De patiënt en zijn verpleging
De gezondheidszorg
1
Motivatie en Situatie
In het voorgaande is over de begrippen motivatie en situatie wat betreft de gezondheidszorg reeds gesproken, maar de klemtoon lag vooral op de motivatie, daarom wil ik nu wat meer de klemtoon gaan leggen op de situatie, waardoor ook de motivatie duidelijker kan worden.
De situatie
Wat betreft de situatie, waarin men terecht komt, hier spelen vele verhoudingen in het menselijke vlak een rol. De verhouding tot de naaste in de ruimste zin van het woord: de naaste als patiënt (Matth. 25: ik ben ziek geweest en gij hebt mij bezocht); maar ook de collega en de hoofdzuster als naaste, ook de arts en het poetsmeisje op de gang. Al deze mensen zijn onze naaste en samen met hen wil je en ga je werken in het grote geheel dat het ziekenhuis is.
Geschiedenis
Misschien is het verstandig om eerst iets over de geschiedenis van de ziekenhuizen en de mensen die daarin zijn, te zeggen, voordat we over de situatie in de huidige ziekenhuizen gaan praten. Want het tegenwoordige krijgt alleen zin door het voorafgaande, door de vóórgeschiedenis die maar al te gemakkelijk vergeten wordt. De geschiedenis van het ziekenhuiswezen weerspiegelt niet alleen de geschiedenis van de geneeskunde, concreet geeft deze ontwikkeling een beeld van de sociale en culturele fasen, die de gemeenschap doorliep.
De ziekenhuizen van de westerse wereld zijn ontstaan uit de christelijke geloofsleer en de christelijke cultuur. Van een status van de patiënt kan eerst in de christelijke middeleeuwen gesproken worden, waar de zieken: 'membra Christi' broeders in Christus waren. Hieruit komt de 'dienst' aan deze mensen voort. Nu pas kan men gaan spreken van ziekenverpleging en van ziekenhuis.
Aanvankelijk spreekt men alleen van gasthuizen, inrichtingen waar alleen invaliden, ouden en armen en misschien ook zieken zijn opgenomen. Pas in de 18e eeuw gaat men acute zieken opnemen. In deze gasthuizen komen eerst de chirurgijns, later ook de doctoren, die tenslotte de patiënt dagelijks bezoeken. Het gasthuis is een ziekenhuis geworden, zij het wel een ziekenhuis voor armen, want het was voor deze mensen niet mogelijk om thuis ziek te zijn (sociale indicaties).
In het algemeen wordt het ziekenhuis gemeden (het was meestal een plaats, waar men niet levend meer uit kwam; speelt dit nu ook nog niet onbewust een rol bij de mensen ? ; 'het is wel heel erg met hem, want hij is opgenomen in het ziekenhuis'; het was de laatste mogelijkheid.
Ook werkte bij de mensen zeer negatief, dat er in het ziekenhuis geneeskundig onderwijs werd gegeven; een aversie, die er nu ook soms nog wel bij de mensen bestaat als ze moeten worden opgenomen in een universiteitskliniek: 'ze moeten daar op je leren', of: 'ik zal me daar proefkonijn zijn’.
Maar in de 19e eeuw is het ziekenhuis reeds een centrum voor geneeskundig onderwijs; eerst veel later is het een opleidingscentrum voor verpleegkundigen geworden. Omstreeks 1900 verandert de structuur in de ziekenhuizen sterk door sociale hervormingen en door de vooruitgang in de medische wetenschap: operaties met asepsis en x-onderzoek.
Het ziekenhuis werd op die manier geleidelijk aan een geneeskundig centrum met een concentratie van voorzieningen, van deskundig personeel en deskundige staven, tevens het centrum waar a.s. medici, en verpleegkundigen werden opgeleid.
Het ziekenhuis groeide uit tot een bedrijf. Een bedrijf met een zeer heterogene groep mensen, ieder met zijn eigen taak en zijn eigen functie.
De patiënt
Centraal in het ziekenhuis en het ziekenhuisgebeuren staat de patiënt. Wie is nu deze patiënt ?
De geschiedenis van de medische wereld bestaat uit uitvoerige werken van en over grote medici, uit uitgebreide ziektebeschrijvingen en therapeutische vooruitgangen, maar een geschiedenis van de lijdende mens is er niet, hoewel hier materiaal te over zou zijn. De patiënt is echter naamloos en hij is stom; hij schreef niet en over hem is niet geschreven.
