De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

9 minuten leestijd

Abraham Booth: Heerschappij der genade. De Vuurtoren, Urk, 1975, 325 blz. Geb. ƒ39, 50.

In 1768 verscheen van de hand van een Engelse baptist. Abraham Booth (1734-1806), een boek, getiteld The Reign of Grace (Heerschappij der genade) dat terstond in wijde kring de aandacht trok. Binnen korte tijd Verschenen er van dit boek 9 Engelse, 3 Amerikaanse en 1 Schotse uitgave. Weldra werd het ook vertaald in het Nederlands; de eerste nederlandse uitgave dateert van 1774, en staat op naam van de wed. J. J. van Poolsum te Utrecht.

Thans is het 'opnieuw, ongewijzigd, naar de druk van 1774, uitgegeven door de heer J. de Wit te Urk. Hij liet er een mooi en stevig boek van maken.

Abraham Booth was aanvankelijk een arminiaan, maar er kwam in zijn leven een groot keerpunt, hij leerde de volheid der genade in Christus kennen. Sindsdien gold hij voor een calvinistisch baptist. In het boek dat wij hier bespreken bezingt hij op hoge tonen de lof der souvereine genade Gods.

Als wij het boek naar zijn inhoud zouden moeten typeren zouden wij willen zeggen: men vindt er een merkwaardige verbinding in van piëtistisch Puritanisme en Reformatie.

Het wetticisme dat van de aanvang af het Puritanisme bedreigde wordt hier doorbroken vanuit een heroriëntatie op de Reformatie.

De schrijver moet niet alleen van zijn vroeger arminianisme hevig geschrokken zijn maar ook van het moralisme van 'de Engelse Verlichting in zijn dagen; en hij heeft toen teruggegrepen op de ontdekkingen van de Reformatie. Zijn boek is één lof-Ued op het vrije en onvoorwaardelijke van de genade Gods. Dat onvoorwaardelijke brengt hij telkens ter sprake. Alle voorwaarden die gesteld worden, van welke aard zij ook zijn, om te komen tot Christus en Zijn heil, worden herhaaldelijk afgewezen.

Vanuit deze positie moest de schrijver wel kritisch komen te staan tegenover de piëtistische genade-leer, waarin de genade wordt opgevat als een ingestorte hebbelijkheid. Bij Booth is de genade weer voluit, gelijk bij de reformatoren, gunst van God (favor Dei) (pg. 21). En zo komt dan ook vanzelf het geloof centraler te staan dan bij vele Puriteinen, en vooral de betrokkenheid van het geloof op Christus, als de Enige van Wie de zondaar leeft. De rechtvaardiging door het geloof gaat weer echt voorop; gevolgd door de heiligmaking. Die heiUgmaking wordt waarlijk niet terzijde geschoven. Booth heeft zich ook tegenover de antinomianen duidelijk afgegrensd. Het Evangelie wordt ruim en ruimschoots verkondigd, zonder voorwaarden.

Dit alles is geweldige winst, het doet een reformatorisch gezind hart van vreugde opspringen. Wie weleens lang aan-één gelezen heeft in de Puriteinse Heiligmakingslectuur (overigens ook zeer waardevol) ervaart een boek als dit als een verademing.

En toch, ook dit boek is niet wat wij zouden kunnen noemen een algehéle terugkeer tot de Reformatie., Daarvoor heeft nog teveel van zijn verleden de schrijver aangekleefd. Het piëtistisch bekerings-schema wordt ook hier herhaald; al mag er aan toegevoegd worden: in gematigde vorm* en al wordt het, gelukidg, aan het eind doorbroken door de erkenning dat God vrij is ook in de wijze waarop Hij mensen bekeert.

