De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Calvijn over Woord en Geest

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Calvijn over Woord en Geest

10 minuten leestijd

Calvijn die meer dan Luther een systematicus is geweest heeft wat de hoofdzaken betreft op gelijke wijze als Luther zich uitgesproken over de verhouding van Woord en Geest, maar toch heeft hij aan deze voorstelling wel een eigen vorm gegeven en heeft hij er enkele dingen aan toegevoegd.

Hij heeft dat gedaan naar de regel die men in heel zijn theologisch werk tegenkomt dat men vaak niet mag scheiden maar wel moet onderscheiden.

Woord en Geest mogen niet van elkaar gescheiden worden, wat de ernstige dwaling van de dwepers, fanatici, geestdrijvers is geweest. Maar men mag evenmin Woord en Geest laten samenvallen. Er is tussen Woord en Geest en tussen hun beider werking onderscheid. Bij Calvijn is er iets meer dan bij Luther enige distantie tussen beide; iets wat de lutheranen hem niet in dank hebben afgenomen.

Wij willen dit in dit artikel op een paar belangrijke punten aantonen; en wij hebben het dan steeds eerst over het niet scheiden en daarna over het onderscheiden.

Geest en Schrift

De Heilige Schrift is door de Heilige Geest geïnspireerd. Niet alleen de schrijvers van de bijbelboeken zijn geïnspireerd geweest, ook de Schrift zelf is het. Zeker, de bijbelschrijvers waren geïnspireerde mensen, de Geest Gods bezielde hen, leidde hen, gaf hen de woorden die zij spreken moesten in de mond. Maar de Geest Gods heeft ook hun pen bestuurd toen zij teboek stelden wat ons in de Schrift is overgeleverd. Zegt niet de Schrift zelf dat al de Schrift van God ingegeven is (2 Tim. 3 : 16)? Calvijn heeft vaak krasse woorden gebruikt om deze inspiratie van de Schrift tot uitdrukking te brengen. Hij noemde de bijbelschrijvers dan secretarissen of notarissen van de Heilige Schrift die opschreven wat de Geest hen dicteerde.

Al heel wat theologen hebben getracht dit wat af te zwakken, b.v. door de opmerking te maken dat Calvijn hier in beelden heeft gesproken. En zeker, dat valt niet te ontkennen, maar het mag ons, naar wij menen, niet over het hoofd doen zien dat aan deze beelden wel degelijk een bepaalde werkelijkheid ten grondslag ligt en die werkelijkheid is dat de inspiratie van de Geest ook op het geschreven Woord betrekking heeft.

Zo is er dus in het denken van Calvijn een heel nauwe relatie tussen Geest en Schrift. De Schrift is het eigen boek van de Geest. Er is een ander boek dat ook maar enigermate vergelijkbaar is met de Schrift. De Heilige Schrift is een uniek boek. Zij heeft een uniek gezag. De Heilige Schrift dient gehouden te worden, zegt Calvijn, voor een oraculum Deï, een Godsspraak. Zij presenteert zich aan ons als het Woord Gods. Zij wordt dat niet pas door ons geloof, gelijk velen in onze tijd lijken te willen beweren; zij IS het, wegens goddelijke ingeving. Al zou op heel de wereld geen mens de Schrift houden voor het Woord Gods tóch is zij het.

Geest en Schrift mogen dus niet van elkaar gescheiden worden. Maar wel zal men ze van elkaar moeten onderscheiden. De Geest heeft zich niet in de Schrift opgesloten. Al blijft Hij Zijn Woord trouw en al heeft Hij Zich zelfs vrijwiUig aan de Schrift gebonden, er blijft enige distantie.

De Schrift is bij Calvijn het instrument van de Geest, Hij maakt gebruik van de Schrift, bedient Zich van de Schrift.

Evenals Luther heeft ook Calvijn tegenover de geestdrijvers de betekenis en het gezag van de Schrift sterk naar voren gebracht. Eindeloos heeft hij er op gehamerd dat wij leerlingen, discipelen van de Schrift moeten blijven. Al wat God ons te zeggen heeft gehad heeft Hij gezegd in Zijn Woord.

