Boekbespreking
Prof. Dr. A. Troost; Geen aardse macht begeren wij; Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam, ƒ 18, 90, 194 blz.
Dit is een bundel artikelen, lezingen of toespraken verenigd onder een regel uit het bekende lutherlied 'Een vaste burcht is onze God'. De strijd van de reformatie heeft zich thans gewijzigd in die tegen het geloof in de heilsboodschap van het marxisme. Een verdeeld christendom staat tegenover een eveneens nog verdeelde vijand. De schrijver hoopt, dat deze stukken tot enige steun zullen zijn voor allen, die in de geest van het lutherlied strijdend werkzaam zijn. Met hen weet hij zich verbonden, hoezeer wij ook nog verdeeld leven in uitsluitend zeer gebrekkige organisaties en gemeenschappen. De schrijver is aanhanger van de 'wijsbegeerte der wetsidee', hetgeen in verschillende artikelen een rol speelt. Het is uiteraard ondoenlijk om aan alle stukken aandacht te schenken, toch hoop ik enig overzicht van de inhoud te geven, zodat de koper van het boek weet wat hij te lezen krijgt.
Wat is vernieuwing is een E.O.-radiotoespraak op 1 januari 1974. Het centrale geheim van alle vernieuwing ligt in de zin: Wie in Christus is, is een nieuw schepsel.
'Personalisme en Ethiek' is eerst verschenen in de Mededelingen van de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte van maart 1966. Dit wil een critiek geven op de personalistische ethiek en haar tekorten aanwijzen.
’Verantwoordelijkheid' is verschenen in 'Mededelingen van de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte' maart 1967. Dit is een van de populaire woorden, die het doen in deze tijd. In verantwoordelijkheid zit als hoofdbegrip 'antwoord'. Maar 'antwoord' is weer een begrip dat een 'woord' veronderstelt. 'Antwoord' is in z'n meest algemene zin een reactie op een woord, het is een weder-woord, een ant-woord. Het ligt voor de hand dat we 'het woord' waarvan sprake is in het begrip 'verantwoordelijkheid' primair zoeken in het scheppende Woord van God. Het ant-woord is dan het wederwoord van de mens, aan God. F. Heinemann stelt in plaats van de Cartesiaanse grondgedachte 'ik denk dus ben ik' 'ik antwoord, dus ben ik'. Hij noemt de mens wel een antwoord-wezen, maar de oorsprong van het menselijk-antwoord-zijn ligt bij hem niet in het Woord van God. In de christelijke levensbeschouwing daarentegen fungeert de belijdenis van God als de Schepper, de Oorsprong van het menselijk leven.
In het rijk van Christus, ontvangen alle menselijke verantwoordelijkheden hun samenbundeling en eenheid van richting op de dienst van God met het gehele hart en leven. Uit God en tot God zijn alle dingen. Mens en wereld staan in dit perspectief van Christus en Zijn rijk.
In de levenspraktijk is alle wijsheid en keimis intuïtief afgestemd op de scheppingsorde (enkelvoud) en op de daarin gefundeerde meer concrete scheppingsordeningen. Ons leven is dan ook een subjectief zich verhouden tot deze grotendeels normatieve scheppingsorde. Menselijke verantwoordelijkheid is de betrokkenheid op deze orde, waarin God zijn scheppers-en verlosserswil openbaart. Het concrete leven is, hoe dan ook, antwoord op het scheppings- en verlossingswoord van God. De schrijver verzet zich tegen de meeste variaties der twee-rijkenleer. De wijsbegeerte der wetsidee, waarvan de schrijver uitgaat is in onze kringen weinig bekend en weinig gangbaar, hier voelt men zich meer thuis bij de opvattingen van Calvijn, die zijn Institutie schreef zonder gebruik te maken van de wijsbegeerte zijner dagen, ofschoon hij hiermede wel op de hoogte was.
Deze twee rijken leer komt ook in het volgende artikel aan de orde: Calvinisme, Lutheranisme en Christelijke organisaties uit 'Mededelingen van de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte' september 1970. De schrijver bespreekt de opvattingen van de heer Ruppert, die als Lutheraan zich toch wel thuisvoelde in de calvinistische kringen.
