De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

11 minuten leestijd

Wie is maatstaf ?

Onder de titel 'Autonomie of heterenomie' schrijft Prof. dr. B. J. Oosterhof in 'De Wekker' van 15 oktober over de betekenis van Gods gebod voor ons leven. De beide vreemde woorden in de titel geven aan dat het gaat om een keus: Of de mens handelt autonoom, d.w.z. hij is zichzelf tot wet, of hij handelt heterenoom, d.w.z. hij rekent met het gebod van de Heere God. De aanleiding voor dit artikel is het Kamerdebat over de abortus. U weet: Na lange discussies heeft de Tweede Kamer het P.v.d.A.-V.V.D. wetsontwerp voor legalisering van de abortus met 83 tegen 59 stemmen aanvaard. Al hangt het nog van vele factoren af, of het wetsontwerp inderdaad wet wordt — Oosterhof wijst daar terecht op, toch is dit besluit voor een christen een bedroevende zaak. Over dit aspect schrijft Oosterhof:

Men kan om meer dan één reden zo spreken. Immers men kan, wanneer het wetsvoorstel inderdaad tot wet wordt, zwangerschapsafbreking op grote schaal verwachten. Het hek is dan van de dam. Wel heeft men in het wetsvoorstel getracht enige afremming aan te brengen door onbevoegd aborteren streng te straffen en door aan de arts een min of meer kontrolerende funktie toe te kennen. Hij moet nagaan of de vrouw in vrijheid en verantwoordelijkheid haar besluit genomen heeft en hij kan eventueel trachten de vrouw, die misschien onder de indruk van het moment en van haar omstandigheden haar besluit genomen heeft, tot andere gedachten te brengen. Maar dat zal in de praktijk helemaal afhangen van de arts. De een zal in de gevallen, waarmee hij te maken krijgt, soepeler zijn dan de ander en men zal gemakkelijk tot de meer soepelen zijn toevlucht kunnen nemen. En hoe meer de fijngevoeligheid en het geweten in deze zaken afzwakt des te gemakkelijker zal men tot aborteren overgaan. Het zal tenslotte afhangen van de eerbied, die men heeft voor het nog ongeboren leven.

Want het menselijk leven is hier in geding. De heer Jongeling heeft in de Tweede Kamer voorgesteld de wet eerlijk bij de naam te noemen en in plaats van 'wet tot afbreking van zwangerschap' te spreken van 'wet tot afbreking van het nog ongeboren menselijk leven'. Men heeft dat niet gewild. Misschien durfde men dat niet aan, omdat op deze wijze te duidelijk aan het licht komt waar het eigenlijk om gaat. Want afbreking van zwangerschap is vernietiging van menselijk leven. Het gaat bij abortus provocatus, het met ingrepen van buitenaf opwekken van een ontijdige bevalling, niet maar om het wegnemen van een waardevrij klompje cellen, maar om het doden van een wordend uniek mensenkind. En dat is vooral hierom zo triest omdat men daarmee een voetstap zet op een gevaarlijke en heilloze weg, waarvan het einde niet te zien is. Want daarom zal men later ook niet ander ongewenst en lastig leven uit de weg gaan ruimen ? In de meeste gevallen zal men tot aborteren overgaan, omdat men de zwangerschap en het daarin verborgen leven ziet als een 'ongeluk', men wil het niet, men wenst het niet omdat men het lastig vindt. Maar zal een volgende voetstap niet kunnen zijn om ook ander ongewenst leven te beëindigen ? B.v. een kind, dat niet meer dan een plantenleven leidt, of een demente bejaarde, van wie men het nut van langer leven niet meer inziet of een als ongeneeslijk opgegeven patiënt ? Liggen alsortus provocatus en euthanasie zo ver van elkaar ?

Maar het meest trieste van dit besluit is, aldus de schrijver, dat hier geen rekening gehouden is met God en zijn wet. De mens verheft zichzelf tot norm. Hij wil autonoom zijn, in plaats van de Heere God als Hoogste Wetgever te erkennen. Socialisten en liberalen hebben hierbij elkaar gevonden.

En waar Gods wet niet meer geëerbiedigd wordt, gaan andere wetten heersen en regeren, staat de poort open voor tyrannic en egoïsme.

Wat staat ons nu als christenen te doen ?

