In antwoord op brieven
Zeer veel brieven bereiken ons wekelijks van lezers, die op één of andere wijze reageren op artikelen. Dat waarderen we zeer en de lezers zullen er begrip voor hebben, dat we er eenvoudig niet aan kunnen denken al dergelijke brieven met een persoonlijk schrijven te beantwoorden. Dat kunnen we slechts doen wanneer er een uitdrukkelijke aanleiding voor is. De meeste brieven nemen we dankbaar voor kennisgeving aan, andere zijn soms aanleiding voor een artikel, in bepaalde gevallen is het gewenst op de inhoud van brieven direct in te gaan en er in een artikel op te reageren. Dit laatste willen we deze week doen en wel naar aanleiding van veel brieven, die geschreven werden naar aanleiding van ons artikel 'De wacht bij de belijdenis.'
Vragen
De inhoud van genoemde brieven varieert heel sterk, maar bij alle reacties ging het om wat we schreven over de EO. We merkten in genoemd artikel op, dat we bij samenwerking tussen aan de confessie gebonden kerkelijke groeperingen en niet aan de confessie gebonden vrije groepen - wat immers in de EO plaats vindt - niet alles kritiekloos moeten aanvaarden, wat via de ether geboden wordt. Vele briefschrijvers betuigden hun instemming daarmee, in 't besef dat het een vriend is die de feilen toont. Anderen waren het met de inhoud eens maar vroegen zich af of het zwart op wit had moeten worden gezegd. Weer anderen waren het niet met de inhoud eens en weer anderen zeiden: wanneer we eigen kring doorlichten dan zou er ook heel wat te zeggen.
De intentie
Dankbaar ben ik, dat vrijwel alle briefschrijvers de positieve bedoeling van mijn artikel hebben beseft. We zullen niet alles herhalen wat we schreven. Wat over de EO werd gezegd was slechts een toespitsing van wat in breder kader stond: de toenemende invloed van vrije groepen en de daardoor merkbare wijziging in de godsdienstige beleving ook in kerkelijk gereformeerde kring. Wie, als ondergetekende, de EO bepaald een goed hart toedraagt, moet ook de eerlijkheid kunnen opbrengen om tendenzen te signaleren, die men als schadelijk ervaart. Het zou onwaarachtig zijn als we in het kerkelijk leven telkens opkomen voor het recht van de belijdenis en we in ander verband er geen enkele moeite mee zouden hebben alles te aanvaarden van anderen, die niet alleen komen uit vrije kringen, die de belijdenis niet aanvaarden, maar die zich tegen de belijdenis en de inhoud daarvan ook duidelijk verzetten.
wie in schoolverband en bij allerlei verenigingen opkomt voor een grondslagformule met de Drie Formulieren van Enigheid (en hopelijk is dat dan méér dan een formele kwestie), die kan niet doen of zijn neus bloedt wanneer in ander verband de confessie opeens niet mee zou doen. Welnu, vanuit die gezichtshoek hebben we geschreven.
Uit de brieven
Alvorens er nu nog iets over te zeggen geef ik eerst enkele passages uit brieven met vragen hierover (we kunnen slechts een kleine selectie maken).
Een briefschrijfster zegt:
’Eén ding heb ik wél geleerd, dat de belijdenis-geschriften ons niet zalig maken. Het is een geweldig bezit, maar God is geweldiger ! En wat verstaat een mens in nood die de naam van de Here Jezus niet kent, daarvan ? Mogen, ja moeten we die in de allereerste plaats niet wijzen op het Lam Gods ? Johannes de Doper deed dat en de Here Jezus Zelf ook.
Persoonlijk ben ik geen radio-en ook geen T.V.-mens. Maar wél vind ik het een wonder, dat de E.O. er is gekomen en ik geloof op het ootmoedig gebed. De E.O. spreekt mensen (vaak buiten-en randkerkelijken) aan in hun eigen taal. Wat een mogelijkheden voor mensen, die de belijdenis-geschriften niet kennen, maar wél een Redder nodig hebben. God gebruikt de E.O., daarvan ben ik overtuigd, dat geloof ik zeker. En uit uw stukje meen ik dit ook te mogen lezen.
