijn van zwartekousen kerken en welke groeperingen er over tien jaar nog toe gerekend kunnen worden' dan ben ik geneigd — met afzien van die zwarte kous — te zeggen: daar waar de belijdenis der kerk en de religie ervan werden (her)ontdekt, of dat nu is in Groningen of op de Veluwe. Traditionalisme zal geen lang leven hebben maar leven uit de Traditie, uit de voorvaderlijke overlevering, die eigen bezit is geworden, wél.
De tale Kanaäns
Als Van der Meiden concludeert dat het moderne levensgevoel ook zó aan onze geloofsbeleving zal knagen, dat het ook hier tot een breuk zal komen 'met het geloof in de God Die wolken lucht en winden een weg wijst en toomt over de zonde' dan kan ik slechts zeggen: diezelfde God behoede ons daarvoor. Wij onderkennen ondertussen het gevaar dat de levende Godskennis verschraalt, hetzij we de tand des tijds aan het geloof in Gods Voorzienigheid zien knagen, hetzij we inderdaad terecht komen in een koel afstandelijk spreken over bevinding, terwijl het leven, het bevindelijk leven zélf eruit is.
Het kan niet worden ontkend dat allerwege (op een enkele uitzondering na) in de Geref. Gezindte de taal is en wordt her-ijkt. Als dan maar zo dicht mogelijk bij de taal der Schriften, de taal van het hart gesproken wordt. In veel kromme bewoordingen, door Van der Meiden geciteerd, komt toch de liefde van de Heere Jezus tot het verlorene bloot. Zó moet ook de taal blijven, de taal van de verborgen omgang met God. Als er dan andere woorden komen (want taal is levend, anders kunnen woorden termen worden) dan zullen het varianten op een oud thema zijn: God die de goddeloze rechtvaardigt. Want door alle tijden heen wil God gekend zijn in oordeel en genade. En in de verborgen omgang met die levende God bloeit toch op de taal van de verborgen omgang, die tale Kanaans mag heten.
Ook onder ons zal organisatie en reorganisatie niet baten, ook groei in de breedte niet, ook krampachtig grijpen naar oude termen niet, als de levende achtergrond van Gods recht en gerechtigheid in het bewustzijn van de mensen verbleekt en het ootmoedig wandelen met onze God naar de randen verdwijnt. Het arm en ellendig volk mag dan maatschappelijk gezien in onze tijd niet meer herkenbaar zijn, ook niet in de Gereformeerde Gezindte, als toch ook maar in onze welvaartstijd er het besef blijve, dat het toch het in zichzelf arme en ellendige volk is dat op de Naam des Heeren hopen zal.
Dr. Van der Meiden gaf ons een portret van een groep waar al wat gereformeerd wil zijn toe behoort (want ten diepste heeft hij het toch over Reformatie, Nadere Reformatie en belijdenis, ook waar één en ander ontspoord is). Hij gaf na tien jaar een nieuwe variant op een oud thema. Maar op de weg die hij ons — met Berkhof, Bonhoeffer, Sperna Weiland e.a. — wijst zullen we niet kunnen en mogen volgen, omdat het Immanuël, God met ons, dan toch wel verbleekt.
Waar het de bevinding, de tale Kanaans betreft zeggen we intussen zelf: ook wanneer zich onder ons wijzigingen voltrekken in de levens-en cultuursituatie dan zij er toch de variant op het oude thema, het leven uit de religie van de belijdenis.
N.a.v. Dr. A. van der Meiden: Welzalig is het volk; Uitgave Ambo, Baarn, 247 pag. f 22, 50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's