Dichterschap in de Gereformeerde Gezindte
Ter inleiding een tweetal persoonlijke herinneringen. Ik had het voorrecht op de middelbare school lessen in de Nederlandse taal en letterkunde te ontvangen van dr. C. G. de Bruin, later hoogleraar aan de Rijksuniversiteit in Leiden, thans intussen emeritus. Op een klassevraag waarom er naar verhouding zo weinig christelijke literatoren, dichters en schrijvers waren was zijn antwoord: die zouden vooral (moeten) komen uit de domineeswereld, maar de dominees hebben de kansel al om hun emoties te uiten, om uiting te geven aan wat hen ten diepste beroert. Met andere woorden: de literatoren staan al op de kansel. Jaren later vroeg ik aan ds. J. T. Doornenbal, wiens penvaardigheid toch wel een zekere vermaardheid genoot, waarom hij nooit tot het schrijven van een boek was gekomen, ik bedoelde een soort literair product, gegeven zijn kwaliteiten in deze. Zijn antwoord was, terwijl hij in zijn pastorietuin, zichtbaar genietend, wat frisse Oener lucht inademde en de houding van zijn pijp precies in harmonie deed zijn met de vormen van zijn gelaat: 'daar zou de gemeente niet tegen kunnen'; en met gemeente bedoelde hij bepaald een gemeente in meervoud, de gemeente dus van hér en dér. Men weet nooit of het helemaal serieus bedoeld was, want met zijn wekelijkse stukken bood hij door de jaren heen toch niet alleen maar traditionele stof, terwijl de méést kritische uitlatingen van zijn gevarieerde lezerskring wellicht waren samen te vatten in 'zo'n dominee Doornenbal toch.'
Gereformeerde Gezindte
Ik moest aan deze dingen denken toen ik het dezer dagen bij de Banier uitgegeven boek van drs. E. Hofman las: Dichtkunst, literaire kritiek en creatieviteit in de Gereformeerde Gezindte een boeiend boek, waaruit ik in dit artikel slechts aandacht vraag voor wat specifiek de Gereformeerde Gezindte raakt. Het is bepaald bevrijdend, dat drs. Hofman afrekent met de gedachte, dat alleen dat literatuur mag heten wat als zodanig een plaats heeft gekregen in de rij van verplichte boeken bij onderwijs etc, dus wat als 'de' literatuur wordt aangemerkt. Hofman (zelf behorend tot de Geref. Gemeenten) zegt: 'we moeten onszelf durven en kunnen zijn en volgens de bij ons behorende inzichten bepalen of iets literair is of niet. Tot de literatuur in de Gereformeerde Gezindte behoren die geschriften, die op zuivere wijze in adequate (gepaste) taal, en in goed geconcipieerde (ontworpen) vormen uitdrukking weten te geven aan het geestesleven in onze kringen ... En aan onze eigen verantwoordelijkheid zijn wij verplicht niet met het weinige het onbenullige, het bekrompene tevreden te zijn’.
Ik zeg daarom, dat ik deze visie bevrijdend acht omdat het ons verlost van de gedachte, dat iets geen niveau heeft als het niet het niveau van de wereld(se) literatuur heeft. Verborgen talenten mogen ontbloeien aan de eigenheid van een kring, die zich ten diepste geworpen weet op de eeuwige gronden van een bestaan, dat toekomst heeft, gronden die liggen in een verkiezend, scheppend en verlossend God. En toch, ondanks deze bevrijdende gedachte, komt Hofman tot zegge en schrijve drie dichters uit de Gereformeerde Gezindte, door hem betiteld als hoopvolle tekenen van beschikbaar komende talenten, 'een begin tot verheffing van ons cultureel niveau'. Hij noemt Nel Benschop, behorend tot de Gereformeerde Kerken, Marinus Nijssen, behorend tot de Gereformeerde Gemeenten en Enny IJskes Kooger, behorend tot de Vrijgemaakt Gereformeerden buiten verband.
Remmingen
Hofman betoogt dat wereldlijk dichterschap gauwer aan bod komt dan christelijk dichterschap. 'Wereldlijke dichters publiceren niet zelden reeds op jeugdige leeftijd. Christelijk dichterschap heeft een langere aanlooptijd nodig. Het moet de loutering van het geloof ondergaan.'
Bovendien weet de christelijke schrijver zich beperkt in de gebieden die hij betreedt en de wijze waarop hij schrijft. 'Op het gebied van de sexualiteit bijvoorbeeld zal de christelijke dichter altijd bescheiden zijn en voorzichtig. Zijn dichterschap mist een zekere vrijschrijverij die het wereldlijk dichterschap wel kent.'