En toch: aan de Schrift alleen hebben wij niet genoeg; wij hebben ook de Geest nodig. Dit heeft Calvijn dikker onderstreept dan Luther gedaan heeft. Terwijl Luther geneigd was om uitsluitend te spreken over de overmacht van het Woord, heeft Calvijn, die ook deze overmacht kende en beleed, iets meer oog gehad voor de schrikbarende weerbarstigheid van het menselijke hart, die overigens ook door Luther bepaald niet ontkend werd; en daarom legde hij wat sterker nadruk op het werk van de Geest.

Er komt bij dat Calvijn wat dieper dan Luther doordrongen is geweest van wat de Schrift zegt van een verkiezend en verwerpend handelen van God. Luther, in zijn geweldige vreugde over het herontdekte Evangelie, was minder dan Calvijn geneigd een scheidslijn door het menselijk geslacht te trekken.

Op grond van zijn verkiezingsleer onderscheidde Calvijn een uitwendige en een inwendige roeping, al hield hij die twee dicht bij elkaar (niet scheiden maar onderscheiden) en in dat verband sprak hij dan over het Woord als de magister externus (uitwendige leraar) en de Geest als de magister internus (inwendige leraar), maar alweer: zonder die twee te scheiden.

Calvijn heeft hiermee toch niet afbreuk gedaan aan het sola scriptura (alleen de Schrift). Tegenover Rome dat zich op allerlei menselijke tradities beriep stelde ook hij: alleen de Schrift! Maar tegelijk wist hij dat wij om de Schrift te erkennen, te geloven, de werking van de Heilige Geest nodig hebben.

Calvijn heeft dat uitgewerkt in zijn leer van het innerlijk getuigenis van de Heilige Geest (testimonium internum spiritus sancti).

Het werk van de Geest in de harten der gelovigen is het verzegelen van het Woord Gods dat tot hen komt. Het Woord is er eerst maar dan is er ook de Geest om dat Woord vast te maken in onze harten. Daardoor krijgt het voor ons een ontwijfelbare zekerheid.

De Schrift zelf komt als goddelijke waarheid op ons af, voor Luther was dat voldoende, maar wil zij waarheid worden in ons, zo zei Calvijn, dan moet de Geest wat de Schrift zegt vast maken in ons.

Dit verschil tussen Luther en Calvijn is naar mijn oordeel minder groot dan men vaak heeft voorgesteld, ik houd het voor een iets andere beklemtoning. Immers, ook Calvijn wist van de overmacht van het Woord, en ook Luther wist van het werk van de Geest; maar men kan of het een of het ander wat sterker benadrukken.

Geest en prediking

Ook deze twee heeft Calvijn niet van elkaar willen scheiden. Wie leest wat hij allemaal over de prediking heeft gezegd en hoe hoog hij haar heeft aangeslagen zal moeilijk kunnen volhouden dat hij de prediking zou hebben ondergewaardeerd als ware zij slechts dit of dat en in ieder geval niet het eigenlijke waar het op aankomt.

Om een paar dingen in dit verband te noemen. Krasse woorden vindt men bij Calvijn als hij het heeft over de prediking als bediening der verzoening. De algemeen bekende uitdrukking dat in de prediking het bloed van Christus druppelt op de schare, zegt in dit verband heel wat.

Op een andere plaats zegt hij dat in de prediking 'Christus ons wordt medegedeeld'. In het gewaad van Zijn Woord komt Christus tot ons, de Geest deelt Hem aan de gelovigen mee, onder het Woord.

Treffend zijn ook de uitspraken die Calvijn gedaan heeft over de bediening van de sleutelmacht in de prediking.

Al deze uitspraken verhinderen ons dat wij ooit zouden kunnen zeggen dat Calvijn de bediening van het Woord Gods en de Geest van elkaar zou hebben gescheiden; hij hield beide heel dicht bij elkaar.

Calvijn heeft het leven des geloofs verstaan vanuit de bediening van Woord en sacrament. Daar waar Woord en sacrament bediend worden doet de Geest Zijn werk. Daar bekeert Hij zondaren, brengt Hij zondaren tot het geloof, leidt en leert Hij de Zijnen.