Ook geloof ik in het wonder van de omkering in het leven van Gert en Hermien. God werkt met Zijn Geest onwederstandelijk en Hij heeft vele mogelijkheden om mensen tot bekering te brengen'. (...)’
Een ander schrijft:
’(. . .) ik dacht aan de woorden van de Here Jezus, als Hij zegt: 'Ik zal u vissers van mensen maken'. Dan weten we dat men voor de haringvisserij andere netten nodig heeft dan voor platvis en tong, paling of zalm. De Here zegt er niet bij dat het vangen verschillend moet zijn. Als ze maar 'gevangen' worden, en . . . als de 'Opgestane Heere' maar op de oever staat. Of je dan liever van Paulus, Apollos of Cefas bent is niet de hoofdzaak, maar of je de liefde tot Christus in't hart draagt (. . .).
(. . .) Dr. W. Aalders zegt: 'De meeste bekeringen vinden plaats op de Bijbelkringen en worden daarna overkoepeld door de kerk, met Woord en sacrament als voedingsbron. Zo heb ik zelf dat ook ondervonden. In het éérste klasje, na de blijde ontmoeting met de Heiland, dan gaat het groeien 'opwassen' noemt de Bijbel dat, soms door de diepste diepten heen. Maar daar zorgt God Zelf voor, door Zijn Heilige Geest (. . .)’
Weer een andere brief zegt:
'Ik ben leraar aan een Chr. M.A.V.O. die voor de helft bemand wordt door Ger. Gem.collega's. De andere helft bestaat uit Geref. Bonders, één Chr. Geref. en één N.H. (midden-orthodox). Er zijn echt wel meningsverschillen t.a.v. het geloof, zelfs op (een) fundamenteel (ele) punt(en), maar een feit is het dat we ons - als het er op aan komt - kunnen vinden in één gemeenschappelijke basis: de kern van het evangelie. Niet te vergeten is de onderlinge band erg belangrijk. De liefde die er moet zijn om samen te werken. Zij is immers toch de meeste van 'de drie’ ?
Van een tweesporigheid in de E.O. is er m.i. geen sprake. Wel komt het mij voor-ik moet dat eerlijkheidshalve erkennen - dat er van een pinksterachtige stroming sprake is. Toch - ondanks bezwaren tegen deze stroming - zou ik graag willen dat er iets van de blijdschap van het geloof (een christen is immers een blij mens, dat kan niet missen !) - die vaak te vinden is bij groepen als Youth for Christ - in onze N.H. Kerk, m.n. ook in de Geref. Bond te vinden zou zijn. Het is bij ons zo vaak vrijblijvend. Om dan aanmerkingen te maken op jeugdige zangers(essen) die op een wat andere manier dan wij gewend zijn met blijdschap te getuigen van hun geloof-nogmaals: ook al doen ze dat dan op een voor ons wat on-orthodoxe manier-is niet billijk (. . .)
Een neger belijdt zijn geloof dikwijls anders (emotioneler) dan wij. In zijn negro-spirituals is bij hem vooral het verlangen naar de hemel aanwezig (daar is immers échte vrijheid !). Je kunt nu dan toch niet beweren dat dat voor ons 'confessioneel' niet herkenbaar is ? Weet u wat het m.i.vooral is: het past veeleer niet in ons orthodoxe straatje. Dat is het. Want dat verlangen om bij God te zijn is wel terdege een bijbelse notie.
Ik heb vele boeken van Maria Rosseels gelezen. Zij is een Vlaamse R.K.-romancière. Wat een diep Bijbels gefundeerd geloofsleven spreekt uit haar boeken. Ze mag wat mij betreft zondags naast me in de kerk zitten, want ik voel me ondanks verschillen geestelijk met haar verwant op grond van het Woord. (. . .)’