Maar Hofman signaleert binnen de Gereformeerde Gezindte extra remmingen. Het literaire klimaat is ongunstig. Er is binnen de Gereformeerde Gezindte geen stirtiulans tot dichterschap. Dichterlijk talent kan niet tot ontplooiing komen want 'zijn kring lokt de dichter niet uit.' Wanneer er aandacht is voor het gedicht dan meestal slechts voor die gedichten 'die alleen maar netjes rijmen, behoorlijk in de pas van het metrum lopen. Maar zulke verzen zetten geen zoden aan de dijk van een gereformeerde kuituur'. Zo sluiten Marinus Nijssen, Nel Benschop en Enny IJskes Kooger óók aan bij de draad van de bestaande traditie, 'zonder hun vers met nieuwe middelen op te bouwen'; terwijl Hofman toch"niet aarzelt hen echt dichterschap toe te schrijven. Hofman voegt daaraan toe, dat versplintering, isolement, interne strijd om de waarheid, leven temidden van vastgeroeste waarheden, ook geen klimaat scheppen voor een bloeiende poëzie in de Gereformeerde Gezindte. 'Waar halen we in onze kring de ruimte vandaan om de hoogten der dichtkunst te kunnen betreden? ’
We citeren nu eenmaal drs. Hofman letterlijk: 'Een vluchtige verkenning van wat er door onze uitgevers op de markt gebracht wordt, brengt aan het licht, dat vele publikaties heruitgaven zijn van allerlei soorten oude, vaak theologische, boeken. Uitgevers zoeken naarstig naar boeken uit vroegere tijden, wetend, dat deze een gewild artikel zijn.
De duurste uitgaven worden grif verkocht. Een eigen kultureel klimaat ontbreekt. Wij zijn schatplichtig aan de wereldse kuituur. Eigen creativiteit om vanuit de reformatorische beginselen op de eigentijdse omstandigheden te reageren komt bij ons sporadisch voor. Het is een bewijs van de ingezonkenheid van het geestelijk leven in onze kringen. Wat er aan reformatorische poëzie verschijnt is over het geheel genomen miniem. In de uitvoerige catalogi van beschikbare boeken wordt slechts een halve bladzijde ingenomen door hedendaagse dichters. In de kerkelijke pers wordt er nauwelijks.aandacht aan het gedicht besteed, laat staan, dat men in de algemene bladen of in de kerkbodes eigen leden gelegenheid zou geven dichtwerk te publiceren’.
Uitzicht
Er zou veel meer uit dit boeiende boek van Hofman te citeren zijn, ook uit de interviews met de drie door hem genoemde dichters. We volstaan echter met de opmerking, dat zijn boek een spiegel en stimulans mag zijn voor de Gereformeerde Gezindte in de meest brede zin van het woord. Wanneer we erkennen, dat dichterschap een gave van de Schepper is dan mag de vraag rijzen of het ons iets te zeggen moet hebben, dat het echte dichterschap kennelijk onder ons zo zeldzaam en in de wereld zo veel voorkomend is (met alle ontsporingen daar van dien). Als er in de Gereformeerde Gezindte slechts ruimte is voor eensporigheid en eenvormigheid dan is dat Bijbels gezien schuld, waar God toch Zélf aan ieder mens gaven en talenten toeschikt? Ook in de Schrift treffen we de veelvormigheid. De verschillende Bijbelboeken kennen hun eigen vormen, gegeven met de eigenheid van de auteur, die door God niet als willoos werktuig gebruikt werd maar waardoor Hij aan Zijn veelkleurige wijsheid gestalte gaf. En wat kent de Schrift niet schone literaire, ook poëtische vormen!
Zou het dichterschap niet op mogen bloeien als een gave van de Schepper? Wat kan bovendien met het gedicht, als een diepe uiting van wat geschouwd mocht worden van de Waarheid Gods, niet een rijkdom van gedachten worden verwoqrd? Maar wat is dan ook tevens de dichter, de auteur van proza of poëzie, niet in hoge mate geroepen zijn gedachten, die hem gemakkelijk meevoeren naar verre verten, gevangen te geven onder de gehoorzaamheid van het Woord Gods. Hofman zegt dan ook terecht, dat de secularisatie van het dichterschap daar begint waar de dichter vervreemdt van de gemeente. Hier ligt een waarschuwing naar twee kanten. Het betekent namelijk, dat de dichter de gemeente nooit zal (willen) provoceren. Hij wil, ook met zijn literaire producten, de gemeente dienen, óók waar hij vanuit een doorleefde waarheid der Schriften, zich niet conformeert aan de tijdgeest, aan wat mén ervan vindt, aan wat nu eenmaal altijd zo geweest is. Maar van de gemeente mag worden verwacht, dat ze door de vormen heen naar de woorden, naar de zaken speurt; dat ze niet alleen de vaste (steun) punten, die evenzovele herkenningspunten voor orthodoxie zijn, op het spoor zoekt te komen maar dat ze aanvaardt wat vanuit de vrijheid des Geestes, die gebondenheid aan het Woord vooronderstelt en meebrengt, door werkelijk geïnspireerden wordt gegeven.
God geve zo ook onder ons kunstenaars, die slechts de Gloria Deï, de eer van de Schepper bedoelen. God geve zo ook een opbloei van christelijke literatuur en dichtkunst, ook onder ons. We zeggen niet dat dat een geestelijke opbloei zou bevorderen, maar wel dat die uit een geestelijke opbloei geboren zou worden. Het zou tot heil kunnen zijn van een cultuur die in chaos en disharmonie haar literaire producten ziet wegzinken.
E. Hofman: Dichtkunst, literaire kritiek en creativiteit in de Gereformeerde Gezindte; Uitgave De Banier b.v., Utrecht, 194 pagina's Prijs ƒ 17, 50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1976
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1976
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's