Daarom zit er iets 'directs' in Calvijns prediking, alsook in zijn beschouwingen over de prediking. Hoe menigmaal spreekt hij niet in zijn preken en elders over het gedaagd worden voor de rechterstoel Gods. En dat is dan hier en nu. Hier en nu, onder het Woord, worden wij zondaar, hier en nu, onder het Woord horen wij de Vrijspraak door Christus.

Calvijn heeft zich niet vastgelegd op een eenmalige bekering. Het hele leven is bekering. Onder het Woord Gods word ik altijd weer geroepen tot bekering. Ik kom daar altijd als zondaar. Ik mag daar ook steeds weer horen de genadeverkondiging. De prediking van het evangelie is naar haar wezen genadeverkondiging, bediening der verzoening.

En toch, bij Calvijn ook op dit punt eveneens de onderscheiding. Het gebeurt niet automatisch. Niet ieder ontvangt wat het Woord biedt. Ik kan ook leeg naar huis gaan. Maar de schuld wordt dan gelegd door Calvijn bij mij. Bij mijn ongeloof en onbekeerlijkheid.

Calvijns visie op de verhouding tussen Woord en Geest heeft men gebracht op deze formule: De Geest werkt mét het Woord (cum verbo). Zoals een slingerplant zich rankt rondom een boom of struik zo beweegt zich het werk des Geestes rondom het Woord.

In die gedachtengang past wat Calvijn gezegd heeft over de voorbereiding op het horen van het Woord. De Geest moet ons er op voorbereiden. Alleen, bij Calvijn vallen deze voorbereiding en het horen niet temporeel, dus wat tijd betreft, uit elkaar; het kan alles in enen gebeuren, maar toch is er onderscheid. Bij hem niet de leer van een 'voorbereidende genade' gelijk in de middeleeuwen en later in het Pietisme.

Het werk des Geestes buiten het gepredikte Woord om krijgt bij Calvijn geen aandacht. Dat is de diepste reden waarom bij hem de zogenaamde classificatiemethode ontbreekt. In zijn preken vindt men wel de tegenstelling gelovigen en ongelovigen, verkorenen en verworpenen, en ook wordt wel gesproken over verschillende soorten van hoorders beiderzijds , maar zij vormen geen welomschreven klassen, met eigen bevindingen of gebrek aan bevindingen.

Van lutherse zijde heeft men meermalen Calvijn verweten dat hij Woord en Geest teveel van elkaar zou gescheiden, losgemaakt hebben. In dat verband speelde dan weleens een rol een uitspraak van Calvijn als de volgende: 'Tevergeefs biedt zich het licht aan de blinden aan, als niet de Geest de ogen van hun verstand opent’.

Laten wij bij deze uitspraak, omdat zij typerend is voor Calvijn, een paar opmerkingen maken. Heel duidelijk is er in de noodzaak van een werk des Geestes in zondaarsharten. Wij zijn 'blinden', kunnen als zodanig 'het licht' niet zien. De Geest zal eerst de 'ogen van het verstand' moeten openen. Wij gebruiken nu zelf het woordje 'eerst', het ligt zo voor de hand om het te gebruiken, en toch is het de vraag of het Calvijns bedoeling weergeeft. Zo vaak komt men bij hem tegen de formulering: Tevergeefs.... tenzij....

Deze formulering drukt meer een zakelijke volgorde uit dan een temporele. De woorden 'eerst' en 'dan' die men verwachten mag als het gaat om een temporeel verschil, worden, heel kenmerkend, door Calvijn niet gebruikt. Zo zit er een zekere spanning in Calvijns beschouwing omtrent de verhouding Woord en Geest die wij niet er uit mogen weghalen. Hij heeft Geest en Woord in geen geval willen scheiden, maar hij heeft ze wel onderscheiden. Men kan het ook omkeren: Hij heeft beide onderscheiden, maar dat betekent in geen geval dat hij beide heeft willen scheiden.

Ons dunkt dat hier het geestelijk leven der gemeente alleen maar bij kan welvaren. Wij mogen alles van het Woord verwachten, als wij maar tegelijk alles van de Geest verwachten. Het Woord doet het, maar door het Woord doet de Geest het. De Geest is altijd in de buurt van het Woord; daarom brengen wij het Woord niet tevergeefs en horen wij het niet tevergeefs. Het is nooit automatisch, het is altijd wonder.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Calvijn over Woord en Geest

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's