Het zal in ons leven moeten uitkomen, dat wanneer we christen willen zijn, we dit niet slechts met woorden zijn, maar met de daad. Het gaat om autonomie of heteronomie. Is God de God van ons leven of is Hij het niet. Hoe meer ons nederlandse volk God en zijn Woord verlaat, hoe meer dat ook in de toekomst in de wetgeving, zal tot openbaring komen. We moeten daar niet zo vreemd van opzien. Maar des te meer zal het er op aan komen christenen te zijn van de daad, en niet slechts met de mond. Hoeveel ruimte aardse wetten mogen scheppen, christenen hebben slechts één wet en dat i's de wet van God. En Hij gebiedt eerbied voor het menselijk leven. En ook het ongeboren kind is menselijk leven. Eerbied voor het leven moet voortvloeien uit eerbied voor de God van het leven. Waar de eerbied voor God verdwijnt ziet men ook de eerbied voor het leven verzwakken en soms zelfs geheel verdwijnen. Waar de eerbied voor God aanwezig is, daar moet ook eerbied voor alle vormen van menselijk leven worden gezien. Tegen alle afval van God in deze wereld in moet de christen in zijn leven openbaar komen als iemand die een ander geloofsuitgangspunt en een andere geloofsovertuiging heeft dan menéen die met God en zijn wet geen rekening houden.

Dat betekent niet dat Gods wet een harde, koude wet is. Gods wet sluit niet uit dat we oog hebben voor menselijke noden en omstandigheden. Maar uitgangspunt is niet wat wij goed of nuttig vinden, maar wat God van óns vraagt. En op dat punt zullen we elkaar als christenen ook meer moeten onderwijzen, opwekken en bijstaan. We kunnen niet zonder meer de politici voor ons laten denken of beslissen. We hebben als christenen een eigen roeping en een eigen verantwoordelijkheid. Het gaat niet aan de grote vragen van het leven voorbij te gaan of die vanuit een hoge ivoren toren te bezien en daaromtrent te beslissen. We zullen er intens mee bezig moeten zijn. Maar daarbij staan autonomie en heteronomie tegenover elkaar. Is de mens zelf de maatstaf en norm van alle dingen of wordt God erkend ? En als er één onze noden kent dan is Hij het. Laten we nooit vergeten dat we met al onze noden mogen gaan tot Hem. En als wij het soms niet meer zien zitten, dan wijst Hij ons de weg. Geloven we nog werkelijk in, zijn Vaderlijke zorg ? Wij christenen dreigen in onze tijd vaak daarom zo wereldgelijkvormig te worden, dat ook wij in zovele dingen het leven in eigen handen nemen. God moet er dan uiteindelijk nog voor zorgen dat we in de hemel komen. Maar zo gaat het niet. Christen zijn betekent met Hem leven. En dat is te geloven dat Hij onze Vader is en dat Hij zal zorgen, ook al zien wij de weg soms niet meer. Menig mens, die zonder God tot zondige en dwaze beslissingen zou zijn gekomen, heeft mogen ervaren dat God soms wonderlijk geleid heeft en tot oplossingen bracht, waarvoor men later alleen maar blij kon zijn en van harte Hem kon danken. De grote vraag is: geloven, we nog werkelijk in God of geloven we meer in onszelf en in onze beslissingen. Autonomie of heteronomie.

Laten we niet zeggen: het besluit is genomen. Nu valt er niets meer te doen. Nodig blijft de voorbede voor land, volk en overheid. Nodig blijft ook de principieële bezinning en voorlichting. Zeker ook aan de jeugd van ons volk. Opdat er niet, wanneer bepaalde wetten gaan functioneren, een proces van gewenning en aanpassing op gang komt. Juist nu, nu op een zo aangelegen punt met Gods gebod niet is gerekend en de eerbied voor de God van het leven bij velen verdwijnt, zullen christenen iets moeten laten zien van het 'Gij geheel anders...-...' Een leven in het spoor van Gods goede geboden betekent dan wel een afwijking van wat 'men' zegt. Met alle gevolgen van dien. Maar de Bijbel is niet onduidelijk: Die Gods wet beminnen, hebben grote vrede.

De toelating tot het Heilig Avondmaal

Over deze zaak schrijft dr. C. Bezemer in het Hervormd Weekblad van 14 oktober naar aanleiding van de discussie op de synode van de Geref. Kerken over de toelating van kinderen tot het Heilig Avondmaal. De zaak is daar niet beslist, maar blijft een punt van overweging. Dr. Bezemer maakt een aantal behartigenswaardige opmerkingen naar aanleiding van het studierapport zoals dit in 'Trouw' van 30 september is weergeven.

Bezwaarlijk acht ik in het rapport het onderscheid dat gemaakt wordt tussen 'kindercommunie' van kinderen die de basisschool nog niet doorlopen hebben en 'jongerencommunie' voor jongeren van 12 jaar en ouder.' Wanneer we bedenken dat daarnaast ook nog de 'volwassenencommunie' gesteld kan worden, dan komen we tot drie soorten Avondmaalsgangers, een onderscheid, dat gebaseerd schijnt louter op het verschil van leeftijd. Maar de eigenlijke grond van dit onderscheid ligt natuurlijk dieper. Die is het al dan niet afgelegd hebben van de openbare belijdenis van het geloof.