Een oude dame schrijft:
'Wat jammer vond ik het toen u dat schreef van Gert en Hermien in de Waarheidsvriend. Het was me wel uit het hart gegrepen wat u schreef over die popmuziek. Voor mij is het niet nodig die dikke Amerikaan en die zangeresjes te laten zingen.(. . .)
Ik heb nog een kennis een echte christen maar heb nog fam. die Rooms Katholiek zijn en ook graag naar de E.O. kijken, maar ook jammer vinden van die popmuziek.’
Een volgende briefschrijfster:
'Wat betreft de Evang. Omroep het volgende. Deze omroep heeft naar mijn vaste overtuiging de Bijbel als Gods Woord hoog in haar vaandel en inderdaad niet de Dordtse Leerregels, maar wat is nu belangrijker de Bijbel als Gods Woord of de Dordtse Leerregels, hoe belangrijk die ook zijn ! Heb ik het verkeerd begrepen als ik schrijf dat de Confessie te hoog wordt aangeslagen binnen de Geref. Bond ?
We moeten toch altijd vragen: Wat zegt de Bijbel. Hiermee wil ik de Confessie helemaal niet overboord zetten of iets dergelijks zoals tegenwoordig gepropageerd wordt, maar die overdreven voorrang die ze naar mijn mening teveel binnen de Geref. Bond geniet, begrijp ik niet. (. . .)
Wat betreft het laatste gedeelte van uw artikel: Twee werelden van godsdienstige beleving ontmoeten elkaar. Ik zie hier twee werelden, die naar ik hoop één zijn in de Geest. Dat kan toch ?
Ik dacht dat u moest schrijven: Een groot goed, het grote goed ons in de Bijbel gegeven, want de E.O. stelt zich wel duidelijk onder het gezag van Gods Woord en dat is m.i. belangrijker dan de confessie.
Dan zijn er geen twee werelden meer van godsdienstige beleving, maar scharen allen zich rond Gods Woord als zondaren, daarin zijn we toch allen gelijk ? Ik geloof dat we moeten oppassen dat de eenheid niet ten koste gaat van de waarheid, maar ook dat de waarheid niet ten koste gaat van de eenheid'.
Een ander schrijft:
’Met veel van uw opmerkingen ben ik het in zekere mate eens, maar kunt u alles staven wat u de EO in de schoenen schuift ? Bv. de liederen van maar 'lief zijn en lievigheid' en 'een zoete lieve Jezus' ? Ten opzichte van Gert en Hermien zond ik naar de EO al ruim een jaar geleden een schrijven met dezelfde strekking als waarmede u hen kwalificeerde. Maar moet dit alles nu maar uitgebreid gepubliceerd worden ?
Ervarende dat er meerdere GB-predikanten zijn die je vanwege hun oppervlakkig preken graag vooreen Vrij Evang. of Baptist eens zou ruilen, dan denk je; Is er geen reden te over in eigen kerk en bond te wieden en die oppervlakkigheid (met de D.L. in de hand) eens te noemenen te bewenen van welk een verworden kerk we lid (moeten ? ) zijn. De grondslag van de EO rust niet op de D.L., al zou ik erg blij zijn als dit bij de oprichting zo geweest was.’
Dezelfde schrijver zegt:
’Met het zgn. 'pal staan voor de waarheid' kan er zoveel verkeerd gaan. 'k Was jarenlang kerkeraadslid in de Chr. Geref. Kerk hier en maakte mee dat tenslotte geen 10 predikanten uit de Chr. Geref. Kerk meer degelijk genoeg waren om te komen preken. Allemaal vanwege de 'Waarheid'. Nogmaals, dit gaat niet tegen u, maar als je zo het een en ander hebt meegemaakt ben je bang dat er wel weer eens iets mis kon gaan.’
