De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Leer mij mijn doop verstaan

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Leer mij mijn doop verstaan

2

9 minuten leestijd

Dat is een typisch Hervormd probleem: de dooppraktijk. In de gescheiden kerken kent men nauwelijk de vraag of een kind al of niet gedoopt zal worden. Immers, daar stelt men de eis dat minstens één van de ouders zelf belijdend lidmaat moet zijn.

De dooppraktijk

Kerkelijk gezien is dat ook volkomen terecht. Het is nu eenmaal een onmogelijke zaak dat men niet op zich wil nemen voor zichzelf, wat men wèl belooft voor zijn kinderen! Wanneer we dan ook te maken hebben met ouders die de doop begeren voor hun kind, maar die zelf nooit belijdenis hebben gedaan, dan hebben we als kerkeraden niet na te laten deze ouders erop te wijzen dat dit een inconsequentie is, en dat ze nu al voor de tweede, derde of vierde keer belijdenis doen bij het doopvont.

Maar wat eeuwenlang scheefgegroeid is, kan men niet zomaar ineens recht trekken! Zouden we alleen kinderen van lidmaten dopen, dan zou in vele gemeenten het aantal dopelingen tot een minimum worden gereduceerd.

We kunnen (en mogen ook kerkordelijk) niet de eis stellen dat de ouders belijdend lidmaat zijn. We kunnen en mogen wel van de ouders vragen dat er enig kerkelijk meeleven is, enig besef van wat de doop nu eigenlijk betekent. Dat is trouwens zonder meer voorgeschreven in de kerkorde. Deze stelt in Ordinantie 8: 'De kerkeraad houdt opzicht dat de Doop in het midden der gemeente heilig wordt gehouden, en door de ouders en verzorgers voor hun kinderen wordt begeerd'.

Het opzicht

De doop valt dus onder het opzicht van de kerkeraad. Van die kerkeraad worden twee dingen gevraagd: er moet gewaakt worden over de heiligheid van het sacramenten ouders die nalatig blijven moeten worden aangespoord tot aanvraag van de doop.

Ik meen dat alle kerkeraden, niet één uitgezonderd, hier bloot staan aan twee gevaren. Er zijn gemeenten waar men de Kuyperiaanse stelling huldigt: Doopt al wat in het doophuis gebracht wordt. Of de ouders kerkelijk meelevend zijn of niet, of ze onder het Woord komen of niet, of ze enig besef hebben van de doop of helemaal geen enkele notie, hun kind wordt gedoopt, indien ze dat wensen. Het gevolg daarvan is: heel weinig geboorteleden. En het voordeel is: Men kan de mensen er nog op aanspreken dat ze gedoopt zijn.

Er zijn andere gemeenten waar men het tegenovergestelde doet: Men doopt alleen kinderen van meelevende ouders. Bij onregelmatige kerkgang wordt de doop uitgesteld, bij totale onverschilligheid wordt de doop geweigerd. We vergeten nu maar de dwaze en zinloze eis die soms gesteld werd (wordt? ) dat de ouders eerst maar eens moesten tonen dat het hun ernst was door bijvoorbeeld vier of zes weken van tevoren de kerk te bezoeken. Dat kweekt alleen maar huichelaars. Deze praktijk werkt in de hand, vooral in onze tijd waarin de doop steeds minder wordt begeerd, een groot aantal ongedoopten. Immers, ouders die niet mee willen leven en voor wie het er niet veel toe doet of het kind gedoopt wordt, vragen de doop niet eens meer....

In verreweg de meeste gemeenten zal de praktijk enigszins in het midden liggen tussen twee bovengenoemde situaties. Men doopt niet alles wat de doop begeert, er moet enig spoor van belangstelling en meeleven zijn. Maar men weigert ook niet botweg wanneer men overigens bij de levenshouding van de ouders grote vraagtekens moet plaatsen.

Het onderricht

Wat is nu de juiste methode? Op die vraag is geen uniform antwoord te geven. Niemand kan een algemeen geldende regel bedenken: In dat geval dopen we, in dat geval dopen we niet.

Veel belangrijker is de vraag hoe we dubieuze gevallen pastoraal begeleiden. Het kan voorkomen dat niet-meelevende mensen grote beloften doen. Ze zullen naar de kerk komen, hun leven zal anders worden. Een kerkeraad die aanziet wat voor ogen is - we kunnen vaak ook niet anders - krijgt grote verwachtingen en besluit het kind te dopen. Achteraf blijkt wel dat men die beloften alleen maar gedaan heeft om het kind gedoopt te krijgen. De bewuste ouders zetten nooit meer een voet in de kerk en tonen geen spoor van enige belangstelling.

Het kan ook anders. Na breedvoerige gesprekken, met de ouders en tussen de kerkeraadsleden, besluit men het kind te dopen. De ouders stellen dat zó op prijs dat ze van nu voortaan trouw meelevend worden. Laten we ons nu eens proberen in te denken wat er gebeurd zou zijn wanneer in het laatste geval de doop geweigerd was.... Dan waren we de ouders voorgoed kwijt geweest, dan waren ze voorgoed van de kerk en van het Evangelie vervreemd.

Natuurlijk mogen we de doop niet gebruiken als evangelisatiemiddel. Maar met de mededeling dat het kind niet gedoopt kan worden omdat de kerkeraad er geen verantwoordelijkheid voor kan dragen en met de opdracht dat de mensen later nog maar eens terug moeten komen bereiken we vaak het tegenovergestelde: we zien hen nooit meer!

