De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Intercommunie en ambt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Intercommunie en ambt

8 minuten leestijd

2

Ambtsopvatting het struikelblok

In de naam van dit rapport van de Raad van kerken staat wel het woord 'intercommunie' voorop. Maar de inhoud van het rapport gaat veel en veel meer over het ambt dan over de communie. Alle 4 studies, - die bijna het gehele boekje vullen, handelen over het ambt. Niet een concensus over het Avondmaal des Heeren levert zoveel moeilijkheden op. Maar - de verschillende ambtsopvatting is het grote struikelblok om tot het gemeenschappelijk communiceren te komen.

Het rapport, lijkt me een poging om dit struikelblok af te schaven, tot er niet meer dan een klein strootje over blijft, waar men wederzijds gemakkelijk overheen kan stappen.

Onderwaardering der bijbelse gegevens

Naar mijn smaak worden de bijbelse gegevens daartoe afgezwakt en met vele vraagtekens omgeven, terwijl datgene, wat uit de oude christelijke kerk in de naapostolische tijd bekend is betreffende het kerkelijk ambt een sterk accent krijgt.

Prof. P. van Leeuwen, die zijn uitvoerige bijdrage levert tot het onderzoek naar bijbelse achtergronden enerzijds en feitelijke toestand in de oude kerk anderzijds; merkt reeds op de eerste pagina van zijn betoog op, dat het doel, dat hem voor ogen staat, geen strikt exegetisch doel is, maar een theologisch-oecumenisch. Dat lijkt me een wat bedenkelijke opzet, want het gevaar van een wat tendentieuze interpretatie van het bijbelse en kerkhistorische materiaal ligt dan voor de hand.

In dezelfde alinea wordt het Nieuwe Testament onvoldoende geacht om te reconstrueren, hoe het met het ambt in die tijd geweest is. De schrijver spreekt van allerlei tradities (paulinische, synoptische, joharineïsche en andere), die naast elkander voorkomen. Een theologie van het ambt op bijbelse gronden wordt zelfs onmogelijk geacht.

Nu is het inderdaad duidelijk, dat er inzake de ambten een diepgaand verschil is tussen Oud en Nieuw Testament, samen-"hangend met de tijd van belofte en schaduw en die van vervulling en realisering. Berkhof houdt in zijn bekende ambtsrapport allen rekening met de Nieuw-Testamentische gegevens. Het is ook waar, dat in het Nieuwe Testament een veelheid van aanduidingen gebruikt wordt voor velerlei ambten en diensten; dat sommige daarvan uniek en onherhaalbaar zijn; dat er verschil is tussen de uitzonderlijk mission naire situatie van de als een bergstroom zich voortspoedende uitbreiding van de christelijke kerk in de begintijd en de leiding van gevestigde plaatselijke kerken en dat daarbij de waardering van de Pastorale Brieven een grote rol speelt.

Maar dat mag er niet toe leiden de, ook in dit rapport van de Raad van Kerken een en andermaal uitgesproken verzekering, dat de canon alleen normatief is, practisch te ontkrachten. Dan wordt de schijn gewekt alsof rondom het ambt in de tijd van het N. Testament alles alleen nog maar in beweging is, en dat eerst in de tijd van de Apostolische Vaders het ambt, speciaal plaatselijk, zijn eigenlijke vaste vorm gaat krijgen.

Dit wrikken aan de bijbelse gegevens lijkt me één van de meest bedenkelijke kanten van dit rapport. Op blz. 21 lees ik zelfs de opmerking: exegeten zeggen, dat we hierbij (d.w.z. bij de gegevens betreffende niet door Paulus gestichte kerken en ook bij hetgeen de Handelingen der Apostelen verhalen) rekening dienen te houden met een latere inkleuring (cursief van mij, V. d. W.). We zouden daar te doen hebben met gegevens 'uit de tweede hand'. Er wordt bovendien een sterke nadruk gelegd op allerlei wat in het Nieuwe Testament niet vermeld wordt. Naar mijn smaak wordt dit argumentum e silentio (argument ontleend aan hetgeen waarover gezwegen wordt) wat uitvoerig gehanteerd om het Nieuwe Testament als definitief gezaghebbend in gebreke te stellen. Het doet mij denken aan de gemakkelijke manier waarop tegen de kinderdoop en tegen de heiliging van de éérste dag der week geargumenteerd wordt. De diepere grondlijnen van het verbond der genade en van het volbrachte werk van Christus worden dan niet opgemerkt.

Ook dreigt telkens het verschil tussen ambt en charisma overtrokken te worden. Het spreekt vanzelf, dat ook tot de bediening van het ambt de genadegave des Heiligen Geestes noodzakelijk is. Het ambt is daarom Qchter niet minder ambt. Zoals het hoofd niet minder 'hoofd' is en een regerende functie heeft over de andere organen, omdat het samen met die andere organen één lichaam vormt en mede tot dat lichaam behoort. Het charisma van het hoofd is 'regerend dienen'.