Het lijden wordt vaak verborgen gehouden; men probeert het te vergeten, te ontvluchten.
Het lijden is niet beperkt tot de mensheid alleen, echter doordat de mens het zich bewust wordt, behoort het tot het menszijn. Het lijden is geen randverschijnsel van ons leven, maar het behoort tot de kern van ons leven (Rom. 8 : 22: want wij weten, dat het ganse schepsel tesamen zucht en tesamen in barensnood is tot nu toe, en niet alleen dit, maar dok wij...). Het lijden heeft vele gezichten en evenzovele zijn onze pogingen om het lijden te overwinnen: en mens probeert zijn lijden te vergeten door zijn zelfbewustzijn uit te schakelen. En andere voor de hand liggen de reactie op het lijden is de vlucht (en wel die in het genot, alcohol, drugs, maar het lijden keert daarna terug, vaak in heviger mate). Of de mens vlucht in de prestatie; maar de vlucht kan ook zijn in de zelfmoord. Men probeert het lijden ook wel te overwinnen door behoeften te bevredigen, maar de behoeften blijven groeien (welvaarts-cultuur), zodat er een honger naar méér blijft bestaan.
Deze vlucht en dit verstoppen is niet alleen bij het lijden aanwezig, maar het gehele leven door is men bezig zich te verstoppen voor zichzelf, voor zijn omgeving en voor God. Men wil zichzelf nu eenmaal beter voordoen dan men is. Bij een zieke heeft men ook met deze structuren van de mens te doen, waardoor de benadering van de patiënt en de ontrafeling van zijn ziek zijn veel moeilijker wordt. Maar daarnaast is juist de zieke een mens, die hulp komt zoeken. Door dit open stellen kan men de patiënt benaderen, naar hem toetreden.
De opname
Wordt een zieke in het ziekenhuis opgenomen, dan is dit zeer ingrijpend voor hem. Enerzijds verwacht de patiënt veel, vaak te veel van het ziekenhuis: thuis kan het niet langer, maar nu in het ziekenhuis zal er wat gaan gebeuren met hem ! Anderzijds valt door de opname familieachtergrond weg; het bekende is weg; de zieke wordt veel meer aan zichzelf overgelaten; de patiënt is in het ziekenhuis een onderdeel; hij is slechts één van de velen. En het lijden, dat samengaat met vereenzaming, wordt nu nog sterker geaccentueerd. Bij de patiënt ontstaat de wens opgenomen te worden in het geheel en om begrepen te worden. De arts en de verpleegkundige zijn vaste punten in dit nieuwe bestaan en de patiënt moet ze te hulp kunnen roepen, zodat er een gevoel van geborgenheid kan ontstaan.
Hoe staan nu deze arts en deze verpleegkundige en met hen de pastor in dit geheel ? In de vroegste tijden vindt men de arts reeds als een vakman voor menselijke noden bij onbekenden, die door zijn ingrijpen bij deze onbekenden de noden probeert te leningen.
Wij leven nu in een eeuw van techniek met toenemende massaficatie en het persoonlijk contact schijnt te verdwijnen; het gevaar bestaat dat de patiënt tot een object wordt gereduceerd.
De geneeskunst is echter een werkelijkheid, waaraan de patiënt essentieel deelneemt. Hippocrates zei reeds: de zieke moet samen met de arts proberen de ziekte boven te komen. Dit contact tussen patiënten en arts bestaat in eerste instantie uit de sympathetische trap, (sympathie is mee-lijden); hier komt de arts in aanraking met de nood van de patiënt. De tweede stap is de diagnotische vervreemding, waarin de noodzakelijke verzakelijking van de nood plaats heeft; het technische element komt hier sterk in de relatie arts-patiënt. Het derde stadium is dan het persoonlijk contact, waarin patiënt en arts elkaar ontmoeten, maar waarin de arts vakkundig optreedt. Hippocrates zei reeds, dat de mens in zijn individualiteit een individuele behandeling behoeft. Het gaat om een totaliteit en niet zoals Virekow eeuwen na Hippocrates zei: 'de cel is ziek' en met hem hebben vele geneesheren de eeuwen door gezegd: de zieke mens interesseert me niet, slechts het zieke orgaan. Als deze gedachte bestaat kan er nooit een vertrouwensrelatie tussen arts en patiënt ontstaan; een relatie, die van wezenlijke betekenis is in de genezing van de patiënt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's