De bekende weg
Hij heeft u bekend gemaakt, o mens, wat goed is; en wat eist de Heere van u, dan recht te doen. Micha 6 vers 8a
De vraag: Wat en waarmee? staat nog levensgroot voor ons. Wat heb Ik u gedaan en waarmee heb Ik u vermoeid ? Zij dwingt ons tot overwegen en antwoorden. Tot getuigen, hoe dan ook. Laat Israël desnoods een aanklacht tegen de Heere indienen, Hij zal die zeker ontzenuwen. Wat de Heere deed: hen bevrijden ! En waarmee: met Zijn sterke arm. O, mijn volk, wat blijft er van uw aanklacht over, als de feiten spreken, wordt ze uiteengerafeld. Wanneer deze vraag tot ons doordringt, kunnen we er twee kanten mee uit. Wij kunnen volhouden dat de Heere ons vermoeide met Zijn eisen, dat Hij ons overvroeg. Wij kunnen ook tot inkeer komen, door de mand vallen, de Heere gelijk geven. Waarschijnlijk is dit laatste met Israël het geval. Het volk wendt zich tot de man Gods, die hen de waarheid gezegd had. Zij vragen hem, op hun beurt: Waarmee. Zij deden kwaad, waarmee maken ze het weer goed.
Heel persoonlijk klinkt hun vraag: mijn overtreding, de zonde van mijn ziel. Er is al heel wat gewonnen als wij tot het inzicht komen: eigen schuld. Daarmee rechtvaardigen wij de Heere en veroordelen ons eigen leven. We komen dan in de klemmende nood: hoe komt het in orde, hoe kom ik in het reine met God. We willen er wat aan doen, we willen er wat voor doen. De Heere tegemoet treden, gaat zo maar niet. Het gaat in geen geval met lege handen, omdat de Heere bevolen heeft: Men zal niet ledig voor Mijn aangezicht verschijnen.
Nu naderen zij, gebogen onder de zware last van hun gaven, hun offergaven. Hele kudden drijven ze voor zichuit; desnoods geven ze hun eigen kind. Daar zit iets overdrevens in, toegegeven; maar pas hij die moet aanzuiveren ziet hoe groot de schuld is. Waarmee, dat is een hartekreet. Niets is hun te veel; en toch, misschien is het wel nooit genoeg. Ze zijn bereid alles uit te leveren, ze hebben er alles voor over. Wat wil de Heere nog meer. Als ik dit met u lees, bekruipt mij toch de vrees, dat er iets niet deugt in hun houding tegenover de Heere. Zijn ze wel helemaal eerlijk ? Offers bij de vleet, en ondertussen zichzelf achter de hand houden. Al wat iemand heeft geeft hij voor zijn leven, dat wil hij niet verliezen. Zodra we vragen: waarmee, dreigt daar een misverstand. De Heere wil niet het uwe, maar u.
Daarom gaat Micha niet op hun voorstellen in; hun loven en bieden bevalt hem niet. Vergroten zij hun aanbod, dan verraden ze daardoor hun innerlijke onzekerheid. Hij veegt hun vraag, waarmee? weg. Niet omdat die niet ernstig gemeend was, maar omdat hij niet ter zake is. Hij spreekt met hen over het 'wat'. O mens, oude adamist, wat wringt ge u toch in allerlei bochten. De weg des Heeren is een rechte weg. Wat! Hij ziet olie op de golven. Zijn antwoord is nuchter: Hij heeft u bekend gemaakt, o mens wat goed is.
Het wordt steeds moeilijker te weten wat goed is. De overgeleverde normen en vormen voldoen niet meer voor de samenleving van vandaag. Wij tasten in het duister; we drijven stuurloos met de stroom mee. Goed en kwaad, zoek dat maar eens uit. We verkennen het terrein vol voetangels en klemmen, en we zetten de voeten op het 'gangbare' pad. Anderen doen dat ook, en bij iedere stap zeggen wij: zo kan het ook, is dat nu kwaad? Sinds wij uitmaken wat goed en kwaad is, lijden wij aan een kwaad geweten. Ook dat geweten laat ons in de steek. Ieder denkt er over, naar het hem goeddunkt en gedraagt zich dienovereenkomstig. Goed.wordt als kwaad gehekeld en kwaad wordt als goed verheerlijkt. Zo is het nu eenmaal. O mens, schepsel Gods, wat houdt ge u van de domme.