Overwaardering van de na-apostolische tijd

Tegenover de onderwaardering van de grondlijnen van het ambt naar de Schrift (vgl. een uitspraak van het rapport Van Ruler-Dokter: 'wij geloven, dat de ambten der Hervormde Kerk hun oorsprong hebben in een orde, die in de bijbel duidelijk naar voren treedt, blz. 57), staat m.i. een overwaardering van de ambtsontwikkeling in de na-apostolische tijd, wanneer deze gaat uitlopen op het zgn. monarchisch episcopaat (eenhoofdige bisschoppelijke leiding). Zowel van Rooms-Katholieke als van Hervormde zijde wordt in dit rapport opgemerkt, dat men daarin niet een soort kerkelijke 'zondeval' moet zien, maar een door God gewilde en daarom door Zijn Geest geleide ontwikkeling. Nu zullen we dankbaar mogen denken aan de belofte, die God aan Zijn gemeente gegeven heeft omtrent de gave en de onderwijzende-leiding des Geestes. Maar dat neemt niet weg, dat, wanneer we de oud-christelijke schrijvers leggen naast de canonieke bijbelboeken, we ontdekken, dat de kerk met die Oud-en Nieuw Testamentische openbaring een rijkdom heeft meegekregen, die zij nauwelijks kan overzien en verwerken. Er is daar een worsteling aan de gang om het in de Schriften ook des Nieuwen Testaments geschonkene zich ook werkelijk 'eigen te maken (een worsteling, die trouwens blijft voortduren). Vooral dat leven uit en door het geloof alleen blijft een zware leerschool. Vandaar dat al spoedig de kracht van het geestelijk leven meer gezocht wordt in een leven van heiligmaking naar Gods geboden, dan in de rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof in Christus en de beloften des Evangelies alleen, met de daaruit geboren vrijheid van de kinderen Gods in een kinderlijk dankbaar leven te wandelen. Die Geest wil dan ook meer doen dan een stevig kerkordelij k getimmerte adviseren. Hij wil door de onderwijzing der Schriften de gemeente in alle waarheid leiden en alle dwaling doen onderkennen en tegenstaan.

Wat het kerkelijk ambt betreft werd de strakkere lijn van de éne, leidende ambtsdrager, immers mede bepaald door de be-

hoefte om positie te kiezen en zich te verdedigen tegen de zuigkracht van allerlei ketterijen o.a. de gnostiek. In die lijn ligt het telkens weer opwerpen van kerkordelij ke verdedigingslinies tegen leerstellige afdwalingen, meer dan het zich innerlijk laten sterken in een door de Heilige Geest gewerkt leven des geloofs uit de Schriften.

Daarom meen ik, dat deze ontwikkeling wel degelijk een inzet is van een dalende lijn, al leidt die dan ook uitwendig tot een ambtelijke hiërarchie, die tot de hoogte der onpeilbaarheid opklimt. Ik heb de gedachte, dat men ook van Rooms-Katholieke zijde niet onverdeeld gelukkig is met de uiterste consequentie van deze neiging tot concentratie en centralisatie. Ook hier ware in de oude kerk beter toegepast het oude adagium: principiis obsta: weersta het begin.

Verzoening der ambten ?

Hiermede hangt samen, dat men aan het opzienersambt weer een priesterlijk karakter is gaan toekennen.

Het rapport erkent, dat het Nieuwe Testament nergens de naam 'priester' gebruikt voor welke ambtelijke figuur ook. Maar dit geschiedt dan volgens prof. Lescrauwaet alleen om misverstanden te voorkomen. Maar wanneer het oud-israëlitische priesterschap niet meer uitgeoefend kan worden door de verwoesting van de tempel, en het heidense priesterdom verdwenen is vanwege de kerstening van het Westen (maar dan zijn we toch wel een paar eeuwen verder!), kan men onbekommerd in de kerk weer over 'priesters' gaan spreken.

Dit is dan in wezen zulk een onschuldige zaak, dat we ons in de 20ste eeuw niet meer bijzonder druk behoeven te maken over verschillende gedachtencomplexen, die de woorden 'predikant' enerzijds en 'priester' anderzijds nog menigmaal plegen op te roepen.

Er is blijkbaar in dit rapport een tendenz aanwezig, die ambtsaanduidingen van predikant en priester te assimileren.

Ds. Landsman brengt dan ook 'de verzoening' der ambten ter sprake. Hij zet achter dit onderdeel van zijn bijdrage nog wel een vraagteken, omdat er 'een misschien gering en niet wezenlijk verschil in waardering als 'rest' overblijft, die nog niet in het wederzijdse begrijpen en beleven kan worden opgenomen, vanwege de door deze rest gevormde rationele en gevoelsmatige barrière, die de kerken tot nog toe gescheiden houdt’.

Over het priesterlijk karakter van het kerkelijk ambt, waaraan zowel de Rooms-Katholieke prof. Lescramwaet als de Hervormde dr. P. A. Elderenbosch zoveel aandacht schenken zou ik graag nog iets meer zeggen.

(Slot volgt)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Intercommunie en ambt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's