Calvijn leert in zijn Institutie boek III, hoofdstuk XIX, 15 het volgende: Wij moeten eerst opmerken, dat er onder de mensen tweeërlei regering is: de een geestelijk, waardoor het geweten wordt onderwezen tot vroomheid en de dienst van God; de andere burgerlijk, waardoor de mens wordt onderrricht tot de menselijke en burgerlijke plichten, die onder de mensen in acht genomen moet worden. Gemeenlijk plegen zij genoemd te worden de geestelijke en de tijdelijke jurisdictie. Daarom wordt te kennen gegeven, dat de eerste soort van regering betrekking heeft op het leven der ziel, en de tweede soort zich beweegt op het terrein van wat tot het tegenwoordige leven behoort, niet slechts op het gebied van voeding en kleding, maar ook van het voorschrijven der wetten, door welke de mens onder de mensen zijn leven heilig, eerbaar en zedig doorbrengt. Want de eerste heeft haar zetel in 't inwendige des gemoeds; maar de tweede regelt slechts de uiterlijke zeden. Laat ons de eerste een geestelijk rijk mogen noemen, de tweede een burgerlijk rijk. En deze twee, zoals we ze verdeeld hebben, moeten altijd ieder op zichzelf beschouwd worden, en wanneer het ene in ogenschouw wordt genomen, moeten de harten weggeroepen en afgewend worden van de gedachte aan het andere. Want er zijn in de mens als het ware twee werelden, over welke verschillende koningen en verschillende wetten kunnen regeren. Door deze onderscheiding zal het geschieden, dat we niet verkeerdelijk datgene. Wat het evangelie leert over de geestelijke vrijheid betrekken op de burgerlijke orde, alsof de christenen minder naar de uiterlijke regering aan de menselijke wetten onderworpen waren, omdat hun gewetens vrijgemaakt zijn voor God; alsof ze daarom verlost waren van alle dienstbaarheid des vleses, omdat ze vrij zijn naar den geest.
Hiermede keert Calvijn zich tegen de wederdopers en tegen alle verkeerd gebruik van de bergrede.
De leer van Luther verschilt m.i. niet zoveel met deze leer van Calvijn. Deze bespreking Iaat niet toe dit aan te tonen, maar wie de moeite neemt om in het boek van ir. J. van der Graaf In de Mozes en Aaronstraat hoofdstuk 4 Luthers leer van de twee regimenten te lezen kan zelf beoordelen in hoeverre ik gelijk heb. Dit kan tevens de houding van de Lutheraan Ruppert verklaren.
’Het Bestaansrecht van het C.N.V. en andere christelijke organisaties' verscheen eerst in 'Evangelie en Maatschappij' november 1968. Hierin waarschuwt de schrijver ernstig dat het humanistisch denken doorbreekt binnen de christelijke organisaties en wel over de gehele linie van het leven. Alle hebben ze vandaag ook te rtiaken met een binnendringen van niet-christelijke ideologieën, doelstellingen, idealen en leefwijzen.
'Hoofdlijnen van een christelijke maatschappijbeschouwing' verscheen in 'Wapenveld' maart 1973. In niet-wetenschappelijke, levensbeschouwelijke zin heeft het christelijk scheppingsgeloof de inspiratie gegeven tot het maatschappij principe van de zgn. 'souvereiniteit in eigen kring'. De 'Vrije Universiteit' dankt haar naam er aan — al heeft zij nu deze afkomst verloochend en interpreteert men daar het woord 'vrij' thans overwegend in humanistische zin. De Antirevolutionaire Partij heeft er de fundamentele artikelen van haar beginselprogram aan te danken, al hebben verschillende van haar leidinggevende figuren dit principe als een 'lege doos' weggeworpen, en daarmee de koers, van deze partij in principe opgesplitst in polariserende richtingen. Aldus de schrijver.
Wie denkt hier niet aan het gevleugelde woord 'Quis non-fleret'. Wie zou niet wenen ?