Het boek heeft dus nog iets tweeslachtigs. Wat niet behoeft te verliinderen dat wij het met zegen lezen. Er staat een Voorwoord in van ds. S. de Jong (Ouddorp); hij schrijft dat hij blij is dat het boek ongewijzigd is herdrukt, dat wil zeggen naar de druk van 1771. Naar ons gevoelen zou er wel wat anders en heel wat meer over te zeggen zijn geweest. Bovendien kunnen wij minder ingenomen zijn met dat ongewijzigde. Wij zouden het boek wat ruimhartiger kunnen aanbevelen als het eens opnieuw, maar dan wel door bekwame hand, uit het Engels in het Nederlands was overgezet; thans vrezen wij vele kortsluitingen tussen de verouderde, gebrekkige vertaling uit de 18e eeuw en de lezers van onze tijd. Dat is jammer, .want dit boek verdient na ruim twee eeuwen nog steeds een brede belangstelling. Het zou zegenrijk kuimen werken in kringen waarin men, hoe dan ook, in wetticisme bevangen zit. En wij allen kunnen er uit vertroost worden, omdat in de heerschappij der genade ons eeuwig behoud Ugt.

K. Exalto

D. K. Wielinga 3. D.zn., Morgenglans der eeuwigheid, 182 blz., ƒ 18, 90.

Het teken van de vis, 192 blz., geb. ƒ 12, 90. Uitgave Ton Bolland, Amsterdam.

Deze twee boeken van Wielinga liggen al te lang op bespreking te wachten.

Laat ik beginnen met de opmerking, dat hier waardevolle lectuur tegen een zeer gematigde prijs wordt aangeboden.

’Morgenglans der eeuwigheid' is een fraai en. stevig gebonden bimdel meditaties, die in deze donkere wereld getuigen wiUen van het eeuwigheidslicht, dat in Christus, het Licht der wereld, verschenen is, al is datgene, wat het geloof in dit leven er van te aanschouwen krijgt, nog slechts de Morgenglans. Afgezien van enkele aan het einde opgenomen toespraken (gedeeltelijk voor de microfoon van de N.C.R.V. gehouden), die betrekking hebben op de opstandingskracht van Christus, zoals die openbaar wordt in.de voleinding der wereld, volgen de meditaties de gang van het kerkelijk jaar. In de AdventsoverdenkiHgen valt sterk het accent op Sem als drager van de Messiaanse beloften. Bij in deze bladzijden voorkomende getallen, die de geschiedenis wiUen periodiseren, heb ik af en toe een vraagteken gezet. De schrijver, die ze vermeldt, zal dit af en toe zelf ook doen. Ik onderstreep zijn opmerking, dat er genade voor nodig is voor Cham (derde wereld) zowel als voor Japhet, om te willen wonen in de tenten van Sem.

Het spijt me, dat de schrijver, die de historiciteit en de betekenis van de heilsfeiten zo duidelijk en onverkort poneert, aan de lijdensgeschiedenis in het kerkelijk jaar, geen aparte plaats gegeven heeft. Het is waar, dat het hem er om te doen was te getuigen van het licht, dat schijnt in de duisternis. Het boek wilde de registers, die een heldere, lichte klank geven, laten domineren. Maar, dat het licht zondaren verlicht, is toch alleen te danken aan het feit, dat Christus ingegaan is in ónze duisternis. In Advents-en Paasmeditaties ontbreekt dit motief niet. Maar het boek zou m.i. aan diepte gewonnen hebben, wanneer nadrukkelijk aandacht gegeven was aan de donkere tunnel, die Jezus Christus door moest gaan, om voor ons de weg naar het licht te banen. Ook had ik iets meer willen horen over de strijd van licht en duisternis in het persoonlijke ge-' loofsleven.

Interessant zijn de besprekingen van apocrj^phe Kerst-en Paasmotieven. Wat een afstand tussen deze fantasieën, al komen ze uit de vroege christelijke kerk, en de soberheid van de canonieke evangeliën, waarvoor we met de auteur dankbaar zijn.