Weer een andere briefschrijver wijst op afwijkingen van de belijdenis ter rechter zijde'. En tenslotte uit een Ingezonden stuk voor het Hervormd Weekblad waarin een deel van mijn artikel werd overgenomen:
’De jaren zestig zijn gekenmerkt door geweldige jeugdaktiviteiten. Het leek wel alsof men de na-oorlogse opbouwjaren zat was. De jeugd ging drammen tegen alles. En ook het christelijk geloof moest het hevig ontgelden. Men was het zat om in een christelijk keurslijf te lopen; men trok het uit op zoek naar andere kleding. Ook de muziek vond haar revolutionairen in Bob Dylan, de Rolling Stones en de Beatles. Langzamerhand werden alle facetten van de maatschappij erbij betrokken en bouwde men een nieuwe cultuur op. Gode zij dank zijn velen van deze 'sub-cultuur' in aan raking gekomen met Christus en hebben zij zich tot Hem bekeerd. In de muziek vond dit haar neerslag in christelijke teksten, die voorheen vaak maatschappij-dodende waren. De instrumenten, zoals de drum en de gitaar en het swingende orgeltje bleven gehandhaafd, omdat dat nu eenmaal een stukje was van hun cultuur.
Heden ten dage wordt dit religieuze popmuziek genoemd. Ik noem het christelijke popmuziek.
De opwekkingsmentaliteit - ja, ik zie niet in wat daaraan fout is. Ik geloof dat Christus niets anders wil dan dat wij opgewekt worden en opwekken. Of niet ?
Maar ook deze opwekkingsmentaliteit moeten we niet loskoppelen van de jaren zestig. Die jongeren, die fanatiek tegen alles streden, hebben hun karakter behouden en zullen ook als christenen weleens een grote mond hebben. Zij zijn vaak na hun bekering opgenomen in typische opwekkingsgemeentes, zoals sommige baptistenkerken en pinkstergemeentes. De orthodox, gereformeerde kerk heeft naar mijn weten-, noch in Amerika, en zeker niet in Nederland moeite gedaan om de verloren kinderen weer terug te halen. Misschien wel dat de wil aanwezig was, maar men wist er eenvoudig geen weg mee. Het was dan ook moeilijk voor veel van die gereformeerde kerken om na een aantal jaren schelden op het 'langharig tuig' hen opeens te begroeten als Broeders en Zusters in de Heer. Veel kerken vonden dit zo moeilijk dat zij het maar niet gedaan hebben.
Kort commentaar
Tot zover de reacties van enkele briefschrijvers. We herhalen niet meer wat we eerder schreven maar gaan op enkele punten nader in.
1. De Evangelische Omroep heeft de laatste jaren grote invloed gekregen - méér dan de tegenstanders van deze omroep voor waar willen hebben - niet alleen door de uitzendingen maar ook door andere activiteiten. Dat is een zegen.
De gevolgen zijn merkbaar, ook binnen de NCRV, waar de bezinning ten aanzien van de C niet alleen op gang kwam maar ook effect heeft gehad. Gegeven dit alles zullen we er echter goed aan doen, terwille van onszelf niet alleen maar vooral terwille van de EO zélf en terwille van haar invloed in ons volksleven elkaar positief kritisch te begeleiden. Dit temeer daar het niet vanzelfsprekend is dat zó uiteenlopende kringen elkaar hier zó hebben gevonden.