Het volgende opstel draagt als titel 'Evangelie' en Economische Wetenschap'. De wijsbegeerte der wetsidee probeert met name de structurele vervlechting tussen geloof en wetenschappelijk denken expliciet te maken. Dit is een werkelijkheid, die aan alle theorie vooraf gaat. Dit betekent voor ons onderwerp dat evangelie en economie met elkaar in een reële, in een feitelijke relatie staan, waarvan de innerlijke structuur bloot gelegd kan worden. Openlijk stem ik toe dat onze subjectieve erkenning van dit apriori als zodanig een subjectief voor-oordeel is. Dit vooroordeel is wijsgerig van aard en religieus bepaald.
Juist wij mogen onszelf wel afvragen of wij ons 'onbesmet weten té bewaren' van de twee machtige economische afgoden, die in felle onderlinge strijd thans op de voorgrond treden in onze westerse cultuur. Ik bedoel de economische (kapatalistische) afgod van de welvaartsverhoging, en de politieke (socialistische) afgod van de welvaartsverdeling. Daarmee bedoel ik de verabsolutering van deze beide menselijke verantwoordelijkheden. Als christenen lopen wij groot gevaar ons in deze tweestrijd te laten inkapselen, zodat ook wij met de wereldbevolking meegolven van de ene God naar de andere, van de aanbidding van de economische God van de welvaartsgroei tot elke prijs, naar de aanbidding van de ander, de sociale God van de welvaartsverdeling tot elke prijs.
Tot slot beantwoordt de schrijver de vraag of het ethisch verantwoord is om inkomen uit bezit te hebben met: ja. Zolang immers bezit en, zelfs rijkdom, als zodanig niet zondig is, hangt alles er van af wat men er mee doet. Het trekken van inkomen uit bezit kan wijzen op een positief te waarderen economisch gedrag, zoals Christus op het oog had in zijn gelijkenis van de talenten. De vraag schuift dan automatisch weer op naar de vraag wat wij met ons inkomen doen, en uiteraard ook wat wij met onze tijd doen.
Hieruit blijkt wel welke belangrijke vraagstukken de schrijver behandelt. Uiteraard is het nu niet direct eenvoudige lectuur, maar wel is het alleszins de moeite waard hiervan kennis te nemen. 'De Ethiek van het streven naar winst' is een lezing gehouden voor de Bond van Chr. Drukkerspatroons in april 1968.
’Christelijke politiek tussen biblicisme en humanisme' verscheen in A. R. Staatskunde september 1971 en bevat een bestrijding van de opvattingen van prof. Augustijn. Deze zegt: 'Men kan immers niet meer verwijzen naar de staat als instelling Gods' en hieruit blijkt dan wel hoe vrijzinnig hij is geworden. Het is begrijpelijk, dat prof. Troost tegen hem in het geweer komt en daarin willen wij de schrijver gaarne volgen. Echter hebben wij wel enige vraagtekens gezet bij zijn beschouwing over schriftgezag en biblicisme. Ik vermoed, dat mijn opvattingen ook wel met de term biblicisme veroordeeld zullen worden.
’Is christelijke politiek in deze tijd noodzakelijk en mogelijk ? ' is een toespraak op de eerste landelijke jaarvergadering van de gespreksgroep A.R.-gezinden, april 1972. Hij bespreekt hierin de ontwikkeling in de A.R.-Partij en welke invloed de moderne theologie hierop gehad heeft.
Deze gespreksgroep heeft zich thans aangesloten met het nat. evang. verband bij de reformatorische politieke federatie (RPF). Zij wil trachten met een eigen lijst uit te komen, die verbonden zal worden met die van de S.G.P. en het G.P.V. om op deze wijze een samenbundeling te krijgen van allen, die reformatorische politiek voorstaan. Ik juich dit streven toe en acht het in deze tijd van afval en verval zelfs bittere noodzaak dat zij de handen ineenslaan. Inlichtingen zijn te verkrijgen bij C. J. Smits, Chopinrode 7, Zoetermeer.
Het boek van prof. Troost wil ik gaarne aan belangstellenden ter lezing aanbevelen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's