De schrijver geeft geen goedkope stichtelijkheid. Hij is volop theoloog, al valt de verwantschap met prof. K. Schilder in stijl en typeringen, titels en 'kopjes' op. Hij is zelfstandig in zijn exegese. Op blz. 112 wijst Mj er op, dat in 1 Kron. 12:8 (moet zijn VS. 18) staat, dat de Geest Amazia aantrok. Hetzelfde wordt in 2 Kron. 24:20 van Zacharia gezegd. Gewoonlijk wordt dit geïnterpreteerd als eeii 'bekleed worden' van deze profeten met den Heiligen Geest. Ik meen, dat Wielinga dichter bij de tekst blijft, wanneer hij zegt, dat de Geest Zich bekleedde met deze profeten. Dat betekent geen ongeoorloofde verheffing van deze mannen. Integendeel. Wat is hefc kleed vergeleken bij Hem, Die er in verschijnt ? Overigens valt bij de weergave van het Pinksterevangelie het accent wel zeer sterk uitsluitend op de roeping en bekwaammaking om te getuigen.. Ik meen, dat er van Pinksteren in het hcht van Joh. 14-16 meer te zeggen , valt.

Al met al een boek, waarachter veel studie ligt en waarvan ik de lectuur gaarne wil aanbevelen.

Hetzelfde geldt ook voor het andere boek van Wielinga over 'Het teken van de Vis' (toespeling op het Griekse woord Ichthus, dat 'vis' betekent en waarvan de letters de beginletters voorstellen van de woorden Jezus Christus, Gods Zoon, ZaUgmaker). Wielinga onderstreept dat deze profeet Jona geen teken doet, maar een teken is.. Hij heeft geen moeite met de aanvaarding van het wonder, heeft gedachten van Godsgenade (b.v. t.o.v. de scheepslieden). Ook hierbij valt mij op het 'eigene' van Wielinga's behandeling van de stof, vergeleken bij andere preken over Jona.

Geestelijk is het klimaat dat van de Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt), waarvan ds. Wielinga dienaar is geweest, ook als lector aan de Theologische Hogeschool dier kerken te Kampen. Bij dat klimaat past zijn afkeer van subjectivisme, in de vorm van 'zielseenzame meditatiën'. Misschien is die afkeer zelfs te stefk. Overigens nogmaals aanbevolen.

V. d. W.

Fem Rutke: Is Jezus nog te redden ? Interviews over de pinkstervemieuwing met kardinaal Suenens, prof. Schülebeeckx, drs. Daniel de Lange en de dichter Gabriel Smit, alzo (ex) rooms-kathoUeke meningen over charismatische bewegingen.

Een opmerking vooraf: ondanks de toelichting acht ik de titel uiterst ongelukkig! Het interview met de kardinaal bevat zeer opmerkelijke uitspraken over de leiding van de Geest met/in de ongelovigen, de positie van de vrouw, wat, naar mij voorkomt, niet met de Schrift is te rijmen.

In het interview met prof. Schülebeeckx proeft men de spanning tussen hiërarchisch ingestelde kerk en de charismatische beweging, maar... is demokratisering der kerk nu het eigenlijke van de leiding van de Geest ?

Drs. De Lange is niet mals in zijn kritiek vanuit de visie, dat het Christendom een ketterij is, die het Jodendom is uitgegroeid! Brood en wijn is het samen vieren als feest van de menselijke cultuur (van colere = natuur-ontginnen).

De dichter tenslotte stelt zich nogal op tegen het charismatische als het bijzondere, is scherp in zijn critiek tegen de tongentaai, 'tongengezwam' door hem genoemd. Als de drie voor hem geldende kerkvaders noemt hij: Augustinus-Pascal en Kierkegaard. Zoals u bemerkt een boekje met zeer tegenstrijdige meningen, toegespitst op de Pinkstervemieuwing. Hoe boeiend ook van een en ander kennis te nemen, we kunnen onmogelijk zeggen, dat we de werking van de Heilige Geest in de R.K. Kerk van nu kunnen bemerken aan de uitingen van vroomheid, geloof enz.

Deze paperback werd uitgegeven bij Kok Kampen en kost ƒ 12, 50.

W. Chr. Hovius

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's