Hij heeft u bekend gemaakt. De Heere sprak er zich over uit. Wij kunnen ons niet verschuilen achter een mistroostig: wij weten het niet, we doen maar wat, we rommelen maar wat aan. Wij kunnen het weten, we vragen eigenlijk naar de bekende weg. Uit gemakzucht? Dat ook, want als we de weg weten, moeten we die gaan. Dat willen we niet, en we veranderen het niet willen in een niet weten. De ongehoorzaamheid verbergen wij achter onwetendheid. Weten, maar niet willen. O nee, we willen wel, maar we weten niet. De Heere doorziet ons listig bedrog. Het is u bekend gemaakt, verklaart Hij.
Wij weten het niet, omdat ons geweten het ons zegt. Vandaag beroept men zich op het geweten, terwijl men eigen wil en onwil bedoelt. Wat is het geweten, als het z'n inhoud niet aan de wet ontleent? Elk wat wils! Ook waar het geweten ons niets verwijt, omdat het een weerhaan werd, die met iedere wind meedraait, stelt de wet haar eis. En wat eist de Heere van u. Dat komt ons niet gelegen, de Heere legt het ons voor. Hij wil dat we het weten. Hij liet het ons weten in Zijn wet. Dat is niets nieuws; reeds lang geleden en nog steeds geldig. Maak het niet zo ingewikkeld: waarmee en wat? De vraagtekens zijn overbodig. Hij heeft! Het is geen geheim waarnaar we moeten raden, wat goed is en dat God eist wat goed is. Het gaat niet om uw aanbod, al zou u dat ernstig menen; het gaat om Zijn gebod, zo eenvoudig is het, om te beginnen. Goed en kwaad worden niet uit de ontwikkeling van de samenleving verklaard, ze zijn verankerd in de wet Gods. De wet is een licht dat de ban van de duisternis breekt en een lichtend spoor trekt, een licht op het pad, een lamp voor de voet. Goed is niet nuttig, niet prettig, niet wat ons past en waar wij ons bij aanpassen. Goed is heilzaam. Wat heilzaam is zegt de Heere in ronde woorden. De vraag is niet of u het weet maar of u het doet. Gehoorzaamheid is beter, heilzamer dan offerande. De wet schept orde in de chaos. Levensorde. Wat eist de Heere van u, dan recht te doen. Micha zag ontstellend veel onrecht. Wie de macht heeft heeft het recht om . . . Om zich meester te maken van de akkers der armen. Om rechtspraak tot een geldzaak te maken. Leest u het maar eens, het is een droevig verhaal, dat Gods verontwaardiging wekt. Het is goed, dat ook wij daarover verontwaardigd zijn. Goed doen is recht doen. Wij schermen tegenwoordig graag met rechten. De rechten van de mens. Het recht op . . . Het recht om ... De afschuwelijkste dingen worden in dat zogenaamde recht gefundeerd. Wie zal ontkennen, dat er veel onrecht geschiedt onder de zon, dat de schreeuw der ontrechten ons de oren scheurt.
En toch. Het gaat hier niet om onze rechten. Het gaat ook niet over ieders goed recht. Het gaat over het recht des Heeren. Zijn rechtsordening, zijn rechtsvordering. Wat ons door Hem werd voorgeschreven. Onze rechtschapenheid speelt daarin geen rol, want die rechtschapenheid, o mens, is een hersenschim. Het wordt niet aan ons overgelaten wat recht is; in de naam van het recht wordt het gruwelijkste onrecht bedreven. Hij heeft u bekend gemaakt. Het is Zijn recht. Ook het sociale recht, het publieke, wilt u het politieke, en het private recht is afgeleid van en gefundeerd in het recht des Heeren. Het is goed, dat in ere te houden. Dat te doen.
Vindt u dat niet stichtelijk genoeg? De Heere houdt het recht doen voor hoogst stichtelijk. Het is verbondsrecht, alle levensverhoudingen zijn er bij gebaat. Daarom maakte Hij het ons bekend.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's