De meerderheid van de deputaten concludeert, dat het heil, dat aan het Avondmaal in brood en wijn wordt aangereikt, bestemd is voor hen, die in de Heer geloven en Hem liefhebbe. Op zichzelf kan tegen deze wijze van uitdrukken geen bezwaar gemaakt worden, maar de Heidelberger Catechismus en het (orude) Avondmaalsformulier zeggen daarover nog wel iets anders en iets meer !

Wanneer daaraan wordt toegevoegd, dat dit ook bij jongeren en bij kinderen wordt gevonden. dikwijls op verrassende wijze, dan is die mogelijkheid zeker niet geheel uitgesloten, maar ik meen dat op deze wijze meer een gevoelsargument wordt aangevoerd, dan dat gesproken kan worden van een duidelijke realiteit. Wanneer daarbij nog geopperd wordt, dat de liturgische vormgeving bij de viering van het Avondmaal mede moet worden afgestemd op de deelneming van kinderen, behoeven we ons niet af te vragen hoezeer de Avondmaalsviering op deze wijze voor vele ouderen geweld wordt aangedaan. Wordt het niet hoog tijd om in deze zaken ook eens ernstig met hen rekening te gaan houden ?

Bovendien vergete men 1 Corinthe 11 niet! Daar is trouwens ook, al door meerderen op gewezen. Maar men gaat er óf aan voorbij, óf er wordt een uitleg aangegeven, die tot de conclusie moet leiden, dat de eventuele toelating van kinderen aan het Avondmaal niets te maken heeft met wat Paulus in dit hoofdstuk zegt. Hoe staat het echter met de zelfbeproeving en met het onderscheiden van het lichaam des Heren ? Zijn jonge kinderen daaraan al toe ? En zijn ze er zich ook van bewust, waarom het gaat in de viering van het Heilig Avondmaal ? De argumenten, die worden aangevoerd om kinderen tot het Avondlaal toe te laten, zouden, wel eens kunnen samenhangen met een veranderd inzicht in de betekenis van het sacrament, een verandering, die meer negatieve dan positieve kanten heeft. 

Wat betreft een eventuele beperkte vrijheid van de plaatselijke gemeente, ook daaraan zijn grote bezwaren verbonden. Een van de grootste bezwaren is wel, dat de situatie kan ontstaan, dat een gezin (met kinderen) in gemeente A naar het Avondmaal gaat, omdat de plaatselijke kerkeraad daartegen geen bezwaar heeft, maar bij verhuizing naar gemeente B ontdekt, dat daar de kerkeraad geen kinderen toelaat. De mogelijkheid bestaat, dat het gezin zich teruggezet voelt; een andere mogelijkheid is, dat het gezin toch naar het Avondmaal gaat en de kerkeraad van gemeente B (niet in het minst de predikant, die het Avondmaal bedient) in verlegenheid of sterker uitgedrukt, in een dwangpositie brengt. Wat blijft er op deze wijze van de heiligheid van het sacrament over ? Laat men ook dit ernstig overwegen !

Jn het rapport wordt gesteld, dat men er niets voor voelt, de leeftijd van het belijdenis-doen te verlagen tot een leeftijd, die ver voor het begin van de volwassenheid ligt, omdat de openbare belijdenis een bewuste en weloverwogen keus veronderstelt. In dit verband twee opmerkingen: allereerst, dat m.i. de mogelijkheid tot een 'oplossing' juist daarin gelegen zou kunnen zijn. Dan blijft in elk geval de openbare belijdenis des geloofs als voorwaarde voor de deelname aan het Avondmaal gehandhaafd. Avondmaal vieren is immers een steeds weer bevestigen van het ja-woord, dat eenmaal bij de belijdenis des geloofs werd uitgesproken. Wil men de Avondmaalsviering zo niet zien, dan blijft slechts over, dat men deze zelf als daad van belijden beschouwt. Zijn de kinderen daar niet te jong voor ? En is het deelnemen aan de viering van het Heilig Avondmaal niet een gebeuren, dat een bewuste en weloverwogen keus veronderstelt ? Ik kan in deze het rapport niet volgen en acht het op dit punt bepaald inkonsekwent.

Volwassenen krijgen — aldus het rapport — eerst toegang na het afleggen van de openbare belijdenis. Maar waar ligt de overgang van 'nog wel' naar 'niet meer' ? Wie gaat iemand van het Avondmaal weren, die eerst altijd deelnam, maar geen belijdenis des geloofs wenst af te leggen ? Het moet duidelijk zijn, dat het ene probleem zich stapelt op het andere, wanneer de voorwaarde van de openbare belijdenis des geloofs wordt losgelaten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's