2. Mét briefschrijvers, die de evangelisatorische opdracht benadrukken en derhalve oog willen hebben voor een op rand en buitenkerkelijken gerichte methode van benadering, zeg ik: géén methode is gauw genoeg om de boodschap bij de mensen te brengen. Dat de EO in dit opzicht veel en goed werk doet is buiten kijf. En wie zal uitmaken langs welke wegen mensen, komend uit de wereld van verslaving en verdoving, van de onderwereld en de jungle, komen tot vernieuwing van het leven ? Waar het gebeurt is er blijdschap in de hemel. En die blijdschap zullen wij niet keren. Maar er is ook een zekere religieuze 'kitsch' - ik gebruikte en gebruik deze uitdrukking héél bewust-die, wanneer die de evangelisatiemethode zou gaan bepalen (en tegelijk de methode voor het bieden van verstrooiing) de secularisatie niet tegengaat maar - en dat in mijn diepste overtuiging - eerder bevordert. Het evangelie is ook in de evangelisatie methode te hoog en verheven dan dat we er popperig mee om mogen springen. Wanneer ik over Amerikanisme sprak bedoel ik dit. Bijna wereldse liedjes met ergens een hint naar Jezus of een 'Jezus loves you' dat nergens diepte van aarde heeft. Zulke methoden zijn er en ik draag de EO een te goed hart toe dan dat deze omroep, die tot hier zoveel goeds heeft betekend, daarop zélf op de duur stuk zou lopen. Algemeen kan men vernemen, dat de radio uitstekende, opbouwende, evangelisatorisch verantwoorde programma's biedt (ik meen ook dat de meeste briefschrijvers zich daarop oriënteren) maar dat de TV, naast goede programma's als van Nader Bekel^n e.a., soms afstoot vanwege goedkoop Amerikanisme, reli-pop hippe jongelui met oppervlakkige liedjes. Er zijn mensen voor wie, zelf nog los van evangelisatie, dit de godsdienstige uiting en beleving bij uitstek wordt.
3. We hebben geschreven over Gert en Hermien manie. Wat we daarmee bedoelen ? Niet dat deze mensen, die hun stem van de Schepper hebben ontvangen, niet zouden mogen zingen. Maar wél dat de veelvuldigheid, waarmee deze twee mensen in de ether waren of in landelijke bijeenkomsten - en dan niet alleen met zang maar ook met verkondiging - overmatige proporties had aangenomen. Daarover is al eerder van verschillende zijden iets gezegd. 'Laat het eerst eens overwinteren', placht men vroeger bij plotselinge veranderingen in een mensenleven nog wel eens te zeggen. Van deze deugd van de voorzichtigheid was hier weinig te merken.
4. De belijdenisgeschriften maken niet zalig, schreef iemand. Dat is waar ! Ik ben er ook diep van overtuigd, dat er mensen zalig worden in kringen, die de belijdenisgeschriften niet hebben, maar die, door de aanraking met het Woord door de kracht van de Heilige Geest, leerden ontdekken wie zij zijn voor een heilig God en wie God desalniettemin wil zijn voor onheilige mensen. Ik ben er even diep van overtuigd, dat mensen met een dode orthodoxie, met een belijdenis in de mond en in de hand verloren kunnen gaan. Ik ga nog een stap verder door te zeggen dat ik weet van de grote nood, die hier in de 'orthodoxie-met de-belijdenis' ligt. Er is de crisis van de zekerheid des geloofs, de crisis ook van het 'is het wel voor mij' ? En als men ons dan ook nog voorhoudt ontsporingen onder ons of oppervlakkigheid ook in eigen kring dan ga ik geen verdediging schrijven. Maar wél zeg ik, dat in de belijdenis naar de Schriften betuigd wordt hoe mensen zalig worden, wat de grond is van het behoud, hoe de Geest, die van de Vader en de Zoon uitgaat, werkt. We moeten in een samenwerkingsverband, waar deze belijdenis niet de grondslag vormt, nu niet gaan doen alsof voor ons de belijdenis en de religie ervan er opeens niet meer toe doen. Anders zou het Jcunnen zijn dat we toch, langs wegen van geleidelijkheid, in geestelijke wateren komen, waar onze vaderen zó hun moeite me hebben gehad, dat ze het nodig vonden er belijdend tegen te spreken. Het bederf van het beste kan dan gemakkelijk in het slechtste ontaarden.
Daarom is mijn slotconclusie: bij alle dankbaarheid over wat er ook en juist door de omroep geboden worden, blijve er het elkaar eerlijk aanspreken op wat onze diepste overtuiging is. En voor ons is dit toch wel: de religie van onze belijdenis, met afgrendeling naar Rome en de Remonstranten, van welke aard of inslag dan ook.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's