Er zitten talloze mensen thuis, vervreemd van de dienst van God, onder het motto: 'Ze wilden destijds mijn kind niet dopen'. Kerkeraden die hier tekort geschoten zijn, dragen daarvoor mede de verantwoordelijkheid.

Daarom is het zo belangrijk: Hoe begeleiden we de ouders vóór de doop? Stellen we hen voor de eisen en de beloften van het genadeverbond? Wijzen we hen op hun verantwoordelijkheid? Maken we hen duidelijk dat niet de kerkeraad, maar zij zelf aansprakelijk zijn wanneer het kind (nog) niet gedoopt kan worden? En als we niet anders gekund hebben dan de doop uitstellen, laten we het er dan bij zitten of komen we er nogeens op terug?

De nazorg

De kerkorde geeft aan de kerkeraden nog een opdracht met betrekking tot de doop. 'De kerkeraad waakt bij het opgroeien der kinderen over de band door doop en doopgelofte beves­tigd tussen het kind en zijn ouders met de kerk'.

Met andere woorden: Ook als het kind gedoopt is, zijn we er niet af. We klagen vaak steen en been dat de ouders zo nalatig zijn in het nakomen van wat zij beloofd hebben. Maar we mogen als kerkeraden onszelf ook wel aanklagen als we zien wat er terecht komt van de nazorg. Is het dan niet mede onze schuld dat gedoopte kinderen opgroeien, alsof het kinderen van heidenen waren?

De doop geeft ons juist de gelegenheid ook minderjarige, ook kleine kinderen bij het huisbezoek te betrekken. Spreken de ouders met hen over het feit dat ze gedoopt zijn en leggen ze hen uit wat dat betekent? Wordt er uit de bijbel (kinderbijbel? ) gelezen? Worden de kinderen meegenomen naar de kerk? Zijn ze op zondagsschool, op de christelijke school, gaan ze naar de catechisatie? Weten de ouders, als de kinderen groter worden, met welke jongens of meisjes ze omgaan, welke boeken ze lezen?

Onze Doop verstaan

’Leer de natie haar doop verstaan en kerk en staat zijn gered'. Dat schreef de bekende Amsterdamse deurwaarder J. A. Wormser in 1853.

We moeten die veel geciteerde woorden niet verkeerd verstaan. Wormser bedoelde niet dat elke gedoopte gered wordt, maar dat herstel van kerk en staat te verwachten is, wanneer de doop weer de plaats krijgt die haar toekomt.

Toen Wormser deze woorden neerschreef was Nederland nog een gedoopte natie. Héél het volk was er nog op aan te spreken dat het gedoopt was in de Naam van de Drieënige God. En Wormser bedoelde: Spreek het volk dan ook op die doop aan, laat zien dat die doop consequenties heeft voor het persoonlijk leven, voor het gezinsleven, voor het maatschappelijk leven, voor de school, voor de staat en voor de kerk.

Misschien zullen we Wormser's uitspraak nog beter begrijpen wanneer we weten dat hij aanvankelijk was meegegaan met de Afscheiding, maar dat hij zich op de duur toch niet thuis voelde onder de Afgescheidenen. Hij trof onder hen een naar binnen gekeerd geestelijk leven aan. Hij zag in de toekomst de Afscheiding ten onder gaan in het moeras van het subjectivisme. En volgens hem lag de voornaamste oorzaak in het niet of niet voldoende functioneren van de doop. Men liet z'n kinderen dopen, maar het was vaak uit gewoonte. De predikanten doopten, maar wisten nauwelijks waarom ze het deden. Er heerste een ontstellende onkunde op het terrein van de doop. Vandaar die beroemd geworden uitspraak: 'Leer de natie haar doop verstaan....' Die onkunde ten aanzien van de doop was trouwens niet alleen een kwaad van de 19de eeuw. In de eeuw daarvoor had de bekende Bernardus Smytegelt in Middelburg al geklaagd: 'Men verstaat de doop niet meer. Datgene waar de Heere mee begonnen is, dat houden wij voor het laatste'.

Is het vanddag de dag veel beter gesteld? Is er ook onder óns geen ontstellende onkunde, geen huiveringwekkende nonchalance aangaande de doop?

Daarom is het zo nodig dat we in de prediking en in het pastoraat telkens weer wijzen op de betekenis van de doop.

Onze Doop beleven

De doop is niet zaligmakend. Dat weten we héél goed!

Maar in de doop heeft de Heere Zijn beloften betekend en verzegeld. Wat doen we met die beloften? Laten we ze liggen als een renteloos kapitaal? Dan zullen ze ons geen enkel nut doen. Een cheque die we in onze portefeuille laten zitten heeft geen waarde. Waarde krijgt die cheque pas als we naar de bank gaan om het bedrag te innen.

De Heere spoort ons aan dat te doen. Opent uwen mond, eist van Mij vrijmoedig op Mijn trouwverbond.

En dan gaan we onze doop niet alleen verstaan, maar ook beleven. Dan mogen we met Luther zeggen in de felste aanvechting: 'Baptisatus sum' - ik ben gedoopt!

Niet als een soort automatisme: Ik ben gedoopt, wat kan me nog gebeuren? Maar op grond van de gewisse beloften Gods die in Jezus Christus ja en amen zijn, en die waarde voor me gekregen hebben door de kracht en de werking van de Heilige Geest. 

En dan zijn we altijd nog te weinig bezig met dat wonder dat de Heere Zijn hand op ons heeft gelegd toen we nog nergens van wisten en dat Hij aan ons gedacht heeft voordat wij aan Hem konden denken.

Dan zeggen we: 'Verbondsgod, leer mij mijn doop verstaan en ik ben gered'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1976

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Leer mij mijn doop verstaan

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1976

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's